Uitspraken

Een deel van alle rechterlijke uitspraken wordt gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit gebeurt gepseudonimiseerd.

Deze uitspraak is gepseudonimiseerd volgens de pseudonimiseringsrichtlijn

ECLI:NL:RBOBR:2020:5083

Rechtbank Oost-Brabant
20-10-2020
20-10-2020
01/995002-20
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig

Artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet.

Bij een bedrijfsongeval is een werknemer beklemd geraakt tussen de transportband en een vacuümzuiger. Verdachte heeft als werkgever nagelaten meerdere veiligheidsmaatregelen te nemen, die zij in het kader van het Arbeidsomstandighedenbesluit en de Arbeidsomstandighedenwet wel had moeten nemen. Opzet is bewezen.

De rechtbank legt een geldboete van € 100.000,-- op.

Rechtspraak.nl
Jurisprudentie HSE 2020/118

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/995002-20

Datum uitspraak: 20 oktober 2020

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige economische kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

gevestigd te [plaats] , [adres] .

Dit vonnis is op tegenspraak

gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 6 oktober 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht

.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 12 augustus 2020.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 23 augustus 2018 te [plaats] , gemeente Deurne, op de

locatie [adres] te [plaats] , als werkgever, al dan niet opzettelijk,

bij het laten verrichten van arbeid bestaande uit het uitvoeren van

werkzaamheden bij zaaglijn 61, zijnde een gekoppelde zaagmachine voor

kalkzandsteen,

handelingen heeft verricht en/of nagelaten in strijd met de

Arbeidsomstandighedenwet en/of het Arbeidsomstandighedenbesluit, door in

strijd met artikel:

- 7.7, eerste en vierde lid van het Arbeidsomstandighedenbesluit

het arbeidsmiddel, te weten zaaglijn 61, waarvan de bewegende delen gevaar

opleveren, waaronder verdrukking door de vacuümzuiger, niet (afdoende) te

voorzien van zodanige schermen en/of beveiligingsinrichtingen dat dit gevaar

zoveel mogelijk wordt voorkomen, en/of

konden de schermen en/of beveiligingsinrichtingen op eenvoudige wijze worden

genegeerd en/of buiten werking worden gesteld;

immers kon de in werking zijnde zaaglijn 61 worden betreden zonder dat de

beveiliging aansloeg en de zaaglijn liet stilvallen

- door het lichtscherm te overbruggen; en/of

- door onder de trapleuning van de brug door te kruipen; en/of

- via het nieuw aangebrachte gele schuifhek waarop geen beveiliging was

aangebracht; en/of

- 7.5, tweede en derde lid van het Arbeidsomstandighedenbesluit,

er niet voor heeft gezorgd dat bij het uitvoeren van reinigingswerkzaamheden

en/of productiewerkzaamheden, (te weten het handmatig opruimen en/of weghalen

van blokken en kleine stukjes kalkzandsteen die niet door de vacuümzuiger

werden opgepakt of die de vacuümzuiger liet vallen), het arbeidsmiddel,

zaaglijn 61, was uitgeschakeld en drukloos en/of spanningsloos is gemaakt en/of

- 3, eerste lid onder a en/of b van de Arbeidsomstandighedenwet,

er niet voor heeft gezorgd dat de arbeid zodanig was georganiseerd, dat

daarvan geen nadelige invloed uitging op de veiligheid en/of de gezondheid van

de werknemer(s) en/of

er niet voor heeft gezorgd dat de gevaren en/of risico's voor de veiligheid

en/of gezondheid van de werknemer(s) van verdachte zoveel mogelijk in eerste

aanleg bij de bron werd voorkomen en/of beperkt, aangezien zaaglijn 61

betreden kon worden (op de hierboven bij artikel 7.7, eerste en vierde lid

geschetste drie verschillende manieren) zonder dat de beveiliging aansloeg en

de machine werd uitgeschakeld;

- 5, eerste lid van de Arbeidsomstandighedenwet

bij het voeren van het arbeidsomstandighedenbeleid niet in een inventarisatie

en evaluatie schriftelijk vast te leggen welke risico's het werken met en/of

in zaaglijn 61 met betrekking tot de mogelijkheid de machine te betreden voor

de werknemers met zich meebracht; en/of

- 8, eerste lid van de Arbeidsomstandighedenwet

er niet voor heeft gezorgd dat de werknemer(s) doeltreffend werd(en) ingelicht

over de risico's die verbonden zijn aan de te verrichten werkzaamheden

(waaronder het betreden van de beveiligde omgeving van zaaglijn 61 en het

risico om daar geraakt en/of verdrukt te worden door bewegende delen)

en/of maatregelen die erop gericht waren deze risico's te beperken of te

voorkomen, in dit geval instructies waardoor voorafgaand aan het betreden van

zaaglijn 61, deze spanningsloos en/of drukloos gemaakt werd; en/of

- 8, vierde lid van de Arbeidsomstandighedenwet

niet (afdoende) toe te zien op de naleving van de instructies en voorschriften

gericht op het voorkomen en/of beperken van de in het artikel 8, eerste lid

genoemde risico's immers heeft zij, verdachte, in de avonddienst en/of de

nachtdienst en/ of in ieder geval na 17:00 uur onvoldoende of geen toezicht

gehouden op het veilig uitvoeren van reinigingswerkzaamheden en of

productiewerkzaamheden aan zaaglijn 61 namelijk dat zaaglijn 61 druk- of

spanningsloos moest zijn

terwijl daardoor, naar zij wist of redelijkerwijs moest weten,

levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid [slachtoffer] en/of

van een of meer andere werknemer(s) ontstond of te verwachten was.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft overeenkomstig zijn op schrift gestelde requisitoir gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft overeenkomstig de op schrift gestelde pleitnotities bepleit verdachte vrij te spreken, althans te ontslaan van alle rechtsvervolging.

Het oordeel van de rechtbank

De bewijsmiddelen. 1

Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan in de bewijsbijlage, gevoegd bij dit vonnis (pag. 13 tot en met 15). De inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

De toedracht.

Op 23 augustus 2018 vindt op de locatie [adres] te [plaats] , in het bedrijf van [verdachte] (hierna: [verdachte] ) een bedrijfsongeval plaats bij zaaglijn 61 van dit bedrijf. Zaaglijn 61 is een afgeschermde machineconfiguratie, waarbinnen blokken kalksteen computergestuurd op maat worden gezaagd en verder worden getransporteerd. De configuratie is voorzien van veiligheidsvoorzieningen om te voorkomen dat werknemers de zaaglijn betreden, terwijl de machines bestaande uit onder meer zaagmachines, transportbanden en een vacuümzuiger voor het optillen van de op maat gezaagde blokken, in werking zijn.

In de avond van genoemde datum is [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer), die werkzaam was bij genoemde zaaglijn, bekneld geraakt binnen de beveiligde omgeving van zaaglijn 61 tussen de vacuümzuiger en een transportband. Ten gevolge hiervan is het slachtoffer ter plaatse overleden. Uit onderzoek is gebleken dat hoewel het slachtoffer zich in de beveiligde ruimte bevond, de machines niet waren uitgezet en de automatische veiligheidsvoorzieningen niet in werking waren getreden.

Uit onderzoek is gebleken dat het slachtoffer de in werking zijnde zaaglijn heeft kunnen betreden zonder dat de beveiliging aansloeg en de zaaglijn is stilgevallen.

Het verwijt.

Het onderzoek van de Inspectie SZW heeft verschillende veiligheidsrisico’s binnen het bedrijf van verdachte in beeld gebracht en die zijn verwoord in de tenlastelegging. De tenlastelegging is daarmee breed van opzet en spitst zich niet uitsluitend toe op één veiligheidsrisico dat zich ten aanzien van één specifieke werknemer, [slachtoffer] , heeft verwezenlijkt.

Nadere overwegingen ten aanzien van het bewijs.

De rechtbank stelt voorop dat zij moet beoordelen of verdachte als werkgever al dan niet opzettelijk heeft nagelaten bepaalde maatregelen te nemen, die zij in het kader van het Arbeidsomstandighedenbesluit en/of de Arbeidsomstandighedenwet wel had moeten nemen, terwijl daardoor naar zij wist of redelijkerwijs moest weten levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van haar werknemers ontstond of te verwachten was.

Artikel 7.7, eerste en vierde lid van het Arbeidsomstandighedenbesluit (eerste gedachtestreepje).

Artikel 7.7., eerste en vierde lid van het Arbeidsomstandighedenbesluit legt de verplichting op aan de werkgever om indien een arbeidsmiddel gevaar oplevert, dit arbeidsmiddel van zodanige schermen of beveiligingsinrichtingen te voorzien, dat het gevaar zoveel mogelijk wordt voorkomen. Daarnaast mogen de schermen of beveiligingsinrichtingen niet op eenvoudige wijze kunnen worden genegeerd of buiten werking worden gesteld.

Uit de inhoud van de bewijsmiddelen en uit de behandeling ter terechtzitting blijkt dat het slachtoffer het beveiligde deel van zaaglijn 61 heeft betreden, terwijl de machines niet waren uitgeschakeld en druk- en spanningsloos waren gemaakt. Het slachtoffer deed dit tijdens de uitvoering van zijn werkzaamheden in zaaglijn 61. Dit wordt niet betwist door de verdediging.

De verdediging heeft vrijspraak bepleit en in de kern ten aanzien van de technische maatregelen aangevoerd:

  1. Zaaglijn 61 bood voldoende bescherming tegen bewegende delen. De zaaglijn is beveiligd met een gebiedsafscherming rondom de gehele zaaglijn. De toegangsdeuren zijn beveiligd met een functieblokkering, die ervoor zorgt dat bij het openen van de toegangsdeur de zaaglijn automatisch stilvalt;

  2. Storingen in de lijn kunnen veelal vanuit het beveiligde gebied worden opgelost;

  3. De opening in de zaaglijn bij de kettingbaan is beveiligd met een inloopbeveiliging met mutingsysteem en lichtscherm.

De rechtbank volgt de raadsvrouw niet in haar betoog tot vrijspraak. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de in werking zijnde zaaglijn kon worden betreden zonder dat de beveiliging aansloeg en de zaaglijn liet stilvallen. Namelijk:

  • -

    door het lichtscherm te overbruggen;

  • -

    door onder de trapleuning van de brug door te kruipen en

  • -

    door het nieuw aangebrachte gele schuifhek open te schuiven.

Er waren dus drie manieren om de beveiliging te omzeilen. Die manieren waren, zo blijkt uit de diverse verklaringen van de werknemers, eenvoudig en bovendien breed bekend bij de werknemers, ook bij de productieleider en veiligheidsmedewerkers, op de werkvloer. Ook was bekend dat er regelmatig storingen waren, in die zin dat kalkzandsteenblokken onbedoeld op de transportband bleven liggen, en dat werknemers daarom regelmatig de zaaglijn in gingen om die storingen op te heffen.

Verdachte heeft geweten dat die drie manieren om de beveiliging te omzeilen er waren. Naar het oordeel van de rechtbank valt haar wetenschap samen met de wetenschap bij de bedrijfsleider, voorman/veiligheidsambassadeur en arbo-coördinator, die met betrekking tot de veiligheid en het gedrag op de werkvloer immers het verlengstuk en “de oren en ogen” waren van (het bestuur van) verdachte.

Verdachte heeft desondanks nagelaten maatregelen te nemen tegen voornoemde drie manieren, waardoor het omzeilen van de beveiliging van zaaglijn 61 op eenvoudige wijze mogelijk was en bleef. Als gevolg daarvan is het risico dat de bewegende delen van de machine gevaar zouden opleveren niet voorkomen.

De boodschap van verdachte aan de werknemers dat op het overbruggen van het lichtscherm (de zgn. plank- of voetmethode) ontslag stond, is naar het oordeel van de rechtbank geen afdoende maatregel. Verdachte had, nu deze methode haar bekend was, ervoor moeten zorgen dat het omzeilen van de beveiliging van de zaaglijn op deze wijze feitelijk onmogelijk werd.

Door verdachte is tijdens de behandeling van de strafzaak nog aangevoerd dat zij niet op de hoogte was van de plaatsing van het gele schuifhek. Het kan naar het oordeel van de rechtbank echter niet anders dan dat het nieuw aangebrachte gele schuifhek direct of indirect in opdracht van verdachte is aangebracht. De rechtbank acht het onaannemelijk dat anderen dan verdachte, en ook nog geheel buiten verdachte om, een opdracht tot het plaatsen van een schuifhek verstrekken aan een extern bedrijf.

Het nalaten maatregelen te nemen tegen de drie manieren waarop de beveiliging bij zaaglijn 61 omzeild kon worden, levert gevaar op voor de werknemers werkzaam bij deze zaaglijn. Dit gevaar heeft zich ten aanzien van één van de werknemers daadwerkelijk verwezenlijkt.

Artikel 3, eerste lid onder a en/of b van de Arbeidsomstandighedenwet (derde gedachtestreepje).

Artikel 3 eerste lid onder a en b van de Arbeidsomstandighedenwet legt (onder meer) de verplichting op aan de werkgever te zorgen voor de veiligheid en gezondheid van de werknemers inzake alle met de arbeid verbonden aspecten. De werkgever organiseert de arbeid zodanig dat daarvan geen nadelige invloed uitgaat op de veiligheid en de gezondheid van de werknemer en de gevaren en risico’s voor de veiligheid of de gezondheid van de werknemer worden zoveel mogelijk in eerste aanleg bij de bron daarvan voorkomen of beperkt. Voor zover dit niet bij de bron mogelijk is, worden daartoe andere doeltreffende maatregelen getroffen.

Uit de inhoud van de bewijsmiddelen en uit de behandeling ter terechtzitting is de rechtbank gebleken, mede gelet op hetgeen hiervoor met betrekking tot ‘gedachtestreepje 1’ is overwogen, dat verdachte er niet voor heeft gezorgd dat de arbeid zodanig was georganiseerd dat daarvan geen nadelige invloed uitging op de veiligheid en de gezondheid van de werknemers en dat de risico’s zoveel mogelijk werden voorkomen.

Artikel 5, eerste lid van de Arbeidsomstandighedenwet (vierde gedachtestreepje).

Artikel 5, eerste lid van de Arbeidsomstandighedenwet legt de verplichting op aan de werkgever bij het voeren van het arbeidsomstandighedenbeleid in een inventarisatie en evaluatie schriftelijk vast te leggen welke risico’s de arbeid voor de werknemers met zich brengt. De risico-inventarisatie en -evalutie (hierna: RIE) moet tevens een beschrijving van de gevaren en de risico’s voor bijzondere categorieën van werknemers bevatten.

Uit de inhoud van de bewijsmiddelen en uit de behandeling ter terechtzitting blijkt dat in de RIE van 12 december 2017 en het daarbij behorende plan van aanpak wel in zijn algemeenheid het risico werd benoemd van de toegankelijkheid van zaaglijn 61 en het gevaar van bewegende delen, maar dat in deze RIE niet stond vermeld dat werknemers zaaglijn 61 in moesten voor productiedoeleinden en welke gevaren dat met zich bracht. De verdiepende RIE met betrekking tot zaaglijn 61 had op de ten laste gelegde datum nog niet plaatsgevonden.

Daarmee heeft verdachte zich niet gehouden aan het bepaalde in artikel 5 eerste lid van de Arbeidsomstandighedenwet.

Artikel 8, vierde lid van de Arbeidsomstandighedenwet (zesde gedachtestreepje).

Artikel 8, vierde lid van de Arbeidsomstandighedenwet legt de verplichting op aan de werkgever toe te zien op de naleving van de instructies en voorschriften gericht op het voorkomen of beperken van risico’s.

Uit de bewijsmiddelen en de behandeling ter terechtzitting is gebleken dat er na 17:00 uur en tijdens de nachtelijke uren geen toezicht was op de uitvoering van de werkzaamheden bij zaaglijn 61. Er was alleen toezicht van collega’s onderling, maar er was geen toezichthouder of cameratoezicht aanwezig. Bovendien leidt de rechtbank uit de bewijsmiddelen af dat het slachtoffer op het moment van het ongeval als enige bij zaaglijn 61 aan het werk was.

De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte in strijd met artikel 8, vierde lid van de Arbeidsomstandighedenwet heeft gehandeld door niet toe te zien op de naleving van de instructies en voorschriften bij zaaglijn 61 na 17:00 uur, gericht op het voorkomen of beperken van risico’s bij de werkzaamheden aan deze zaaglijn.

Partiële vrijspraak

Artikel 7.5, tweede en derde lid van het Arbeidsomstandighedenbesluit (tweede gedachtestreepje).

In artikel 7.5, tweede en derde lid van het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt gesteld dat, indien onderhouds-, reparatie-, en reinigingswerkzaamheden en/of productiewerkzaamheden aan een arbeidsmiddel worden uitgevoerd, het arbeidsmiddel is uitgeschakeld en drukloos of spanningsloos is gemaakt.

De rechtbank vat dit gedeelte van de tenlastelegging op als toegespitst op de concrete en feitelijke gedragingen van de individuele werknemer ( [slachtoffer] ) op 23 augustus 2018, kort voor het ongeval. Niet kan worden gezegd dat verdachte die concrete en feitelijke gedragingen - namelijk het niet uitschakelen en drukloos en/of spanningsloos maken van zaaglijn 61 op dat moment - heeft nagelaten.

De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van de onder gedachtestreepje 2 genoemde overtreding van artikel 7.5, tweede en derde lid van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

Artikel 8, eerste lid van de Arbeidsomstandighedenwet (vijfde gedachtestreepje)

Artikel 8, eerste lid van de Arbeidsomstandighedenwet legt de werkgever de verplichting op de werknemers doeltreffend in te lichten over de risico’s die zijn verbonden aan de te verrichten werkzaamheden.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte haar werknemers onvoldoende heeft ingelicht over de risico’s verbonden aan de werkzaamheden bij zaaglijn 61. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van dit deel van de tenlastelegging.

Opzet

Blijkens het voorgaande heeft verdachte op een aantal punten niet voldaan aan haar zorgplicht die volgt uit de in de tenlastelegging genoemde regelgeving. De vraag is of zij dit met opzet heeft gedaan. Met andere woorden, heeft verdachte haar gedragingen – in dit geval het nalaten bepaalde maatregelen te treffen die van belang waren voor de te verrichten arbeid bij zaaglijn 61 – opzettelijk verricht?

De rechtbank stelt voorop dat het opzet niet gericht hoeft te zijn op het niet naleven van een wettelijke verplichting; verdachte wordt bekend geacht met de op haar rustende verplichting tot het naleven van de op haar rustende zorgplichten uit hoofde van de Arbeidsomstandighedenwet en het Arbeidsomstandighedenbesluit.

Zoals de rechtbank heeft overwogen wist verdachte dat er drie manieren waren om de beveiliging van zaaglijn 61 te omzeilen en daarmee in de zaaglijn te komen. Zij wist ook dat de specifieke risico’s van zaaglijn 61 nog niet waren opgenomen in de RIE (dat stond in de planning) en dat er na 17:00 uur geen toezicht meer was bij zaaglijn 61. Het treffen van maatregelen ten aanzien van deze punten was mogelijk en noodzakelijk, maar verdachte had dat op 23 augustus 2018 nog niet gedaan.

De te treffen maatregelen hadden rechtstreeks betrekking op de veiligheid van de werkzaamheden aan de technisch complexe machine met bewegende delen, waaronder zaagbladen, transportbanden en een vacuümzuiger. Het risico op levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid bij een lek in de beveiliging van een dergelijke machine is evident, bijvoorbeeld door het bekneld raken in een dergelijke machine.

Gelet op het voorgaande ligt in het nalaten van verdachte de maatregelen te treffen en zodoende haar zorgplichten na te leven, het opzet besloten en moest verdachte redelijkerwijs weten dat als gevolg van dat nalaten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van haar werknemers, waaronder [slachtoffer] , ontstond of te verwachten was.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

op 23 augustus 2018 te [plaats] , gemeente Deurne, op de locatie [adres] te [plaats] , als werkgever, opzettelijk, bij het laten verrichten van arbeid bestaande uit het uitvoeren van werkzaamheden bij zaaglijn 61, zijnde een gekoppelde zaagmachine voor

kalkzandsteen, handelingen heeft nagelaten in strijd met de Arbeidsomstandighedenwet en het Arbeidsomstandighedenbesluit, door in strijd met artikel:

- 7.7, eerste en vierde lid van het Arbeidsomstandighedenbesluit

het arbeidsmiddel, te weten zaaglijn 61, waarvan de bewegende delen gevaar

opleveren, waaronder verdrukking door de vacuümzuiger, niet afdoende te

voorzien van zodanige schermen en/of beveiligingsinrichtingen dat dit gevaar

zoveel mogelijk wordt voorkomen, en

konden de schermen en/of beveiligingsinrichtingen op eenvoudige wijze worden

genegeerd en/of buiten werking worden gesteld;

immers kon de in werking zijnde zaaglijn 61 worden betreden zonder dat de

beveiliging aansloeg en de zaaglijn liet stilvallen

- door het lichtscherm te overbruggen en

- door onder de trapleuning van de brug door te kruipen en

- via het nieuw aangebrachte gele schuifhek waarop geen beveiliging was

aangebracht en

- 3, eerste lid onder a en/of b van de Arbeidsomstandighedenwet,

er niet voor heeft gezorgd dat de arbeid zodanig was georganiseerd, dat

daarvan geen nadelige invloed uitging op de veiligheid en/of de gezondheid van

de werknemers en er niet voor heeft gezorgd dat de gevaren en risico's voor de veiligheid

en gezondheid van de werknemers van verdachte zoveel mogelijk in eerste

aanleg bij de bron werd voorkomen en beperkt, aangezien zaaglijn 61

betreden kon worden (op de hierboven bij artikel 7.7, eerste en vierde lid

geschetste drie verschillende manieren) zonder dat de beveiliging aansloeg en

de machine werd uitgeschakeld en

- 5, eerste lid van de Arbeidsomstandighedenwet

bij het voeren van het arbeidsomstandighedenbeleid niet in een inventarisatie

en evaluatie schriftelijk vast te leggen welke risico's het werken

in zaaglijn 61 met betrekking tot de mogelijkheid de machine te betreden voor

de werknemers met zich meebracht en

- 8, vierde lid van de Arbeidsomstandighedenwet

niet (afdoende) toe te zien op de naleving van de instructies en voorschriften

gericht op het voorkomen en/of beperken van de in het artikel 8, eerste lid

genoemde risico's immers heeft zij, verdachte, in de avonddienst en/of de

nachtdienst en in ieder geval na 17:00 uur onvoldoende of geen toezicht gehouden op het veilig uitvoeren van reinigingswerkzaamheden en of productiewerkzaamheden aan zaaglijn 61 namelijk dat zaaglijn 61 druk- of spanningsloos moest zijn

terwijl daardoor, naar zij redelijkerwijs moest weten,

levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van [slachtoffer] en

andere werknemers ontstond of te verwachten was.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft een geldboete gevorderd ter hoogte van € 150.000,--.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw heeft verzocht bij de afdoening van de zaak rekening te houden met de door haar in haar pleitnotities geschetste feiten en omstandigheden. Verdachte gaat de verantwoordelijkheid voor het ongeval en een zorgvuldige en adequate opvolging daarvan niet uit de weg. Zij zal zich met haar inzichten en alle mogelijke middelen inzetten om herhaling te voorkomen. Verdachte zal binnen haar mogelijkheden alles doen om het leed en verdriet van de nabestaanden van de heer [slachtoffer] te verzachten en te verlichten.

Het oordeel van de rechtbank.

Algemeen

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de aard van het door verdachte uitgeoefende bedrijf en de financiële omstandigheden van verdachte.

Bij de strafoplegging heeft de rechtbank in het bijzondere de volgende omstandigheden meegewogen.

Verdachte was als werkgever verantwoordelijk voor de veiligheid van haar werknemers. Uit het onderzoek is gebleken dat verdachte opzettelijk heeft verzuimd ervoor zorg te dragen dat de arbeidsomstandigheden bij zaaglijn 61 aan de veiligheidsnormen voldeden en aldus dat haar werknemers in een veilige omgeving en op een veilige manier hun werk konden verrichten. De beveiliging van de zaaglijn was op verschillende manieren te omzeilen, hetgeen ook bekend was bij de leidinggevende(n), de RIE met betrekking tot de zaaglijn was niet volledig en er was ’s avonds en ’s nachts geen toezicht bij de zaaglijn. Hiermee is verdachte ernstig tekort geschoten in haar zorgplicht jegens haar werknemers in het algemeen en het slachtoffer in het bijzonder.

De rechtbank heeft er ook oog voor dat het slachtoffer zelf bij zijn werkzaamheden niet de veiligheidsvoorschriften van het bedrijf in acht heeft genomen door de zaaglijn te betreden zonder dat de vacuümgrijper was uitgeschakeld.

Verdachte heeft er blijk van gegeven dat zij de ernst van de gevolgen van het bewezenverklaarde feit inziet. Nadat het arbeidsongeval heeft plaatsgevonden, heeft verdachte het veiligheidsbeleid aangescherpt en de omstandigheden op de werkvloer verbeterd. Voorts toont verdachte zich betrokken bij de nabestaanden van het slachtoffer.

De impact die het dodelijke ongeval heeft gehad op collega’s en het verdriet van de nabestaanden, zijn treffend verwoord door de officier van justitie.

De strafmodaliteit

De rechtbank is van oordeel dat een hoge geldboete passend en geboden is.

Van deze geldboete moet een preventieve werking uit gaan, in de eerste plaats om te voorkomen dat verdachte opnieuw de fout in gaat. Daarnaast heeft deze straf tot doel andere werkgevers te doordringen van de noodzaak van veiligheid op de werkvloer.

De rechtbank acht een geldboete van € 100.000,-- passend en geboden.

De rechtbank zal een lagere geldboete opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde geldboete, nu de rechtbank verdachte van een tweetal onderdelen van de tenlastelegging zal vrijspreken en de rechtbank voorts van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezenverklaarde voldoende tot uitdrukking brengt. Bovendien is de op te leggen straf in lijn met straffen die in vergelijkbare zaken zijn opgelegd.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

23 en 51 van het Wetboek van Strafrecht;

1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten;

5, 3, 8 en 32 van de Arbeidsomstandighedenwet en

7.7

van het Arbeidsomstandighedenbesluit,

zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij.

het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

overtreding van een voorschrift gesteld bij of krachtens artikel 32 van de

Arbeidsomstandighedenwet, opzettelijk begaan door een rechtspersoon

verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

legt op de volgende straf:

 een geldboete van € 100.000,-- (honderdduizend euro).

Dit vonnis is gewezen door:

mr. R. van den Munckhof, voorzitter,

mr. H. Slaar en mr. H.E.G. Peters, leden,

in tegenwoordigheid van L. Scholl, griffier,

en is uitgesproken op 20 oktober 2020.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgenomen in het einddossier van de inspectie SZW, Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, onderzoek ’Palm’, me proces-verbaalnummer 1812469 aantal pagina’s: 1 tot en met 324. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen opgenomen in genoemd einddossier.

De gegevens worden opgehaald

Hulp bij zoeken

Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over:

Selectiecriteria

De Rechtspraak, Hoge Raad der Nederlanden en Raad van State publiceren uitspraken op basis van selectiecriteria:

  • Uitspraken zaken meervoudige kamers
  • Uitspraken Hoge Raad en appelcolleges
  • Uitspraken met media-aandacht
  • Uitspraken in strafzaken
  • Europees recht
  • Richtinggevende uitspraken
  • Wraking

Weekoverzicht

Selecteer een week en bekijk welke uitspraken er in die week aan het uitsprakenregister zijn toegevoegd.