vonnis
RECHTBANK OOST-BRABANT
Civiel Recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
zaaknummer / rolnummer: C/01/359436 / KG ZA 20-324
Vonnis in kort geding van 1 juli 2020
[eiseres]
,
wonende te [woonplaats] ,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
advocaat mr. L.F. Portier te Eindhoven,
[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
advocaat mr. L.S.Th.H. Ruijters te Eindhoven.
Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.
2 De feiten
2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Tijdens deze relatie is op 15 november 2013 [naam zoon] geboren. De man heeft [de zoon] erkend. De vrouw heeft het gezag over [de zoon] .
2.2.
Nadat partijen uit elkaar gingen heeft er eerst een periode begeleide omgang plaats gehad tussen [de zoon] en de man, in eerste instantie bij de vrouw thuis, later in het huis van en met aanwezigheid van de zus van de vrouw en vervolgens in het Omgangshuis onder begeleiding van BOR Humanitas.
2.3.
Een onderzoek dat de Raad van de Kinderbescherming had ingesteld op verzoek van de rechtbank Oost-Brabant bij beschikking van 23 juli 2015 (in een door de man aangespannen verzoekschriftprocedure), heeft geleid tot de beschikking van 23 augustus 2016 van de rechtbank Oost-Brabant (C/01/285532 / FA RK 14-5771-2). In deze beschikking heeft de rechtbank een omgangsregeling vastgesteld waarbij de man, na een opbouwende omgangsregeling van in totaal 9 maanden, gerechtigd is tot omgang met [de zoon] gedurende één weekend per twee weken van zaterdagochtend 10.00 uur tot zondagmiddag 17.00 uur en gedurende de helft van de vakanties en feestdagen.
2.4.
In januari 2017 heeft de vrouw de omgangsregeling gestaakt. De man heeft de vrouw op 3 februari 2017 in kort geding gedagvaard en gevorderd de vrouw te veroordelen haar medewerking te verlenen aan de uitvoering van de in bovengenoemde beschikking van 23 augustus 2016 vastgestelde omgangsregeling op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag.
Bij vonnis van 1 maart 2017 (C/01/317328 / KG ZA 17-68) heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant de vordering van de man toegewezen. De vordering in reconventie van de vrouw, om de omgangsregeling te stoppen en/of te schorsen is afgewezen onder de overweging – kort samengevat – dat niet gebleken is van contra-indicaties voor de omgang tussen de man en [de zoon] .
2.5.
De vrouw is van de beschikking van 23 augustus 2016 in hoger beroep gegaan.
Bij beschikking van 6 juli 2017 (200.204.054/01) heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch de beschikking van 23 augustus 2016 van de rechtbank vernietigd, uitsluitend voor zover het de vakantieregeling met betrekking tot de zomervakantie 2017 betreft.
In de beschikking van 6 juli 2017 (ro. 3.5.8) overweegt het hof dat niet aannemelijk is dat de momenten waarop [de zoon] onbegeleid bij de man verblijft niet goed zijn verlopen en dat het hof het in het belang van [de zoon] acht dat de weekendregeling wordt voortgezet.
2.6.
Na het vonnis in kort geding van 1 maart 2017 heeft de vrouw meegewerkt aan de omgangsregeling, tot april 2018, toen de vrouw besloten heeft de omgangsregeling tussen de man en [de zoon] stop te zetten. De reden van het stop zetten van de omgangsregeling was dat de vrouw de man beschuldigde van seksueel misbruik van [de zoon] . De vrouw heeft hier destijds melding van gemaakt bij de zedenpolitie.
2.7.
De man heeft zich nadat de vrouw de omgangsregeling stop heeft gezet gemeld bij Veilig Thuis.
2.8.
Op 2 mei 2018 heeft de vrouw de man gedagvaard in kort geding met de vordering de zorg- en contactregeling op te schorten en te bepalen dat totdat in de bodemprocedure is beslist geen dwangsom is verschuldigd. In reconventie heeft de man gevorderd om de bij vonnis van 1 maart 2017 opgelegde dwangsom te verhogen.
2.9.
Bij vonnis van 18 mei 2018 (C/01/333602 / KG ZA 18-228) heeft de voorzieningenrechter de vorderingen zowel in conventie als in reconventie afgewezen. De omgangsregeling zoals vastgesteld bij beschikking van 23 augustus 2016 dient te worden nagekomen op straffe van de (bij vonnis van 1 maart 2017 bepaalde) dwangsom van € 500,-.
2.10.
In oktober 2018 heeft er een mailwisseling plaats gevonden tussen de vrouw en de man over [de zoon] (productie 2 bij conclusie van antwoord) omdat [de zoon] niet met de man naar ‘ome [naam] ’ zou willen. De man heeft in 2018 meerdere dwangsommen geïnd omdat de vrouw de omgangsregeling niet na kwam.
2.11.
In augustus en september 2019 hapert de omgang tussen [de zoon] en de man wederom. Volgens de vrouw zou [de zoon] niet met de man mee willen en lukte het haar niet [de zoon] ervan te overtuigen om met de man mee te gaan (e-mailbericht van 2 september 2019 aan de gezinsmanager van Veilig Verder, productie 3 bij conclusie van antwoord). De man heeft in eerste instantie de deurwaarder opdracht gegeven om opnieuw dwangsommen te innen bij de vrouw maar heeft hier later van af gezien omdat de vrouw [de zoon] uiteindelijk mee liet gaan met de man.
2.12.
Toen de man [de zoon] in het weekend van 25 en 26 februari 2020 op kwam halen wilde [de zoon] niet met de man mee gaan, volgens de vrouw omdat de man bij het contactmoment daarvoor de vingernagels van [de zoon] veel te kort zou hebben geknipt waardoor de vingertoppen rood en zeer gevoelig waren. Er heeft op die dagen geen omgang plaats gevonden.
2.13.
Partijen hebben mailcontact gehad na de mis gelopen omgang tussen [de zoon] en de man (productie 6 bij dagvaarding). In de mailwisseling dringt de vrouw er bij de man op aan dat hij tegen [de zoon] zegt dat hij zijn nageltjes niet meer zal knippen en geeft zij aan dat [de zoon] niet naar de man wil omdat hij bang is dat hij (toch) zijn nageltjes knipt.
2.14.
Ook na februari 2020 – tot heden – heeft er geen omgang meer plaats gevonden tussen de man en [de zoon] .
Blijkens de e-mailcorrespondentie die in de weken na 25 en 26 februari 2020 plaats heeft gevonden (beide partijen hebben e-mailberichten overgelegd) dringt de man erop aan bij de vrouw dat [de zoon] de dag erna klaar staat om hem op te halen en geeft de vrouw telkens aan dat [de zoon] niet wil.
2.15.
Bij e-mailbericht van 13 maart 2020 (productie 7 bij conclusie van antwoord) heeft de vrouw medegedeeld dat [de zoon] verkouden is. Op de vraag van de man in zijn reactie op het bericht van de vrouw, of [de zoon] hem misschien wil bellen, reageert de vrouw dat ze dat gevraagd heeft aan [de zoon] maar dat hij dat niet wil.
2.16.
Bij exploot van 6 maart 2020 heeft de man aan de vrouw aangezegd dat zij in totaal € 1.000,- aan dwangsommen heeft verbeurd omdat zij op 25 en 26 februari 2020 niet heeft voldaan aan de omgangsregeling;
Bij exploot van 17 maart 2020 heeft de man aan de vrouw aangezegd dat zij in totaal
€ 1.000,- aan dwangsommen heeft verbeurd omdat zij op 6 en 7 maart 2020 niet heeft voldaan aan de omgangsregeling;
Bij exploot van 27 maart 2020 heeft de man aan de vrouw aangezegd dat zij in totaal
€ 1.000,- aan dwangsommen verbeurd heeft omdat zij op 22 en 23 februari 2020 niet heeft voldaan aan de omgangsregeling;
Bij exploot van 6 mei 2020 heeft de man aan de vrouw aangezegd dat zij in totaal € 1.000,- aan dwangsommen heeft verbeurd omdat zij op 2 en 3 mei 2020 niet heeft voldaan aan de omgangsregeling;
Bij exploot van 20 mei 2020 heeft de man aan de vrouw aangezegd dat zij in totaal € 1.000,- aan dwangsommen heeft verbeurd omdat zij op 16 en 17 mei 2020 niet heeft voldaan aan de omgangsregeling.
2.17.
Op 26 mei 2020 heeft de man ten laste van de vrouw executoriaal derdenbeslag doen leggen onder de ING bank op de aan de vrouw toebehorende bankrekening. Het bedrag waarvoor beslag is gelegd bestaat uit de door de man opgeëisten dwangsommen en bijkomende kosten, in totaal € 6.800,36.
Het beslag heeft geen doel getroffen omdat er onvoldoende saldo op de bankrekening staat. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in deze kort gedingprocedure heeft de vrouw hieromtrent desgevraagd verklaard dat zij momenteel geen inkomen (meer) heeft omdat zij vanwege de zorg voor haar zus en haar moeder bij wie zij zeer dicht in de buurt woont is gestopt met werken.
2.18.
Op 28 mei 2020 heeft de vrouw een verzoek wijziging omgangsregeling bij de rechtbank Oost-Brabant ingediend.
4 Het geschil in reconventie
4.1.
De man vordert samengevat – de man te machtigen om de nakoming van de bij beschikking van 23 augustus 2016 vastgestelde omgangsregeling te bewerkstelligen door telkens als de vrouw deze niet nakomt, de vrouw in gijzeling te doen nemen voor de duur van 24 uur waarbij heeft te gelden dat, telkens wanneer de vrouw 24 uur in gijzeling wordt genomen, de verbeurde dwangsom wordt verminderd met een bedrag, gelijk aan de dwangsom voor één overtreding, met veroordeling van de vrouw in de proceskosten.
4.2.
Aan bovenstaande vordering heeft de man – zakelijk weergegeven – het volgende ten grondslag gelegd. Uit de verschillende beschikkingen en vonnissen die in de afgelopen jaren door de rechtbank zijn gewezen blijkt dat de vrouw voortdurend tracht de omgang tussen de man en [de zoon] te frustreren. Hierbij schuwt zij het niet om ernstige beschuldigingen jegens de man te uiten, zoals bijvoorbeeld seksueel misbruik. De in het verleden door de vrouw verbeurde en betaalde dwangsommen hebben kennelijk geen effect gehad op haar gedrag want tot op heden blijft zij telkens andere argumenten aangrijpen op grond waarvan er geen omgang plaats kan vinden. Bovendien lijkt het erop dat de vrouw voorzorgsmaatregelen heeft genomen om te voorkomen dat zij (nog) wordt geraakt door het innen van dwangsommen. De vrouw heeft geen vermogen of inkomen waardoor het laatstelijk gelegde beslag op de bankrekening van de vrouw geen doel heeft getroffen. Het enige instrument dat de man nu nog rest om de vrouw te dwingen mee te werken aan de omgangsregeling is het middel van lijfsdwang.
4.3.
De vrouw voert verweer waarop hierna, voor zover van belang, nader zal worden ingegaan.
5 De beoordeling in conventie
5.1.
Blijkens het petitum van de dagvaarding is de vordering van de vrouw gericht tegen de tenuitvoerlegging van de verbeurde dwangsommen. In dit kort geding draait het – voor wat betreft de vordering in conventie – dus om de vraag of de vrouw de dwangsommen van in totaal € 6.000,-heeft verbeurd omdat zij het vonnis van 1 maart 2017 niet of onvoldoende zou hebben nageleefd.
5.2.
In een executiegeschil waarbij het erom gaat of dwangsommen zijn verbeurd omdat een bevel tot nakoming niet of onvoldoende is nageleefd, beperkt de voorzieningenrechter zich ertoe de ter uitvoering van de veroordelende beslissing verrichte handelingen te toetsen aan de inhoud van de veroordeling, zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld. Daarbij dient de voorzieningenrechter het doel en de strekking van de veroordeling tot richtsnoer te nemen in die zin dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel. De voorzieningenrechter kan geen eigen oordeel geven over de juistheid van de rechterlijke beslissing die ten uitvoer wordt gelegd of van de onderliggende rechtsoverwegingen. In onderhavige zaak betekent dit dat de door de vrouw ter uitvoering van de omgangsregeling verrichtte handelingen worden getoetst aan de beschikking van 23 augustus 2016, waarbij de omgangsregeling is bepaald, van welke omgangsregeling de vrouw bij vonnis van 1 maart 2017 tot nakoming is veroordeeld, op straffe van een dwangsom, om te bepalen of zij een dwangsom heeft verbeurd.
5.3.
Een rechterlijke beslissing is bindend en de vrouw zal dan ook uitvoering dienen te geven aan de daarin vastgelegde omgangsregeling. In het geval dat zij die niet nakomt dient zij daarvan de voorzienbare gevolgen te dragen. Vast staat dat er vanaf eind februari 2020 geen omgang tussen de man en [de zoon] (meer) heeft plaats gevonden terwijl dat volgens de door de rechtbank bepaalde omgangsregeling wel had gemoeten. Dat feit leidt er in beginsel toe dat de vrouw dwangsommen heeft verbeurd tenzij zij aannemelijk maakt dat het voor haar onmogelijk was om op een correcte wijze uitvoering te geven aan de omgangsregeling. In dat kader heeft de vrouw aangevoerd dat het feit dat de omgang gestopt is niet aan haar te wijten is maar aan de man zelf. [de zoon] wilde niet meer naar de man gaan omdat hij, nadat de man zijn nageltjes te kort geknipt had, bang was dat de man hem (opnieuw) pijn zou doen. De man heeft ontkend dat hij de nagels van [de zoon] heeft geknipt waardoor pijn of letsel is ontstaan. Volgens de man grijpt de vrouw telkens een andere gelegenheid aan om te voorkomen dat er omgang plaats vindt tussen de man en [de zoon] .
5.4.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de vrouw onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij daadwerkelijk in de onmogelijkheid verkeerde om [de zoon] te bewegen om met de man mee te gaan.
Uit de mailwisseling tussen partijen valt op te maken dat de vrouw de beslissing om geen omgang en/of contact met de man te hebben bij [de zoon] laat liggen. ‘ [de zoon] geeft aan dat hij niet mee wilt’ (mailbericht van de vrouw van 15 mei 2020, productie 10a van de zijde van de vrouw) ‘Ik had hem al gevraagd of hij wilde bellen maar dat wil hij niet’. (mailbericht van de vrouw van 13 maart 2020, productie 7 bij conclusie van antwoord); ‘ [de zoon] geeft aan dat hij niet naar jou wil’ (mailbericht van de vrouw van 5 maart 2020, productie 6 dagvaarding); ‘ [de zoon] geeft aan morgen niet mee te willen’ (mailbericht van de vrouw van 27 februari 2020, productie 6 bij dagvaarding); ‘Tot op heden wil [de zoon] niet mee’ (mailbericht van 25 februari 2020 productie 6 bij dagvaarding)
Dat de omstandigheid dat de man bij [de zoon] eind februari 2020 zijn nageltjes te kort zou hebben geknipt – hetgeen wordt betwist door de man – bij [de zoon] wellicht heeft geleid tot enige weerstand om daarna weer naar de man te gaan kan zo zijn, maar dit ontslaat de vrouw niet van haar plicht om al datgene te doen dat mogelijk is om te bevorderen dat de omgang met de man toch doorgaat. Het is niet de verantwoordelijkheid van een [leeftijd] om te bepalen of hij omgang heeft met een ouder. Het is de verantwoordelijkheid van beide ouders - waaronder dus de vrouw - dat [de zoon] met beide ouders een band kan opbouwen.
5.5.
Nu [de zoon] het hoofdverblijf heeft bij de vrouw en de man voortdurend te kennen geeft de omgang met zijn zoon te willen hebben conform de bepaalde omgangsregeling, ligt het in eerste instantie op de weg van de vrouw om ervoor te zorgen dat er uitvoering wordt gegeven aan de omgangsregeling. Mede gelet op de jonge leeftijd van [de zoon] - die in november van dit jaar [leeftijd] wordt - gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat zij voldoende overwicht op [de zoon] heeft en dat zij in staat is [de zoon] ertoe te bewegen naar de man te gaan. Zonder [de zoon] op een negatieve manier te ‘dwingen’ mag van de vrouw verwacht worden dat zij [de zoon] op momenten dat hij om wat voor reden dan ook niet naar de man toe wil, daadwerkelijk stimuleert om omgang te hebben met de man, en wellicht is het dan af en toe nodig om [de zoon] een spreekwoordelijk ‘duwtje in de rug te geven’. Dat de vrouw dit heeft gedaan is onvoldoende gebleken.
Dat het vanwege het ‘nageltjes-incident’ eind februari 2020 voor de vrouw onmogelijk is geweest [de zoon] te bewegen om omgang met de man te hebben, zoals de vrouw stelt, is gelet op hetgeen zojuist is overwogen, niet aannemelijk. Deze stelling vindt ook geen bevestiging in de door de vrouw overgelegde stukken. Dat het opschorten van de omgangsregeling na het ‘nageltjes-incident’ gerechtvaardigd was wordt bovendien tegengesproken door de betrokken gezinsmanager, [naam gezinsmanager] , die er bij e-mailbericht aan beide ouders op 11 maart 2020 (productie 5 bij conclusie van antwoord), bij e-mailbericht aan beide ouders op 20 maart 2020 (productie 8 bij dagvaarding) en bij e-mailbericht van 7 mei 2020 (productie 8 bij dagvaarding) op blijft aandringen dat de omgangsregeling moet worden nagekomen. Al deze e-mailberichten dateren van na februari 2020.
5.6.
Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de vrouw in onvoldoende mate haar medewerking heeft verleend aan de uitvoering van de omgangsregeling, zodat haar vordering om gedaagde te verbieden de verbeurde dwangsommen ten uitvoer te leggen niet zal worden toegewezen.
5.7.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
6 De beoordeling in reconventie
6.1.
De man heeft gevorderd de beschikking van 23 augustus 2016 uitvoerbaar bij lijfsdwang te verklaren.
Ingevolge artikel 587 van het Wetboek van Rechtsvordering (Rv) verklaart de rechter een beschikking als bedoeld in artikel 585 Rv slechts uitvoerbaar bij lijfsdwang, indien aannemelijk is dat toepassing van een ander dwangmiddel onvoldoende uitkomst zal bieden en het belang van de man toepassing daarvan rechtvaardigt. Gezien het ingrijpend karakter van dit dwangmiddel dient, alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemend, het recht van de vrouw op haar persoonlijke vrijheid te worden afgewogen tegen de bij de gevorderde lijfsdwang betrokken belangen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze belangenafweging in het nadeel van de vrouw behoort uit te vallen op grond van de volgende overwegingen.
6.2.
Aangenomen wordt dat de vrouw de vigerende omgangsregeling sinds eind februari 2020 niet meer heeft nageleefd. Voorts is gebleken dat de opgelegde dwangsommen haar niet tot nakoming hebben bewogen. Het executoriaal beslag dat de man bij exploot van 26 mei 2020 ten laste van de vrouw heeft doen leggen, heeft geen doel getroffen omdat er onvoldoende saldo op de bankrekening van de vrouw stond. Ter zitting heeft de vrouw hieromtrent verklaard dat zij geen vermogen heeft en geen inkomen aangezien zij haar baan heeft opgezegd om voor haar moeder en zus te zorgen en dat zij ‘leeft van de lucht’. Toepassing van de bij vonnis van 1 maart 2017 toegewezen dwangsommen biedt de man dus onvoldoende soelaas. In het verleden heeft de man wel een keerdwangsommen geïncasseerd vanwege het niet nakomen van de omgangsregeling door de vrouw, maar de executie van de dwangsommen heeft kennelijk onvoldoende effect gehad, want nadien is de vrouw opnieuw de omgangsregeling niet nagekomen.
6.3.
Ook in het bestek van deze procedure heeft de vrouw niet aannemelijk gemaakt dat zij welwillend is gevolg te geven aan de door de rechtbank bepaalde omgangsregeling. De vrouw meent dat, nu er een aantal maanden geen contact geweest is tussen de man en [de zoon] , het contact weer langzaam moet worden hervat. De man heeft verklaard dat hij zich realiseert dat het van belang is het vertrouwen van [de zoon] weer te winnen ten behoeve van het herstellen van contact maar verzet zich er tegen dat dat volgens de manier van de vrouw zou moeten gaan.
Nu er geen contra-indicaties zijn gebleken voor hervatting en naleving van de omgangsregeling en de vrouw er geen blijk van heeft gegeven bereid te zijn haar medewerking te verlenen aan een voortvarende hervatting van de omgangsregeling, acht de voorzieningenrechter de toepassing van het uiterste dwangmiddel in de gegeven omstandigheden gerechtvaardigd. De stelling van de man dat, indien het toepassen van lijfsdwang noodzakelijk zou zijn, dit niet leidt tot de situatie waarin niet meer voor [de zoon] gezorgd kan worden, omdat hij dan door de man, dan wel door familieleden van de vrouw kan worden opgevangen, heeft de vrouw niet betwist. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat in het onderhavige geval het belang van contact tussen de man en [de zoon] zwaarder behoort te wegen dan de belangen die worden gediend bij het niet toepassen van lijfsdwang zodat de vordering in reconventie wordt toegewezen.
6.4.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
7 De beslissing
De voorzieningenrechter:
7.1.
wijst de vorderingen af,
7.2.
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
7.3.
machtigt de man om de nakoming van de door de rechtbank bij beschikking van 23 augustus 2016 vastgestelde omgangsregeling te bewerkstelligen door telkens als de vrouw deze niet nakomt, de vrouw in gijzeling te doen nemen voor de duur van 24 uur, waarbij heeft te gelden dat, telkens wanneer de vrouw 24 uur in gijzeling wordt genomen, de alsdan verbeurde dwangsom wordt verminderd met een bedrag, gelijk aan de dwangsom voor één overtreding,
7.4.
verklaart dit vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
7.5.
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
7.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Loesberg en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2020.