beschikking
Civiel Recht
Zittingslocatie 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: 8353685 \ EJ VERZ 20-91
beschikking van 6 juli 2020
[verzoeker sub 1]
[verzoeker sub 2]
wonende te [plaats]
gemachtigde mr. G.P. Geelkerken
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [verweerder sub 1]
gevestigd te [plaats]
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [verweerder sub 2]
gevestigd te [plaats]
gemachtigde mr. C.J. Driessen
Partijen worden hierna werknemers, [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] genoemd. Waar de werknemers afzonderlijk worden bedoeld, zullen zij worden vermeld met hun achternaam. Waar [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] tezamen worden bedoeld zal gesproken worden over [verweerders]
2 De feiten
2.1.
Werknemers hebben de Poolse nationaliteit en zij hebben een affectieve relatie met elkaar. Zij zijn beiden op 1 juli 2012 in dienst getreden bij [verweerder sub 2] en hebben tot in elk geval eind december 2018 in dienst van [verweerder sub 2] gewerkt, laatstelijk op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Ook maakten zij gebruik van door [verweerders] geboden huisvesting.
2.2.
[verzoeker sub 1] is vanaf 2013 door [verweerder sub 2] uitgezonden om op inleenbasis te werken bij verschillende bouw- en/of productiebedrijven. Vanaf september 2016 is [verzoeker sub 1] via [verweerder sub 2] te werk gesteld bij het sloopbedrijf [C] uit [plaats] (hierna: [C] ).
2.3.
Op 17 januari 2019 is [verzoeker sub 1] een ongeval overkomen, tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden voor [C] bij [D] . [verzoeker sub 1] heeft [verweerders] aansprakelijk gesteld voor de opgelopen letselschade. Deze letselschadekwestie is in behandeling bij de verzekeraar van [verweerders] en maakt geen deel uit van het nu voorliggend geschil.
2.4.
Eind december 2019 hebben de werknemers enige vakantiedagen opgenomen, waarvoor zij schriftelijk toestemming hebben gevraagd. Bij terugkomst van hun vakantie, begin januari 2020, is hen verteld dat hun dienstverband op 31 december 2019 is geëindigd.
3 Het verzoek en het verweer
3.1.
Werknemers verzoeken primair om [verweerders] te veroordelen tot
a. betaling van de transitievergoeding;
b. betaling van een billijke vergoeding van respectievelijk € 80,000,00 (aan [verzoeker sub 1] ) en
€ 25.000,00 (aan [verzoeker sub 2] );
c. betaling van 2 maandsalarissen wegens onregelmatige opzegging, vermeerderd met de volledige wettelijke verhoging;
d. verstrekking van schriftelijke en deugdelijke netto/bruto specificaties, waarin de bedragen en betalingen van bovengenoemde betalingen zijn verwerkt, op straffe van een dwangsom
e. betaling van de wettelijke rente over de gevorderde bedragen;
f. afgifte van de loonstroken over de periode 1 juli 2012 tot en met eind 2018, op straffe van een dwangsom.
3.2.
Subsidiair verzoeken werknemers om [verweerders] te veroordelen tot
a. betaling van een maandloon ter zake het niet in acht nemen van de aanzegtermijn;
b. betaling van de transitievergoeding;
c. betaling van de onder rechtsoverweging 3.1. genoemde billijke vergoedingen;
d. afgifte van de onder rechtsoverweging 3.1. genoemde loonstroken op straffe van een dwangsom.
3.3.
Meer subsidiair verzoeker werknemers om [verweerders]
a. te veroordelen tot doorbetaling van het loon vanaf 1 januari 2020 totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd, vermeerderd met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente;
b. te gebieden om [verzoeker sub 2] tot het werk toe te laten op straffe van een dwangsom;
c. te gebieden om de re-integratie van [verzoeker sub 1] op te pakken, door onder meer een consult in te plannen met de bedrijfsarts binnen 14 dagen na beschikkingsdatum, op straffe van een dwangsom;
d. te gebieden werknemers huisvesting ter beschikking te stellen tegen een bedrag van
€ 70,00 per week onder de voorwaarde dat het om met de eerder ter beschikking gestelde huisvesting vergelijkbare huisvesting gaat, op straffe van een dwangsom.
Werknemers verzoeken dit alles onder veroordeling van [verweerders] in de kosten van de procedure en tot betaling van een bedrag van € 5.590,20 wegens juridische kosten.
3.4.
Werknemers hebben aan hun verzoeken (kort samengevat en voor zover nog relevant) het volgende ten grondslag gelegd.
3.4.1.
Het is werknemers niet duidelijk wie hun werkgever is, [verweerder sub 1] of [verweerder sub 2] . Deze onduidelijkheid moet voor risico van [verweerders] komen. Omdat het feitelijk om dezelfde werkgever gaat en enkel de juridische entiteit verschillend is, moet zowel [verweerder sub 1] als [verweerder sub 2] als werkgever worden aangemerkt.
3.4.2.
Werknemers zijn nimmer van werkgever gewisseld en zij hebben geen nieuwe arbeidsovereenkomst(en) getekend. Zelfs al zou er begin 2019 een wisseling van werkgever zijn geweest, dan nog is er een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd blijven bestaan omdat [verweerders] feitelijk niet van elkaar te onderscheiden zijn, althans is er sprake van opvolgend werkgeverschap.
3.4.3.
[verweerders] heeft de arbeidsovereenkomst met werknemers nooit rechtsgeldig opgezegd. Werknemers zijn na terugkomst van vakantie begin januari 2020 zonder pardon straat gezet door [verweerders] De beëindiging van de arbeidsovereenkomsten is dus in strijd met artikel 7:671 BW jo artikel 7:669 BW en daarom hebben werknemers aanspraak op een transitievergoeding en een billijke vergoeding. Ook zullen [verweerders] een vergoeding moeten betalen wegens onregelmatige opzegging van de arbeidsovereenkomsten.
3.4.4.
Werknemers hebben alleen over 2019 loonstroken ontvangen en willen de loonstroken vanaf datum indiensttreding ontvangen. Zij hebben een loonvordering omdat hen (onder andere) nooit overwerktoeslag is uitbetaald. Ook zijn zij niet doorbetaald tijdens hun vakantiedagen. Werknemers willen de hoogte van hun loonvordering kunnen bepalen en daarom hebben zij de loonspecificaties nodig. [verweerders] zijn verplicht die te verstrekken.
3.4.5.
Werknemers vinden dat er in dit geval reden is om een volledige vergoeding toe te kennen voor gemaakte kosten van juridische bijstand omdat [verweerders] de arbeidsovereenkomsten met werknemers begin 2020 heeft willen beëindigen zonder dat daar een rechtsgrond voor bestond en tegen beter weten in dit standpunt hebben vastgehouden. Hierdoor zijn werknemers op hoge kosten gejaagd.
3.4.6.
Werknemers zijn van mening dat [verweerders] door hun manier van handelen begin januari 2020 de arbeidsovereenkomsten van werknemers hebben opgezegd en de dienstverbanden ondubbelzinnig hebben beëindigd. Voor zover zij niet in deze mening mochten worden gevolgd, dan verzoeken werknemers om ontbinding van de arbeidsovereenkomsten op grond van artikel 7:671c BW. [verweerders] hebben ernstig verwijtbaar gehandeld. Mocht geoordeeld worden dat aan werknemers geen vergoedingen toekomen, dan willen werknemers de gelegenheid krijgen om hun ontbindingsverzoek en het verzoek dat ziet op toekenning van vergoedingen in te trekken.
3.4.7.
Als werknemers mochten besluiten om hun hiervoor genoemde verzoeken in te trekken, dan hebben zij recht op loondoorbetaling, wedertewerkstelling en op huisvesting, vergelijkbaar met de huisvesting die zij hadden ten tijde van hun dienstverband bij [verweerders]
3.5.
[verweerders] hebben het volgende als verweer naar voren gebracht.
3.5.1.
Werknemers hebben hun arbeidsovereenkomsten met [verweerder sub 2] per 31 december 2018 beëindigd omdat zij terug gingen naar Polen. Kennelijk hebben werknemers hun plannen naderhand gewijzigd. Op 4 januari 2019 waren ze weer in Nederland en hebben ze [B] gevraagd of er nog werk voor hen was. Uit goedheid heeft [B] hierin bewilligd. Aangezien er bij [verweerder sub 2] geen vacatures waren, is werknemers een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd met een looptijd van 1 jaar met [verweerder sub 1] aangeboden. De aangeboden overeenkomsten hebben zij getekend. Binnen [verweerder sub 1] waren wel werkzaamheden te verrichten. Op basis van die arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd zijn werknemers in 2019 werkzaam geweest bij [verweerder sub 1] .
3.5.2.
Aan werknemers zijn altijd correcte loonstroken en jaaropgaven verstrekt. Ook is het loon altijd correct uitbetaald.
4 De beoordeling
Aard arbeidsrelatie tussen partijen
4.1.
De kantonrechter stelt voorop dat tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat werknemers per 1 juli 2012 in dienst zijn getreden bij [verweerder sub 2] en dat dit dienstverband in elk geval tot 31 december 2018 heeft doorgelopen. Ook is niet langer in geschil dat er in de loop van hun dienstverband bij [verweerder sub 2] arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd zijn ontstaan. Over de situatie vanaf 1 januari 2019 hebben partijen haaks op elkaar staande verklaringen afgelegd.
Zijn de arbeidsovereenkomsten van werknemers geëindigd?
4.2.
De eerste vraag die beantwoord moet worden, is of er op 31 december 2019 een einde is gekomen aan de arbeidsovereenkomsten van werknemers. De kantonrechter is van oordeel dat dit niet het geval is en baseert deze conclusie op de volgende overwegingen.
4.2.1.
[verweerders] hebben gesteld dat werknemers hun arbeidsovereenkomst hebben opgezegd per 31 december 2018 en zij hebben deze stelling onderbouwd met verklaringen van werknemers van 31 oktober 2018 (productie 1 bij verweerschrift). Volgens [verweerders] wilden werknemers teruggaan naar Polen, zijn ze later op dat plan teruggekomen en hebben ze met ingang van 1 januari 2019 een arbeidsovereenkomst voor de duur van 1 jaar met [verweerder sub 1] gesloten. Deze overeenkomst is volgens [verweerders] door tijdsverloop geëindigd op 31 december 2019.
4.2.2.
Werknemers hebben ten stelligste betwist dat zij hun arbeidsovereenkomst hebben opgezegd. Ze hebben ter zitting ontkend dat zij de door [verweerders] in het geding gebrachte verklaringen hebben ondertekend. [verzoeker sub 1] heeft in dat verband gewezen op het feit dat zijn naam geschreven wordt met ‘ie’, terwijl de handtekening op de ingebrachte verklaring zijn naam vermeldt met ‘ei’. Opvallend is dat de handtekening op de ingebrachte verklaring de enige handtekening van [verzoeker sub 1] is met een schrijffout, terwijl er in het dossier meer documenten te vinden zijn met een handtekening van [verzoeker sub 1] , waaronder een kopie ID. Wat er ook zij van de vraag of werknemers hun arbeidsovereenkomst hebben opgezegd via de hierboven genoemde verklaring of niet, feit is dat zij begin januari 2019 in Nederland zijn teruggekeerd en vrijwel aansluitend hetzij hun werkzaamheden bij [verweerder sub 2] hebben voortgezet (wat zij zelf stellen) hetzij voor [verweerder sub 1] werkzaamheden zijn gaan verrichten op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (wat [verweerders] stellen).
4.2.3.
Als zou worden aangenomen dat werknemers hun arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met [verweerder sub 2] hebben opgezegd per 31 december 2018 en als ook zou worden aangenomen dat zij ingaande 1 januari 2019 een arbeidsovereenkomst voor de bepaalde tijd van 1 jaar met [verweerder sub 1] zouden hebben gesloten, dan vloeit uit artikel 7:667 lid 4, gelezen in samenhang met lid 5 BW voort dat voor een beëindiging van laatstgenoemde overeenkomst opzegging nodig is. Een dergelijke opzeggingsverplichting geldt volgens dat vijfde lid van artikel 7:667 BW namelijk ook als eenzelfde werknemer achtereenvolgens in dienst is geweest bij verschillende werkgevers, die redelijkerwijze geacht moeten worden ten aanzien van de verrichte arbeid elkaars opvolger te zijn geweest. Dat dit laatste niet het geval is geweest, is door [verweerder sub 1] wel gesteld tijdens de mondelinge behandeling maar niet aannemelijk gemaakt. De kantonrechter vindt dat er voldoende omstandigheden in het dossier aanwezig zijn om wel uit te gaan van opvolgend werkgeverschap. In de eerste plaats staat vast dat [verzoeker sub 1] tijdens uitvoering van sloopwerkzaamheden voor [C] op 17 januari 2019 een ongeval heeft gehad. Dat [verzoeker sub 1] door [C] is ingehuurd om die werkzaamheden te verrichten, is niet in geschil. Als [verweerders] in hun stellingen zouden worden gevolgd dan betekent het voorgaande dat [verzoeker sub 1] tot zijn uitval op 17 januari 2019 is uitgezonden door [verweerder sub 1] , terwijl hij eerder voor precies hetzelfde werk aan hetzelfde sloopbedrijf werd uitgezonden door [verweerder sub 2] . Ook ten aanzien van de werkzaamheden van [verzoeker sub 2] hebben [verweerders] helemaal niet aannemelijk kunnen maken dat zij voor 2019 geheel andere werkzaamheden verrichtte dan in 2019. [verzoeker sub 2] heeft dit met stelligheid betwist en overtuigend nader toegelicht. Volgens [verweerders] werken [verweerder sub 2] enerzijds en [verweerder sub 1] anderzijds in verschillende delen van een bedrijfsloods en is er verschil in routering. De loods heeft twee ingangen en er is sprake van een schone en een vuile route met elk andere werkzaamheden. Bij [verweerder sub 2] vindt inpakwerk plaats en bij [verweerder sub 1] worden onder meer teeltproducten verwerkt. [verzoeker sub 2] heeft tijdens de mondelinge behandeling onweersproken verklaard dat zij vanaf medio 2012 tot eind 2019 vooral op de weegafdeling heeft gewerkt waar ze belast was met verpakken, wegen en etiketteren van groente. Als op de weegafdeling geen werk was, moest zij naar de landbouwhal om prei te snijden. Uit deze verklaring volgt dat de inzet van [verzoeker sub 2] plaatsvond waar er werk was. Uit de overgelegde uittreksels uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel blijkt ook dat er een aanmerkelijke samenloop van bedrijfsactiviteiten is. In het licht van al deze omstandigheden bezien, is het enkele feit dat verpakkingswerk in een andere rechtspersoon is ondergebracht dan verwerking van [verweerder sub 2] en dat er verschillende ingangen toegang geven tot de bedrijfshal waarvan [verweerder sub 2] en [verweerder sub 1] gebruik maken niet van doorslaggevend belang voor de vraag of er al dan niet sprake is van opvolgend werkgeverschap. Dit geldt ook als zou moeten worden aangenomen dat er een onderscheid is tussen een schone en een vuile route met elk andere werkzaamheden, zoals de gemachtigde van [verweerders] ter zitting heeft aangevoerd. De kantonrechter merkt in dit verband nog op dat de toelichting, die op dit punt ter zitting is gegeven namens [verweerders] , zodanig algemeen en vaag van aard was en in het geheel niet was voorzien van enige onderbouwing, dat daaraan nauwelijks gewicht kan worden toegekend. Het had op de weg van [verweerders] gelegen om in een zaak als deze, waar opvolgend werkgeverschap een onderdeel van debat is, het standpunt dat daarvan geen sprake is op een inzichtelijke en concrete wijze voor het voetlicht te brengen en dit standpunt van een verifieerbare onderbouwing te voorzien.
4.2.4.
Werknemers baseren hun primaire vorderingen op hun stelling dat [verweerders] hun arbeidsovereenkomsten in strijd met artikel 7:671 en 7:672 BW hebben opgezegd, dat wil zeggen zonder hun instemming, zonder toestemming van het UWV en zonder de juiste opzegtermijn in acht te nemen. De werknemers hebben naar hun zeggen uit de feitelijke gang van zaken afgeleid dat [verweerders] ondubbelzinnig een einde heeft willen maken aan hun dienstverbanden. De kantonrechter is van oordeel dat er van opzegging van de arbeidsovereenkomst niet is gebleken. Zij tekent hierbij aan dat opzegging een eenzijdige rechtshandeling is. Een rechtshandeling vereist een op rechtsgevolg gerichte wil die zich door een verklaring heeft geopenbaard (vgl. 3:35 BW). Een arbeidsovereenkomst kan niet met terugwerkende kracht worden opgezegd. Ingevolge artikel 7:668 lid 5 BW wordt een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd na het verstrijken van die bepaalde tijd voortgezet voor ten hoogste 1 jaar, in de gevallen waarin opzegging nodig is, tijdige opzegging achterwege blijft en de gevolgen van de voortzetting van de arbeidsovereenkomst niet uitdrukkelijk zijn geregeld.
Vast staat dat [verweerders] werknemers pas in januari 2020, na hun terugkomst uit Polen, hebben laten weten dat hun arbeidsovereenkomsten per 31 december 2019 zouden zijn geëindigd. [verweerders] hebben zich daarbij tegenover werknemers op het standpunt gesteld dat de arbeidsovereenkomsten van rechtswege waren geëindigd (na ommekomst van de overeengekomen bepaalde tijd). In dit standpunt hebben zij ook ter zitting volhard. Werknemers hebben naar het oordeel van de kantonrechter geen feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat [verweerders] een op beëindiging van de arbeidsovereenkomsten per 31 december 2019 gerichte wil hadden, die door een verklaring in 2019 aan hen is geopenbaard.
Slotsom is dat ook als uitgegaan wordt van de voor werknemers meest ongunstige versie van de gang van zaken, dit uitmondt in de conclusie dat zij nog altijd een arbeidsovereenkomst hebben omdat geen tijdige opzegging van de arbeidsovereenkomsten heeft plaatsgevonden.
4.3.
Uit deze conclusie vloeit voort dat er geen grond is voor toewijzing van de verzoeken die betrekking hebben op transitievergoeding, billijke vergoeding, vergoeding wegens onregelmatige opzegging voor zover deze zijn gegrond op een opzegging van de arbeidsovereenkomsten door [verweerders] vgl. 7:681 lid 1 onder a BW, 7:672 lid 10 BW en 7:673 lid 1 onder a sub 1 BW) in strijd met wettelijke bepalingen). Ook voor toewijzing van het verzoek om toekenning van een maandloon ter zake het niet in acht nemen van de aanzegvergoeding is geen grond. De verplichting tot ‘aanzeggen’ als bedoeld in art. 7:668 lid 1 BW geldt namelijk niet als de tijdelijke arbeidsovereenkomst door opzegging dient te eindigen (Kamerstukken II 2013/14, 33818, 3, p. 94).
Verzoek werknemers tot ontbinding van de arbeidsovereenkomsten
4.4.
Indien de kantonrechter zou oordelen dat werknemers nog altijd een arbeidsovereenkomst hebben, wat het geval is, dan willen werknemers dat de kantonrechter deze overeenkomsten ontbindt. Uit artikel 7:671c BW vloeit voort dat de kantonrechter een arbeidsovereenkomst op verzoek van een werknemer kan ontbinden wegens omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen. Werknemers hebben aangevoerd dat die omstandigheden in het hier voorliggende geval zijn gelegen in de wijze waarop [verweerders] werknemers hebben bejegend. Dit heeft de arbeidsverhoudingen ernstig verstoord. De verhoudingen waren goed tot het moment dat werknemers [B] op hun rechten wezen en opheldering wensten op een aantal punten. Zij waren er via hun tolk, mevrouw [A] , achter gekomen dat hun loon niet correct werd betaald. Zo werd er niet doorbetaald tijdens vakantie. Ook werden er geen toeslagen betaald en geen loonstroken verstrekt, aldus werknemers. Verder zijn werknemers bij het uurloon vraagtekens gaan plaatsen. Er bestaat bij hen het vermoeden dat er minder dan het cao-loon is betaald. Hoewel er voldoende werk was, werd werknemers bij terugkeer van vakantie op 4 januari 2020 bovendien out of the blue meegedeeld dat hun dienstverband van rechtswege was geëindigd. Ook de huisvesting die zij huurden via [verweerder sub 1] moest op heel korte termijn ontruimd worden. Aan werknemers werden ter onderbouwing van dit alles documenten getoond, die aantoonbaar vervalst waren. Ook nadat de gemachtigde van werknemers zich had verstaan met de gemachtigde van [verweerders] hebben [verweerders] volhard in hun stelling dat het dienstverband was geëindigd zonder dat er een opzegtermijn in acht hoefde te worden genomen en zonder dat werknemers recht hadden op enige vergoeding.
4.5.
[verweerders] delen de mening van werknemers dat de onderlinge relatie inmiddels ernstig is verstoord. [verweerders] voelen zich geschoffeerd omdat zij ervan zijn beticht dat zij documenten hebben vervalst en zouden onderbetalen. Zij hebben benadrukt dat zij zich altijd als een goed werkgever hebben gedragen en op een correcte wijze het loon hebben voldaan.
4.6.
De kantonrechter stelt vast dat het onderlinge vertrouwen tussen partijen inmiddels tot een dieptepunt is gedaald. Partijen beschuldigen elkaar van liegen en werknemers stellen dat zij geconfronteerd worden met vervalste documenten. De kantonrechter ziet in de wederzijds als ernstig verstoord ervaren arbeidsrelatie voldoende reden om de arbeidsovereenkomsten te ontbinden op grond van artikel 7:671c BW. Over de termijn waarop ontbinding zal moeten, zal de kantonrechter oordelen op het moment dat zij de hieronder weergegeven vraag naar de ernstige verwijtbaarheid kan beantwoorden.
Ernstige verwijtbaarheid?
4.7.
De vraag die vervolgens moet worden beantwoord is of de verstoring van de arbeidsrelatie [verweerders] (of één van hen) ernstig is te verwijten. Zou dat niet het geval zijn, dan hebben werknemers geen aanspraak op een transitievergoeding en op een (eventuele) billijke vergoeding. De kantonrechter vindt dat er sprake kàn zijn van ernstige verwijtbaarheid aan de zijde van [verweerders] als uit de inmiddels overgelegde salarisstroken zou blijken dat [verweerders] de werknemers daadwerkelijk structureel onder het geldende cao-loon heeft betaald, overwerktoeslagen niet heeft betaald en/of vakanties niet heeft doorbetaald. Als dat zou komen vast te staan, dan kan [verweerders] niet meer rekenen op het voordeel van de twijfel op de overige punten die hem worden verweten. In dat geval rekent de kantonrechter [verweerders] ook aspecten als de gestelde onwetendheid op arbeidsrechtelijk gebied en het creëren van onduidelijkheid over het werkgeverschap aan als bijdragend aan de ernstige verwijtbaarheid.
4.8.
Omdat een belangrijk deel van de loonspecificaties pas na de mondelinge behandeling in het geding zijn gebracht en werknemers zich daarover nog niet hebben kunnen uitlaten, zal de kantonrechter werknemers een periode van 4 weken geven om dit alsnog te doen. De kantonrechter tekent hierbij aan dat zij van werknemers verwacht dat zij hun stellingen omtrent onjuiste loonbetalingen aan de hand van de loonspecificaties nader toelichten en voor de kantonrechter (indien aan de orde) inzichtelijk maken wat er mis is en waarom. Verder verwacht de kantonrechter dat werknemers hun aanspraak op een transitievergoeding concretiseren. Werknemers moeten hierbij in aanmerking nemen dat de Wet Arbeidsmarkt in Balans het kader vormt bij nadere concretisering. Uiteraard zal aan [verweerders] de gelegenheid worden geboden om te reageren op de uitlatingen van hun wederpartij.
4.9.
De kantonrechter houdt alle verdere beslissingen aan, waaronder de beslissing welk van de verwerende partijen als thans als werkgever is aan te merken.
De kantonrechter wijst werknemers erop dat indien zij in wat in deze tussenbeschikking is overwogen over hun aanspraak op vergoedingen aanleiding zien om delen van hun verzoek in te trekken, zij dit in hun uitlatingen tot uiting kunnen brengen. Verder wijst zij partijen erop dat de uitlatingen zich moeten richten op wat de kantonrechter hiervoor in rechtsoverweging 4.8. uiteen heeft gezet. Het is nadrukkelijk niet de bedoeling om in te gaan op in de tussenbeschikking opgenomen oordelen, die partijen onwelgevallig zijn.