3.1.
[eiser] vordert - na wijziging en vermindering van eis - bij vonnis voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad;
primair:
Stal Molenven te veroordelen tot afgifte van het paard aan [eiser] binnen 24 uur na betekening van dit vonnis, een en ander op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag of dagdeel met een maximum van € 250.000,00;
subsidiair:
1. Stal Molenven te veroordelen tot afgifte van het paard alsmede diens paspoort aan [eiser] tegen betaling van € 15.000,00, te vermeerderen met een bedrag van
€ 588,24 per maand met ingang van 1 juni 2017, althans te vermeerderen met een in goede justitie te bepalen bedrag per maand na 1 juni 2017, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag of dagdeel met een maximum van € 250.000,00;
2. Stal Molenven te veroordelen tot afgifte van het paard alsmede diens paspoort aan [eiser] op voorwaarde dat [eiser] het bedrag waarvoor aan Stal Molenven beslagverlof is verleend,
€ 69.813,94, stort danwel laat storten op de derdengeldenrekening van de raadsman van [eiser] , totdat in de bodemprocedure over de vordering van Stal Molenven zal zijn beslist, dan wel partijen daarover overeenstemming hebben bereikt;
3. Stal Molenven te veroordelen tot het inrichten van de trainingen zowel voor wat betreft de wijze waarop getraind wordt als de intensiteit waarmee getraind wordt na overleg met en met goedvinden van [eiser] , zulks op straffe van een dwangsom van € 250,00 per overtreding, met een maximum van € 25.000,00;
4. Stal Molenven te verbieden tot het deelnemen aan trainingen anders dan de gebruikelijke trainingen ter plaatse van de gebruikelijke verblijfsplaats van het paard, trainingskampen en/of wedstrijden en/of concoursen zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van [eiser] , zulks op straffe van een dwangsom ad € 25.000,00 per overtreding en per dag dat die overtreding voortduurt, zulks tot een maximum van € 250.000,00;
5. Stal Molenven te veroordelen in de kosten van dit geding en de nakosten.
3.2.
[eiser] legt daaraan het volgende ten grondslag. [eiser] is eigenaar van het paard en hij is derhalve bevoegd om te bepalen waar het paard zich bevindt en wat het paard doet, aan welke wedstrijden het paard deelneemt en hoe het getraind wordt.
3.2.1.
primair: [eiser] heeft het paard ter beschikking gesteld aan Stal Molenven teneinde het te laten berijden door [naam ruiter] . Partijen hebben afspraken gemaakt, welke dienen te worden aangemerkt als een vaststellingsovereenkomst in de zin van art. 7:900 BW. Art. 7:905 BW bepaalt dat een vaststellingsovereenkomst niet buitengerechtelijk kan worden ontbonden, als daardoor een reeds tot stand gekomen aan een partij of een derde opgedragen beslissing door de ontbinding wordt getroffen. Het enkele feit dat [eiser] niet tijdig heeft betaald, maakt niet dat de vaststellingsovereenkomst buitengerechtelijk kan worden ontbonden. De door partijen overeengekomen vergoeding bedraagt € 588,24 per maand en [eiser] is bereid dat bedrag ook over de maanden vanaf 1 juni 2017 totdat het paard aan hem wordt afgegeven.
3.2.2.
subsidiair: Voor het geval de voorzieningenrechter oordeelt dat het paard niet aan [eiser] moet worden afgegeven, vordert [eiser] dat hij in staat wordt gesteld het paard voor de best mogelijke prijs te verkopen en daartoe is het noodzakelijk dat potentiële kopers het paard kunnen bezichtigen en berijden. Stal Molenven weigert haar medewerking te geven, waardoor zij onrechtmatig handelt en hiermee het beslag vexatoir maakt. Ze schaadt hiermee immers de gerechtvaardigde belangen van [eiser] als eigenaar en potentiële verkoper zonder dat zij daar zelf enig belang bij heeft, en zonder dat haar belangen geschaad zouden kunnen worden.
Daarnaast maakt Stal Molenven voortdurende inbreuk op de rechten van [eiser] als eigenaar van het paard doordat ze het paard laat deelnemen aan zware trainingskampen, wedstrijden en ingrijpende medische behandelingen zonder enig overleg met [eiser] .
3.3.
Stal Molenven voert - kort gezegd - het volgende verweer.
3.3.1.
Het is niet duidelijk wat [eiser] vordert, omdat niet duidelijk is of [eiser] ook opheffing van de bewaring vordert.
3.3.2.
Stal Molenven is rauwelijks gedagvaard, omdat op 3 juli 2017 nog is gesproken met mr. Brouwers en vervolgens geen reactie meer is vernomen en dan ineens op 19 juli 2017 een verzoek voor opgave verhinderdata is gedaan.
3.3.3.
Het kort geding is onnodig, want bij confraterneel schrijven van 10 augustus 2017 is namens Stal Molenven het voorstel gedaan om het beslag op te heffen onder de voorwaarde dat [eiser] een bedrag van € 69.813,94 op de derdengeldrekening van haar advocaat stort. Hierop is geen reactie gekomen.
3.3.4.
[eiser] is toerekenbaar tekort geschoten in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst, waardoor Stal Molenven de overeenkomst op 8 juni 2017 rechtsgeldig heeft ontbonden.
3.3.5.
Storting van het bedrag ad € 69.813,94 op de derdengeldrekening van een van de advocaten geldt niet als voldoende zekerheid in de zin van art. 705 lid 2 Rv.
3.3.6.
Het paard bevindt zich thans in bewaring bij [naam stal bewaarder] en zij is dus belast met de stalling, verzorging en training van het paard.