Uitspraken

Een deel van alle rechterlijke uitspraken wordt gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit gebeurt gepseudonimiseerd.

Deze uitspraak is gepseudonimiseerd volgens de pseudonimiseringsrichtlijn

ECLI:NL:RBNNE:2024:259

Rechtbank Noord-Nederland
02-02-2024
02-02-2024
10852196 \ VV EXPL 23-82
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig

Werknemer heeft in kort geding onder andere achterstallig loon en kantoorkosten gevorderd alsmede veroordeling van werkgever om loonstroken te verstrekken, welke vorderingen grotendeels zijn toegewezen. In reconventie heeft werkgever gevorderd het executoriale beslag op zijn woonhuis op te heffen, welke vordering is toegewezen.

Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2024-0162
VAAN-AR-Updates.nl 2024-0162

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Assen

Zaaknummer: 10852196 \ VV EXPL 23-82

Vonnis in kort geding van 2 februari 2024

in de zaak van

[eiser] ,

wonende [adres] ,

eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie,

hierna te noemen: werknemer,

gemachtigde: mr. M.H. van der Linden,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [adres] ,

gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie,

hierna te noemen: werkgever,

gemachtigde: mr. G.K. Fraterman.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met zeven producties van 29 december 2023;

- de akte houdende eis in reconventie met zeven producties, ingekomen ter griffie op
15 januari 2024;

- de akte vermeerdering van eis met producties aan de zijde van werknemer, ingekomen ter griffie op 18 januari 2024;

- de mondelinge behandeling gehouden op 19 januari 2024. Werknemer is verschenen samen met zijn gemachtigde mr. M.H. van der Linden. [naam] , partner van werkgever en door werkgever gemachtigd, is verschenen samen met mr. G.K. Fraterman. Van hetgeen ter zitting is besproken heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

- de pleitnota aan de zijde van werknemer;

- de pleitnota aan de zijde van werkgever.

1.2.

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Werknemer en werkgever zijn broers van elkaar. Werkgever heeft een advocatenkantoor en werknemer is sinds 1 december 1989 in dienst bij werkgever in de functie van advocaat.

2.2.

Tussen partijen is op 22 juli 2022 een kort gedingvonnis gewezen, waarbij werkgever is veroordeeld om op straffe van een dwangsom maandelijks loonspecificaties aan werknemer te verstrekken.

2.3.

Werknemer heeft werkgever nadien nogmaals gedagvaard in kort geding en een loonvordering ingesteld. Bij kort geding vonnis van 8 september 2022 is werkgever veroordeeld om aan werknemer te voldoen het achterstallige netto dertiende maandsalaris (december) 2020, het achterstallige nettoloon (waaronder) het netto vakantiegeld en netto dertiende maandsalaris over de maanden januari 2021 tot en met juli 2022, de wettelijke verhoging van 15%, wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten. Tevens is werkgever in voornoemd vonnis van 8 september 2022 veroordeeld om, zo lang de arbeidsovereenkomst bestaat, aan werknemer het nettoloon betalen. Dit kort geding vonnis is in kracht van gewijsde gegaan.

2.4.

Vervolgens is werknemer een bodemprocedure gestart tegen werkgever, waarbij werknemer onder andere achterstallig loon en kantoorkosten heeft gevorderd. De kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen heeft op 31 oktober 2023 vonnis gewezen met zaak- en rolnummer 10348280 / CV EXPL 23-707. Tegen het vonnis van 31 oktober 2023 is (nog) geen hoger beroep ingesteld. In het vonnis van
31 oktober 2023 staat, voor zover van belang:

“(…) 5. De beoordeling

(…)

Vaste onkostenvergoeding van € 273,32 per maand en kantoorkosten (…)

5.15. (…)

Nu de door werknemer gedeclareerde werkelijk gemaakte kantoorkosten, waaronder kosten voor telefoon-en internetaansluitingen vanaf in ieder geval het jaar 2008 tot en met 2019 steeds door werkgever zijn vergoed, is er sprake van een bestendige lijn. Niet gesteld noch gebleken is dat partijen hebben afgesproken dat werknemer zijn kosten tijdens ziekte niet zou mogen declareren. Werkgever heeft deze na de ziekmelding in september 2019 en tijdens eerdere ziekteperiodes ook voldaan. Werknemer mocht er onder deze omstandigheden - ook als dat destijds niet expliciet is afgesproken - van uitgaan dat hij die kosten ook tijdens ziekte vergoed zou krijgen.

(…)

Hoogte achterstallig loon

5.24.

Hiervoor is geoordeeld dat het loon van werknemer dient te worden geïndexeerd aan de inflatie in het betreffende jaar (r.o. 5.5 tot en met 5.9), dat vaste onkostenvergoeding ook tot het loon behoort (r.o. 5.12), dat de werknemer het bruto equivalent daarvan juist heeft berekend (r.o. 5.13) en dat tijdens de gehele ziekteperiode 100% van het loon aan werknemer moet worden doorbetaald (r.o. 5.16 tot en met 5.21) en dat dit ook na zijn herstel moet worden voldaan (r.o. 5.22 en 5.23).

(…)

6. De beslissing

De kantonrechter

in conventie

6.1.

veroordeelt werkgever, met in achtneming van hetgeen onder r.o. 5.25 is overwogen, om aan werknemer te betalen het netto equivalent van het geïndexeerde brutoloon, (waaronder) het bruto vakantiegeld en het bruto dertiende maandloon over de periode 1 januari 2020 tot en met
31 juli 2023, zijnde een bedrag van € 216.070,76 bruto, onder aftrek van het op 26 februari 2023 betaalde nettobedrag van € 20.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag waarop de respectievelijke netto loonbedragen opeisbaar zijn geworden tot en met de dag der algehele voldoening;

6.2.

veroordeelt werkgever om aan werknemer te betalen aan wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over het achterstallige loon betreffende de periode 1 januari 2020 tot en met 31 juli 2023, het netto equivalent van € 65.000,00 bruto, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de datum van dit vonnis tot en met de dag der algehele voldoening;

6.3.

veroordeelt werkgever om aan werknemer te betalen het bedrag van € 3.227,78 ter zake de door werknemer voorgeschoten kantoorkosten over de periode januari 2020 tot en met juni 2023, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot en met de dag der algehele voldoening;

(…)

6.11.

verklaart de hiervoor genoemde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

(…)”

2.5.

Door werkgever is op 24 maart 2023 bij de rechtbank Noord-Nederland, kamer voor kantonzaken, locatie Assen een verzoek ingediend om de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden. In deze procedure is nog geen beschikking gewezen.

2.6.

Op 7 november 2023 heeft werknemer uit kracht van het vonnis van
31 oktober 2023, ten laste van werkgever, executoriaal beslag laten leggen onder de Coöperatieve Rabobank.

2.7.

Op 20 november 2023 heeft werknemer uit kracht van het vonnis van
31 oktober 2023 ten laste van werkgever executoriaal beslag gelegd op onroerende zaken c.q. registergoederen, betreffende:

  • -

    het aandeel van werkgever in het kantoorpand, staande en gelegen aan de [adres] ;

  • -

    het aandeel van werkgever in de [adres] , zowel op de onroerende zaak, de tuin-erf alsook berging-stalling en terrein;

  • -

    het aandeel van werkgever (1/8) in [adres] .

2.8.

Na het door de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, verkregen verlof heeft werknemer op 27 november 2023 ten laste van werkgever conservatoir beslag laten leggen op onroerende zaken en onder derden, betreffende:

  • -

    het aandeel van werkgever in het kantoorpand, staande en gelegen aan de [adres] ;

  • -

    het aandeel van werkgever in de [adres] , zowel op de onroerende zaak, de tuin-erf alsook berging-stalling en terrein;

  • -

    het aandeel van werkgever (1/8) in [adres] .

  • -

    Onder de Coöperatieve Rabobank;

  • -

    Onder de ING Bank N.V.

2.9.

De beslaglegging onder de Rabobank heeft doel getroffen voor een bedrag van
€ 41.104,53.

2.10.

Op 18 december 2023 heeft de gemachtigde van werknemer een e-mail naar werkgever gezonden, waarbij werkgever is gesommeerd het loon over de maanden augustus 2023 tot en met december 2023, de vaste dertiende maand, de kantoorkosten over de maanden juli 2023 tot november 2023 aan werknemer te betalen alsmede de juiste loonstroken aan werknemer te verstrekken.

2.11.

Op 5 januari 2024 heeft werknemer een e-mail naar werkgever gezonden met het verzoek de voorgeschoten bijdragen aan de landelijke orde van advocaten, de kosten voor de advocatenpas, de kantoorkosten over de maanden juli 2023 tot en met november 2023 en de reiskosten aan werknemer te betalen.

2.12.

Op 17 januari 2024 heeft [naam] , namens werkgever, aan werknemer een betaling verricht van € 100.000 netto.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

Werknemer vordert - na vermeerdering van eis - dat de kantonrechter, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, bij wege van voorlopige voorziening:

I. werkgever zal veroordelen tot betaling van het netto equivalent van het achterstallig (en geïndexeerde) brutoloon over de maanden augustus 2023, september 2023, oktober 2023, november 2023 en december 2023 alsmede de dertiende maand over 2023 en januari 2024, te weten in totaal het netto equivalent van de som van bruto
€ 71.456,918, althans een zodanig nettobedrag als de kantonrechter in goede justitie vermeent te behoren;

II. werkgever zal veroordelen tot betaling van de wettelijke verhoging van 50% ex artikel 7:625 BW over het hiervoor onder I gevorderde bedrag, daarmee zijnde het netto equivalent van een bedrag van € 35.728,46, althans een zodanig percentage aan wettelijke verhoging en dus een zodanig nettobedrag aan wettelijke verhoging als de kantonrechter in goede justitie vermeent te behoren;

III. werkgever zal veroordelen tot betaling aan werknemer van het inmiddels bekende, geïndexeerde bruto loon over de maanden januari 2023 tot en met juli 2023 te weten een bedrag van € 2.867,06;

IV. werkgever zal veroordelen tot betaling aan werknemer van de door werknemer voorgeschoten kantoorkosten over de periode juli 2023 tot en met januari 2024 van € 432,69, althans een zodanig bedrag als de kantonrechter in goede justitie vermeent te behoren;

V. werkgever zal veroordelen tot betaling aan werknemer van de door werknemer voorgeschoten kantoorkosten van € 120,40 ter zake van een advocatenpas en
€ 21,98 aan reiskosten.

VI. werkgever zal veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over de onder I, II en III gevorderde bedragen vanaf de dag der opeisbaarheid, althans vanaf de dag der dagvaarding tot en met de dag der algehele voldoening over het gevorderde bedrag;

VII. werkgever zal veroordelen tot het binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis per e-mail verstrekken aan werknemer van (kopieën van) de juiste loonstroken over de maandlonen van januari 2020 tot en met januari 2024, waaronder ook de juiste loonstroken van de dertiende maanden, een en ander op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag of gedeelte per dag dat werkgever daarmee per loonstrook na het verstrijken van die termijn geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft;

VIII. werkgever zal veroordelen tot het binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis per e-mail verstrekken aan werknemer van (kopieën van) de juiste berekeningen waaruit het per jaar opgebouwde vakantiegeld bestaat over de jaren 2020 tot en met heden, een en ander op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag of gedeelte per dag dat werkgever daarmee per opgave na het verstrijken van die termijn geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft;

IX. werkgever zal veroordelen tot het binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis per e-mail verstrekken aan werknemer van (kopieën van) de juiste jaaropgaven over de maandlonen van januari 2020 tot en met januari 2024, waaronder ook de juiste loonstroken van de dertiende maanden, een en ander op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag of gedeelte per dag dat werkgever daarmee per opgave na het verstrijken van die termijn geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft;

X. werkgever zal veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten conform de Wet normering buitengerechtelijke incassokosten en het bijbehorende Besluit, zoals berekend volgens de Staffel buitengerechtelijke incassokosten, te weten een bedrag van € 1.375,00, althans een zodanig bedrag dat de kantonrechter in goede justitie vermeent te behoren;

XI. werkgever zal veroordelen tot betaling van de kosten en de nakosten van deze procedure.

3.2.

Werkgever voert verweer. Werkgever concludeert tot niet-ontvankelijkheid van werknemer, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van werknemer, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van werknemer in de kosten van deze procedure.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.

werkgever vordert in reconventie - na vermindering van eis ter zitting - dat de voorzieningenrechter, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. werknemer zal veroordelen tot integrale opheffing van het executoriale beslag rustende op het registergoed c.q. de onroerende zaak en al haar (bijbehorende) aangelegenheden, staande en gelegen [adres]
[adres] , kadastraal bekend gemeente [adres] , [sectie] nummer [xxx] en [sectie] , nummer [xxx] , binnen vierentwintig uren na betekening van dit vonnis, althans een binnen een door U.E.A. voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen termijn, op straffe van een dwangsom van € 250,00 voor iedere dag dat zij daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 25.000,00;

II. werknemer zal veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.5.

Werknemer voert verweer. Werknemer concludeert tot niet-ontvankelijkheid van werkgever, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van werkgever, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van werkgever in de kosten van deze procedure.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

4.1.

Het gaat hier om een procedure in kort geding. Voor toewijzing van een vordering in kort geding is vereist dat de aan die vordering ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden voldoende aannemelijk zijn en dat het ook in voldoende mate waarschijnlijk is dat die vordering in een nog te voeren gewone procedure (bodemprocedure) zal worden toegewezen. Voor nader onderzoek naar bepaalde feiten en omstandigheden of voor bewijslevering door bijvoorbeeld getuigen is in dit kort geding in beginsel geen plaats. Dat moet gebeuren in een eventuele bodemprocedure. De beoordeling in dit kort geding is dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.

Spoedeisend belang

4.2.

Werknemer vordert onder andere betaling van loon over de periode augustus 2023 tot en met januari 2024 alsmede voorgeschoten kantoorkosten. Gelet op de aard van deze vordering heeft werknemer een spoedeisend belang. Indien een werknemer geen loon ontvangt, kan hij daarmee immers niet meer in zijn levensonderhoud voorzien.

Achterstallig loon

4.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat werknemer bij werkgever in dienst is. Uitgangspunt is dat werkgever het loon van werknemer op tijd dient te betalen. Slechts in bijzondere situaties kan een werkgever het loon van een werknemer inhouden en/of verrekenen. Naar het oordeel van de kantonrechter is niet gebleken dat een dergelijke situatie zich hier voordoet.

4.4.

De kantonrechter heeft in het vonnis van 31 oktober 2023 reeds geoordeeld dat het loon geïndexeerd dient te worden aan de inflatie in het betreffende jaar. Onbetwist heeft werknemer aangevoerd dat het geïndexeerde bruto maandloon in 2022 een bedrag van
€ 9.798,55 bedraagt, zodat de kantonrechter van dit bedrag uit gaat. De gemiddelde consumentenprijsindex (CPI) inflatie in Nederland in 2023 was volgens de cijfers van het CBS 3,93%, zodat de kantonrechter aan de gestelde inflatie van 4,18% door werknemer en 3,8% door werkgever voorbij gaat. Uitgaande van voornoemd percentage van 3.93% bedraagt het brutoloon van werknemer in 2023 na indexatie een bedrag van € 10.183,63
(€ 9.798,55 x 1,0393). Betreffende de maanden augustus 2023 tot en met december 2023, de dertiende maand over 2023 en het niet geïndexeerde loon voor de maand januari 2024 is werkgever derhalve een bedrag van € 71.285,41 (7 x € 10.183,63) bruto aan werknemer verschuldigd. Ter zitting heeft Abbink namens werkgever aangegeven dat de betaling op
17 januari 2024 van € 100.000,00 netto gedaan is ten behoeve van het vonnis van
31 oktober 2023, zodat deze betaling niet in mindering strekt op onderhavige vordering. Evenmin zijn door werkgever nadere betalingen gesteld die op onderhavige vordering in mindering dienen te worden gebracht. Gelet hierop acht de kantonrechter in kort geding dan ook voldoende aannemelijk dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat sprake is van een achterstallig salaris van € 71.285,41 bruto ter zake de maanden augustus 2023 tot en met januari 2024 en de dertiende maand over 2023, welk bedrag werkgever aan werknemer dient te voldoen. In dit verband zal dan ook het netto equivalent van het achterstallig brutoloon van € 71.285,41 worden toegewezen. Over dit bruto loon zal wettelijke rente worden toegewezen als in het dictum bepaald.

Wettelijke verhoging

4.5.

Door werknemer is onweersproken gesteld dat de loonbetalingen uiterlijk op de vijfde van de desbetreffende maand dienen te worden betaald. Nu werkgever niet volledig en tijdig aan zijn loonbetalingsverplichtingen heeft voldaan ter zake de maanden augustus 2023 tot en met januari 2024 alsmede heeft nagelaten de dertiende maand over het jaar 2023 te betalen, is hij hierover tevens de wettelijke verhoging verschuldigd. De kantonrechter ziet aanleiding de wettelijke verhoging te beperken tot 30%. Daarbij heeft de kantonrechter rekening gehouden met het feit dat werkgever ondanks het gewezen vonnis van
31 oktober 2023 nog niet is overgegaan tot volledige betaling van het achterstallige salaris waartoe werkgever in voornoemd vonnis is veroordeeld. Anderzijds weegt de kantonrechter mee (1) dat er tussen partijen diverse meer juridisch inhoudelijke geschilpunten hebben bestaan over de betalingsverplichtingen van werkgever waarover zij pas met het vonnis van 31 oktober 2023 duidelijkheid hebben verkregen, zodat voor de maanden augustus 2023 en oktober 2023 niet kan worden gezegd dat werkgever willens en wetens zonder enige grond niet is overgegaan tot betalen van dat gedeelte van het loon en (2) dat er namens werkgever inmiddels een bedrag van € 100.000,00 netto ter zake achterstallig loon op het vonnis van 31 oktober 2023 is voldaan en (3) dat in het vonnis van 31 oktober 2023 reeds € 65.000 bruto (30%) wettelijke verhoging over het daarin gevorderde achterstallige loon is toegewezen. Voor verdergaande matiging ziet de kantonrechter in de gegeven omstandigheden geen aanleiding.

4.6.

De gevorderde wettelijke rente over de wettelijke verhoging ligt als op de wet gegrond en bovendien als niet weersproken eveneens voor toewijzing gereed. De wettelijke rente over de wettelijke verhoging zal worden toegewezen vanaf de datum van dit vonnis.

Geïndexeerd brutoloon januari 2023 tot en met juli 2023

4.7.

Werknemer heeft onbetwist aangevoerd dat het geïndexeerde bruto maandloon in 2022 een bedrag van € 9.798,55 bedraagt. Zoals hiervoor onder rechtsoverweging 4.4. reeds overwogen betreft het brutoloon van werknemer in 2023, na indexatie met de gemiddelde inflatie in 2023 van 3,93%, een bedrag van € 10.183,63 (€ 9.798,55 x 1,0393). Het verschil tussen het geïndexeerde bruto maandloon betreffende de jaren 2023 en 2022 bedraagt derhalve een bedrag van € 385,08 (€ 10.183,63 - € 9.798,55). Het geïndexeerde deel van het bruto loon over de maanden januari 2023 tot en met juli 2023 bedraagt derhalve een bedrag van € 2.695,56 bruto. Als onweersproken staat vast dat werkgever deze indexatie niet heeft voldaan, zodat deze vordering van € 2.695,56 bruto zal worden toegewezen. Over dit geïndexeerde bruto loon zal wettelijke rente worden toegewezen als in het dictum bepaald.

Kantoorkosten

4.8.

Ter onderbouwing van de gevorderde kantoorkosten betreffende de periode juli 2023 tot en met januari 2024, ten bedrage van € 432,69, heeft werknemer bij dagvaarding en akte vermeerdering van eis facturen van deze kosten overgelegd, bestaande uit kosten voor telefoon- en internetaansluitingen. In het vonnis van 31 oktober 2023 heeft de kantonrechter in rechtsoverweging 5.15 reeds geoordeeld dat nu de kosten voor telefoon- en internetaansluitingen vanaf in ieder geval het jaar 2008 tot en met 2019 door de werkgever vergoed zijn, er sprake is van een bestendige lijn. Nu de juistheid van de facturen voor internet- en telefoonaansluitingen van in totaal een bedrag van € 432,69 door werkgever ook niet is weersproken, zullen deze kantoorkosten worden toegewezen.

4.9.

Met betrekking tot de kosten voor de advocatenpas heeft werknemer bij dagvaarding een factuur overgelegd ten bedrage van € 120,40, met factuurdatum
21 december 2023 en waarop een betalingstermijn staat genoemd van 14 dagen. De betalingstermijn van 14 dagen van voornoemde factuur van 21 december 2023 is verstreken en de kosten voor de advocatenpas zijn, in tegenstelling tot hetgeen werkgever aanvoert, wel degelijk opeisbaar. Dat werknemer op dit moment ziek is doet aan voornoemde verschuldigdheid van deze kantoorkosten door werkgever niets af, gelet op hetgeen staat genoemd in rechtsoverweging 5.15 van het vonnis van 31 oktober 2023 namelijk dat werknemer er onder de genoemde omstandigheden vanuit mocht gaan dat hij de kantoorkosten ook tijdens ziekte vergoed zou krijgen. Van een nadien tussen partijen gemaakte gewijzigde afspraak ter zake de kantoorkosten is niet gebleken. Gelet hierop acht de kantonrechter in kort geding dan ook voldoende aannemelijk dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat de kosten van de advocatenpas, zijnde kantoorkosten, door werkgever dienen te worden voldaan. In dit verband zal de vordering van € 120,40 worden toegewezen.

4.10.

De door werknemer gevorderde reiskosten van € 21,98 welke kosten vallen onder de kantoorkosten zijn door werkgever niet betwist, zodat dit bedrag als onweersproken zal worden toegewezen.

Loonstroken

4.11.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft werkgever aangegeven dat het juist is dat er maandelijks loonstroken aan werknemer moeten worden verstrekt en zijn boekhouder heeft aangegeven dat de loonstroken tot en met december 2023 aan werknemer zijn verstrekt. Werknemer heeft zich op het standpunt gesteld dat hij wel loonstroken van werkgever heeft ontvangen, maar deze loonstroken niet juist zijn. Partijen zijn tijdens de mondelinge behandeling vervolgens overeengekomen dat er door de werkgever loonstroken moeten worden verstrekt conform hetgeen daarover is bepaald in het vonnis van
31 oktober 2023 (met zaak- en rolnummer: 10348280 / CV EXPL 23-707), waaronder de gegevens van het vakantiegeld, de dertiende maand en de jaaropgaven. Gelet op deze overeenstemming zal de kantonrechter de vorderingen onder VII, VIII en XI op die wijze toewijzen. De termijn waarbinnen de stukken moeten worden verstrekt zal de kantonrechter vaststellen op veertien dagen, nu dat naar het oordeel van de kantonrechter een redelijke termijn voor nakoming betreft.

4.12.

Nu door de werkgever reeds is aangevoerd dat er al loonstroken aan werknemer zijn verstrekt alsmede werkgever de toezegging heeft gedaan de loonstroken te verstrekken conform hetgeen door de rechter is overwogen in het vonnis van 31 oktober 2023, ziet de kantonrechter aanleiding de door werknemer gevorderde dwangsom te beperken tot € 25,00 per dag of gedeelte van een dag dat werkgever niet zal voldoen aan de veroordeling met een maximumbedrag van € 2.000,00.

Buitengerechtelijke incassokosten

4.13.

Werknemer vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. De hoogte van de vordering zal worden getoetst aan het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is niet hoger dan het tarief dat in het Besluit is bepaald. Daarom wordt het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten van € 1.375,00 toegewezen.

Proceskosten

4.14.

Werkgever is de partij die in conventie grotendeels ongelijk krijgt en hij zal daarom in de proceskosten (inclusief nakosten) worden veroordeeld. Tot aan dit vonnis worden de proceskosten aan de zijde van werknemer als volgt vastgesteld:

- kosten dagvaarding € 129,86

- griffierecht € 693,00

- salaris gemachtigde € 814,00

- nakosten € 135,00 +

Totaal € 1.771,86

4.15.

Verder zal de veroordeling, als gevorderd en niet bestreden, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

in reconventie

Opheffen executoriaal beslag

4.16.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft werkgever zijn reconventionele vorderingen verminderd in die zin dat hij enkel handhaaft de vordering tot opheffing van het executoriale beslag rustende op het registergoed c.q. de onroerende zaak en al haar (bijbehorende) aangelegenheden, staande en gelegen [adres] , kadastraal bekend gemeente [adres] , [sectie] nummer [xxx] en [sectie] , nummer [xxx] . Het spoedeisend belang volgt uit de aard van deze vordering en is door werknemer ook niet betwist. Tijdens de mondelinge behandeling zijn partijen tot overeenstemming gekomen dat het executoriale beslag rustende op het registergoed c.q. de onroerende zaak en al haar (bijbehorende) aangelegenheden, staande en gelegen [adres] kan worden opgeheven. De kantonrechter zal deze vordering dan ook als niet weersproken toewijzen. Nu de kantonrechter het executoriale beslag zal opheffen, bestaat er aan de zijde van werkgever geen belang meer bij de oplegging van een dwangsom aan werknemer en deze zal dan ook worden afgewezen.

4.17.

Werknemer is de partij die in reconventie ongelijk krijgt en hij zal daarom in de proceskosten (inclusief nakosten) worden veroordeeld. Tot aan dit vonnis worden de proceskosten aan de zijde van werkgever als volgt vastgesteld:

- salaris gemachtigde € 814,00

- nakosten € 135,00 +

Totaal € 949,00

4.18.

Verder zal de veroordeling, als gevorderd en niet bestreden, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

5 De beslissing

De kantonrechter, recht doende als voorzieningenrechter:

in conventie

5.1.

veroordeelt werkgever om aan werknemer te betalen het netto equivalent van het geïndexeerde brutoloon over de maanden augustus 2023 tot en met december 2023 alsmede de dertiende maand over 2023 en januari 2024, te weten in totaal het netto equivalent van het brutobedrag van € 71.285,41, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag waarop de respectievelijke netto loonbedragen opeisbaar zijn geworden tot en met de dag der algehele voldoening;

5.2.

veroordeelt werkgever om aan werknemer te betalen de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW tot een maximum van 30% over het achterstallige loon betreffende de periode augustus 2023 tot en met januari 2024 en de dertiende maand over het jaar 2023, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de datum van dit vonnis tot en met de dag der algehele voldoening;

5.3.

veroordeelt werkgever om aan werknemer te betalen het geïndexeerde bruto loon over de maanden januari 2023 tot en met juli 2023, zijnde een bedrag van € 2.695,56 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van dit vonnis tot en met de dag der algehele voldoening;

5.4.

veroordeelt werkgever om aan werknemer te betalen een bedrag van € 432,69 betreffende kantoorkosten over de periode juli 2023 tot en met januari 2024;

5.5.

veroordeelt werkgever om aan werknemer te betalen een bedrag van € 120,40 betreffende een advocatenpas en een bedrag van € 21,98 aan reiskosten;

5.6.

veroordeelt werkgever om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis per e-mail aan werknemer te verstrekken (kopieën van) de loonstroken over de maandlonen van januari 2020 tot en met januari 2024, waaronder ook de loonstroken van de dertiende maanden conform hetgeen daarover is bepaald in het vonnis van 31 oktober 2023 (met zaak- en rolnummer: 10348280 / CV EXPL 23-707), een en ander op straffe van een dwangsom van € 25,00 per dag of gedeelte per dag dat werkgever daarmee per loonstrook na het verstrijken van die termijn geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft, tot een maximum van
€ 2.000,00 is bereikt;

5.7.

veroordeelt werkgever om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis per e-mail aan werknemer te verstrekken (kopieën van) de berekeningen waaruit het per jaar opgebouwde vakantiegeld bestaat over de jaren 2020 tot en met heden conform hetgeen daarover is bepaald in het vonnis van 31 oktober 2023 (met zaak- en rolnummer: 10348280 / CV EXPL 23-707), een en ander op straffe van een dwangsom van € 25,00 per dag of gedeelte per dag dat werkgever daarmee per loonstrook na het verstrijken van die termijn geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft, tot een maximum van € 2.000,00 is bereikt;

5.8.

veroordeelt werkgever om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis per e-mail aan werknemer te verstrekken (kopieën van) de jaaropgaven over de maandlonen van januari 2020 tot en met januari 2024, waaronder ook de loonstroken van de dertiende maanden conform hetgeen daarover is bepaald in het vonnis van 31 oktober 2023 (met zaak- en rolnummer: 10348280 / CV EXPL 23-707), een en ander op straffe van een dwangsom van € 25,00 per dag of gedeelte per dag dat werkgever daarmee per loonstrook na het verstrijken van die termijn geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft, tot een maximum van
€ 2.000,00 is bereikt;

5.9.

veroordeelt werkgever om aan werknemer te betalen een bedrag van € 1.375,00 aan buitengerechtelijke kosten,

5.10.

veroordeelt werkgever in de proceskosten, aan de zijde van werknemer tot dit vonnis vastgesteld op € 1.771,86;

5.11.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.12.

wijst het meer of anders gevorderde af;

in reconventie

5.13.

heft op het door werknemer ten laste van werkgever gelegde executoriale beslag rustende op het registergoed c.q. de onroerende zaak en al haar (bijbehorende) aangelegenheden, staande en gelegen [adres] , kadastraal bekend gemeente [adres] , [sectie] nummer [xxx] en [sectie] , nummer [xxx] .

5.14.

veroordeelt werknemer in de proceskosten, aan de zijde van werkgever tot dit vonnis vastgesteld op € 949,00;

5.15.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.16.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.J.R. de Locht en in het openbaar uitgesproken op
2 februari 2024.

typ/conc: 33514/awi

De gegevens worden opgehaald

Hulp bij zoeken

Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over:

Selectiecriteria

De Rechtspraak, Hoge Raad der Nederlanden en Raad van State publiceren uitspraken op basis van selectiecriteria:

  • Uitspraken zaken meervoudige kamers
  • Uitspraken Hoge Raad en appelcolleges
  • Uitspraken met media-aandacht
  • Uitspraken in strafzaken
  • Europees recht
  • Richtinggevende uitspraken
  • Wraking

Weekoverzicht

Selecteer een week en bekijk welke uitspraken er in die week aan het uitsprakenregister zijn toegevoegd.