Uitspraken

Een deel van alle rechterlijke uitspraken wordt gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit gebeurt gepseudonimiseerd.

Deze uitspraak is gepseudonimiseerd volgens de pseudonimiseringsrichtlijn

ECLI:NL:RBOBR:2024:3042

Rechtbank Oost-Brabant
25-06-2024
11-07-2024
10901641 \ EJ VERZ 24-30
Arbeidsrecht
Beschikking,Tussenuitspraak

Verzoek vernietiging ontslag op staande voet; tussenbeschikking; ontslag niet onverwijld gegeven en dringende reden voor werknemer niet duidelijk; bewijsopdracht inzake eindejaarsuitkering; verzoek ontbinding arbeidsovereenkomst ligt ook voor afwijzing gereed

Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2024-0875
VAAN-AR-Updates.nl 2024-0875

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Zaaknummer: 10901641 \ EJ VERZ 24-30

Beschikking van 25 juni 2024

in de zaak van:

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in de zaak van het verzoek,

verweerder in de zaak van het tegenverzoek,

gemachtigde: mr. G.J. Gerrits.

tegen:

[verweerder] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verweerster in de zaak van het verzoek,

verzoekster in de zaak van het tegenverzoek,

gemachtigde: mr. W.H. van Aalst.

Partijen worden hierna genoemd “ [verzoeker] ” en “ [verweerder] ”.

1 Het verdere procesverloop

in de zaak van het verzoek en het tegenverzoek

Op 24 mei 2024 heeft de kantonrechter een beschikking gegeven op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening van de zijde van [verzoeker] . De kantonrechter heeft, ook in het kader van de beoordeling van het verzoek en het tegenverzoek, kennisgenomen van de in die beschikking genoemde processtukken. Voorts is beschikking bepaald op het verzoek en het tegenverzoek.

2 De feiten

in de zaak van het verzoek en het tegenverzoek

2.1.

[verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1975, is op [datum] 2004 in dienst getreden bij [verweerder] . De laatste functie die [verzoeker] vervulde, is die van Bedrijfsleider Ondervloeren, met een jaarsalaris van € 130.386,- bruto, te vermeerderen met € 9.628,- bruto aan vakantiebijslag, bij een arbeidsomvang van ten minste 37,5 uren per week.

2.2.

Op de initiële arbeidsovereenkomst is de CAO voor het Stukadoors- Afbouw- en Terazzobedrijf van toepassing verklaard. Inmiddels is dat de CAO Afbouw.

2.3.

[verweerder] is onderdeel van de [bedrijf A] B.V. (hierna: [bedrijf A] ). [bedrijf A] houdt zich bezig met alles van vloerbedekking tot projectinrichting. Op 1 oktober 1996 heeft [A] (hierna: [A] ) de onderneming overgenomen van zijn vader, [B] . [A] is algemeen directeur van [bedrijf A] .

2.4.

Op 8 juli 2009 heeft de persoonlijke holding van [A] , [bedrijf B] B.V., de aandelen in [bedrijf A] verworven. Op 1 oktober 2015 is [bedrijf C] B.V. opgericht, die de aandelen van [verweerder] en [bedrijf A] heeft overgenomen. [bedrijf B] B.V. wordt vanaf dat moment de bestuurder van [bedrijf C] B.V. Op 30 december 2022 zijn de aandelen van [bedrijf C] B.V. verdeeld over [bedrijf B] B.V. en de persoonlijke holdings van de twee zonen van [A] , [bedrijf D] B.V. en [bedrijf E] B.V., van welke holdings [A] de bestuurder is.

2.5.

Op 1 augustus 2016 neemt [bedrijf C] B.V. [bedrijf F] B.V. over en op 10 februari 2021 heeft zij [bedrijf G] B.V. overgenomen. Dat betekent dat de [bedrijf A] op dat moment uit 8 B.V.’s bestond. Daarna is nog [bedrijf H] B.V. opgericht. Sinds 2021 wordt als één partij naar buiten getreden, namelijk onder de naam [bedrijf A] .

2.6.

Sinds 8 februari 2023 was [verzoeker] ingeschreven als (beperkt) gevolmachtigde van [bedrijf A] , zoals blijkt uit het uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel (bijlage 2 bij het verzoek).

2.7.

Per 1 augustus 2023 verhuurt [verzoeker] de bedrijfsruimte gelegen aan [adres 1] te [plaats] aan [bedrijf A] op grond van een huurovereenkomst.

2.8.

Op 2 oktober 2023 heeft [verzoeker] zich ziekgemeld.

2.9.

Op 23 november 2023 ontving [verzoeker] een brief van de gemachtigde van [verweerder] (bijlage 8 bij het verzoek), waarbij – voor zover hier van belang – aan [verzoeker] als volgt werd meegedeeld:

“(…) Gezien de lange duur van uw afwezigheid en mede naar aanleiding van een bezoek van de heer [A] aan u zag hij zich genoodzaakt te concluderen dat u het niet kortstondig oneens bent met het nieuwe beleid van [A] , maar daarin volhardt. Dat maakte uw positie onhoudbaar.

Daar komt bij dat tijdens uw afwezigheid uw taken zijn verdeeld op de manier waarop dit ook binnen de overige werkgebieden van [A] plaatsvindt. Gebleken is dat dit bijzonder goed werkt. De heer [A] is dan ook tot de conclusie gekomen dat uw functie kan komen te vervallen.

Verder is tijdens uw afwezigheid aan het licht gekomen dat u onvoldoende functioneert. Het bovenstaande heeft ertoe geleid dat [A] de arbeidsovereenkomst met u wenst te beëindigen.

(…) Ondertussen zijn signalen ontvangen dat u zich schuldig zou hebben gemaakt aan ontoelaatbaar gedrag jegens [A] , een of meer aan [A] gelieerde vennootschappen, (vrouwelijke) ondergeschikten en een of meerdere opdrachtnemers en opdrachtgevers. Hiernaar vindt momenteel onderzoek plaats. (…)

Grofweg zijn er twee scenario’s mogelijk. Allereerst dat uit het onderzoek blijkt dat de signalen niet terecht zijn. Althans, niet bewezen kunnen worden. Het alternatief is dat uit het onderzoek blijkt dat de signalen terecht zijn en bewezen kunnen worden. (…)

Het alternatief is dat de uitkomst van het onderzoek wordt afgewacht. Of dan nog steeds de bereidheid bestaat om een beëindigingsovereenkomst te sluiten en zo ja, onder welke voorwaarden, zal afhankelijk zijn van de uitkomst van het onderzoek. (…)

De vermoedelijke uitkomst van een ontslagroute is over het algemeen relevant voor onderhandelingen over een einde van een arbeidsovereenkomst. Daarom ga ik hieronder in op mogelijke uitkomsten van de verschillende ontslagroutes. (…) Ontslagprocedure bij UWV (…) Ontslagprocedure bij kantonrechter (…)

Ontslag op staande voet (…) Mogelijk dat de uitkomst van het onderzoek dusdanig is dat de feiten die aan het licht zijn gekomen zo ernstig zijn dat ontslag op staande voet een optie is. De heer [A] heeft op dit moment nog goede hoop dat dit niet zo is. Vandaar dat hij u nog een laatste voorstel wil doen, maar als de uitkomst van het onderzoek daartoe aanleiding geeft, moet u ermee rekening houden dat ontslag op staande voet ook een optie is. (…)

Als u zich kunt vinden in het bovenstaande verneem ik dat graag zo snel mogelijk, maar uiterlijk 29 november 2023 om 12.00 uur van u.(…)

Gedurende het onderzoek is het u niet toegestaan contact te hebben met medewerkers, opdrachtnemers en opdrachtgevers van [A] en aan [A] gelieerde vennootschappen. Ook bent u gedurende het onderzoek op non actief gesteld. Verder wordt u gedurende het onderzoek de toegang tot [A] en aan [A] gelieerde vennootschappen ontzegd. Zowel fysiek (de panden van [A] en aan [A] gelieerde vennootschappen) als digitaal (ICT-toegang). Op deze manier kan [A] het benodigde onderzoek doen zonder daarin belemmerd te worden door u. (…)”.

2.10.

Op 28 november 2023 heeft de bedrijfsarts, genaamd drs. [C] , een spreekuurverslag opgesteld (bijlage 10 bij het verzoek) naar aanleiding van een (telefonisch) consult met [verzoeker] . Daarin staat, voor zover hier van belang, vermeld:

“(…) De ervaren klachten staan niet ter discussie, en zijn niet alleen het direct gevolg van onderliggende ziekte en/ of gebrek. Er is sprake van een verschil van inzichten met de werkgever, leidende tot spanningsklachten. Dit resulteert in een arbeidssituatie die voorspoedig dient te worden opgelost. (…) Medewerker is op termijn weer belastbaar voor zijn maatgevende functie mits onderliggende problematiek is opgelost en bemiddeld.

Advies: Werkgever en dhr. [verzoeker] dienen het gesprek aan te gaan en duidelijke afspraken te maken over de nog realiseerbare inzetbaarheid. Wederzijdse verwachtingen en onbesproken feiten dienen te worden geadresseerd. De samenloop van omstandigheden hebben een grote impact op het welzijn van dhr. [verzoeker] . Medewerker heeft de reguliere zorg geconsulteerd en mogelijk volgt een aanvullend traject. Echter daarnaast adviseer ik partijen prioriteit te stellen aan de oplossing van het probleem. Mochten werkgever en dhr. [verzoeker] er samen niet uitkomen, eventueel met ondersteuning van een personeelsfunctionaris, raad ik partijen aan om externe bemiddeling in te schakelen. (…)”.

2.11.

Omdat [verzoeker] zich niet kon verenigen met het advies van de bedrijfsarts, heeft hij een deskundigenoordeel gevraagd bij het UWV. Het UWV heeft dit deskundigenoordeel niet meer afgegeven, omdat [verzoeker] kort na zijn verzoek daartoe op staande voet is ontslagen.

2.12.

Bij brief van 30 november 2023 is namens [verzoeker] gereageerd op de inhoud van de brief van 23 november 2023 en heeft [verzoeker] kenbaar gemaakt dat hij niet in stemde met het voorstel om tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst te komen.

2.13.

Per e-mail van 3 december 2023 om 17:24 uur (bijlage 12 bij het verzoek) heeft de gemachtigde van [verweerder] de gemachtigde van [verzoeker] als volgt bericht:

“(…) Momenteel vindt de afronding van het onderzoek plaats. Zoals het er nu naar uitziet, kan het onderzoek morgenochtend worden afgerond. De heer [verzoeker] wordt dan ook uitgenodigd om morgenmiddag aan de [adres 2] in [plaats] zijn visie te geven. Vervolgens zal worden besloten of al dan niet tot ontslag op staande voet zal worden overgegaan. (…)”.

2.14.

De gemachtigde van [verzoeker] heeft per e-mail van 5 december 2023 om 09:31 uur gereageerd (bijlage 13 bij het verzoek). Vervolgens heeft op 5 december 2023 (via een Teams-verbinding) een gesprek plaatsgevonden tussen de gemachtigde van [verweerder] , de heer [D] (strategisch alliantiepartner van de gemachtigde van [verweerder] , hierna: [D] ), [verzoeker] en de gemachtigde van [verzoeker] .

2.15.

Na afloop van voornoemd gesprek, heeft de gemachtigde van [verweerder] per e-mail van 8 december 2023 (bijlage 16 bij het verzoek) een verslag van het gesprek aan de gemachtigde van [verzoeker] toegestuurd. In deze e-mail staat, voor zover hier van belang, vermeld:

“(…) De idee was dat naar aanleiding daarvan zou worden besloten of al dan niet tot ontslag op staande voet zal worden overgegaan. Echter, de visie van de heer [verzoeker] week op verschillende punten dusdanig af van de uitkomsten van het onderzoek dat [verweerder] B.V. (hierna: [verweerder] ) naar aanleiding van het hoor en wederhoor heeft besloten nader onderzoek te laten verrichten. (…) Omdat het onderzoek voortduurt, is [verweerder] bereid om wederom gedurende de periode van het onderzoek onderhandelingen te laten plaatsvinden over een einde van de arbeidsovereenkomst als de heer [verzoeker] daarvoor openstaat. (…)”.

2.16.

[verzoeker] was het niet eens met de inhoud van het verslag, zodat (namens) hem een nieuw gespreksverslag is opgesteld. Dat gespreksverslag heeft de gemachtigde van [verzoeker] per e-mail van 11 december 2023 aan de gemachtigde van [verweerder] toegezonden.

2.17.

Per e-mail van 15 december 2023 heeft de gemachtigde van [verweerder] op laatstgenoemde e-mail van de gemachtigde van [verzoeker] gereageerd. Daarin schrijft zij als volgt: “(…) De verwachting is dat het nader onderzoek aanstaande maandagochtend wordt afgerond, wat zou betekenen dat aanstaande maandagmiddag vanaf 12.00 uur een nader wederhoor kan plaatsvinden. (…)”.

2.18.

De gemachtigde van [verweerder] heeft vervolgens per e-mail van 18 december 2023 aan de gemachtigde van [verzoeker] kenbaar gemaakt dat zij een “nader wederhoor” wenste te laten plaatsvinden op 21 december 2023. De gemachtigde van [verzoeker] heeft per e-mail van 21 december 2023 te 12:04 uur aan de gemachtigde van [bedrijf A] meegedeeld dat hij en [verzoeker] menen dat een nader wederhoor niet zinvol is, noch wenselijk. Een nader wederhoor heeft daarom niet plaatsgevonden.

2.19.

Op 27 december 2023 is [verzoeker] door [verweerder] op staande voet ontslagen. De brief van de gemachtigde van [verweerder] , waarbij [verzoeker] op staande voet is ontslag, houdt – voor zover hier van belang – het volgende in:

“(…) In mijn brief aan u van 23 november 2023 heb ik u uiteengezet dat signalen zijn ontvangen dat u zich schuldig zou hebben gemaakt aan ontoelaatbaar gedrag jegens [verweerder] B.V. (hierna: [verweerder] ), een of meer aan [verweerder] gelieerde vennootschappen, (vrouwelijke) ondergeschikten en een of meerdere opdrachtnemers en opdrachtgevers en dat hiernaar onderzoek plaats vindt. (…)

Het bovenstaande leidt tot onderstaande bevindingen:

1. U verricht veelvuldig, althans meer dan één keer, althans één keer een klus in de tijd dat u werkzaamheden zou moeten verrichten voor [verweerder] , voor welke klus uw vrouw en/of u al dan niet via uw vrouw en/of een andere derde de omzet of een deel daarvan genereert;

2 U neemt veelvuldig, althans meer dan één keer, althans één keer een klus aan van een of meerdere opdrachtgevers van [verweerder] en/of aan [verweerder] gelieerde vennootschappen, voor welke klus uw vrouw en/of u al dan niet via uw vrouw en/of een andere derde de omzet of een deel daarvan genereert;

3. U maakt zich veelvuldig, althans meer dan één keer, althans één keer schuldig aan het misbruiken van de machtspositie die u hebt binnen [verweerder] en/of aan [verweerder] gelieerde vennootschappen althans u zet de machtspositie die u hebt binnen [verweerder] en/of aan [verweerder] gelieerde vennootschappen veelvuldig, althans meer dan één keer, althans één keer niet uitsluitend legitiem in;

4. U hanteert veelvuldig, althans meer dan één keer, althans één keer ongepaste en onbehoorlijke omgangsvormen richting:

a. de heer [A] ; en/of

b. een of meerdere medewerkers van [verweerder] en/of aan [verweerder] gelieerde vennootschappen; en/of

c. een of meerdere opdrachtnemers, zijnde onderaannemers, van [verweerder] en/of aan [verweerder] gelieerde vennootschappen; en/of

d. een of meerdere opdrachtgevers van [verweerder] en/of aan [verweerder] gelieerde vennootschappen; en/of

e. een of meerdere andere zakelijke relaties van [verweerder] en/of aan [verweerder] gelieerde vennootschappen.

5. U stelt veelvuldig, althans meer dan één keer, althans één keer uw eigen belangen voorop ten koste van de belangen van:

a. de heer [A] ; en/of

b. [verweerder] ; en/of

c. een of meerdere aan [verweerder] gelieerde vennootschappen; en/of

d. een of meerdere medewerkers van [verweerder] en/of aan [verweerder] gelieerde vennootschappen; en/of

e. een of meerdere opdrachtnemers, zijnde onderaannemers, van [verweerder] en/of aan [verweerder] gelieerde vennootschappen; en/of

f. een of meerdere opdrachtgevers van [verweerder] en/of aan [verweerder] gelieerde vennootschappen; en/of

g. een of meerdere andere zakelijke relaties van [verweerder] en/of aan [verweerder] gelieerde vennootschappen.

6. U hebt zich veelvuldig, althans meer dan één keer, althans één keer schuldig gemaakt aan belangenverstrengeling tegenover:

a. de heer [A] ; en/of

b. [verweerder] ; en/of

c. een of meerdere aan [verweerder] gelieerde vennootschappen; en/of

d. een of meerdere medewerkers van [verweerder] en/of aan [verweerder] gelieerde

vennootschappen; en/of

e. een of meerdere opdrachtnemers, zijnde onderaannemers, van [verweerder] en/of aan [verweerder] gelieerde vennootschappen; en/of

f. een of meerdere opdrachtgevers van [verweerder] en/of aan [verweerder] gelieerde vennootschappen; en/of

g. een of meerdere andere zakelijke relaties van [verweerder] en/of aan [verweerder] gelieerde vennootschappen;

7. U stelt veelvuldig, althans meer dan één keer, althans één keer met uw gedrag de volgende personen bloot aan een onveilige en intimiderende (werk)sfeer

a. een of meerdere medewerkers van [verweerder] en/of aan [verweerder] gelieerde vennootschappen; en/of

b. een of meerdere opdrachtnemers, zijnde onderaannemers, van [verweerder] en/of aan [verweerder] gelieerde vennootschappen; en/of

c. een of meerdere opdrachtgevers van [verweerder] en/of aan [verweerder] gelieerde vennootschappen.

8. U hebt de heer [A] , [verweerder] en/of aan [verweerder] gelieerde vennootschappen veelvuldig, althans meer dan één keer, althans één keer in diskrediet gebracht tegenover;

a. een of meerdere medewerkers van [verweerder] en/of aan [verweerder] gelieerde vennootschappen; en/of

b. een of meerdere opdrachtnemers, zijnde onderaannemers, van [verweerder] en/of aan [verweerder] gelieerde vennootschappen; en/of

c. een of meerdere opdrachtgevers van [verweerder] en/of aan [verweerder] gelieerde vennootschappen.

9. U hebt zich veelvuldig, althans meer dan één keer, althans één keer schuldig gemaakt aan arbeidsuitbuiting jegens een of meerdere opdrachtnemers zijnde onderaannemers van [verweerder] en/of een of meerdere aan [verweerder] gelieerde vennootschappen, althans u hebt een of meerdere opdrachtnemers, zijnde onderaannemers van [verweerder] en/of een of meerdere aan [verweerder] gelieerde

vennootschappen, veelvuldig, althans meer dan één keer, althans één keer een gedeelte van de inkomsten van [verweerder] en/of een of meerdere aan [verweerder] gelieerde vennootschappen en/of andere zakelijke relaties van [verweerder] en/of aan [verweerder] gelieerde vennootschappen laten afstaan aan u en/of (de eenmanszaak) van uw vrouw en/of een andere derde;

10. U hebt zich veelvuldig, althans meer dan één keer, althans één keer schuldig gemaakt aan dreigementen, althans agressief taalgebruik, richting:

a. de heer [A] ; en/of

b. [verweerder] ; en/of

c. een of meerdere medewerkers van [verweerder] en/of aan [verweerder] gelieerde vennootschappen; en/of

d. een of meerdere opdrachtnemers, zijnde onderaannemers, van [verweerder] en/of aan [verweerder] gelieerde vennootschappen; en/of

e. een of meerdere opdrachtgevers van [verweerder] en/of aan [verweerder] gelieerde vennootschappen.

11. U hebt veelvuldig, althans meer dan één keer, althans één keer een bestelling geplaatst op naam van [verweerder] en/of een of meerdere aan [verweerder] gelieerde vennootschappen en laten voldoen door [verweerder] en/of een of meerdere aan [verweerder] gelieerde vennootschappen zonder dat u daarvoor toestemming had van de heer [A] en/of de heer [E] en zonder dat die bestellingen bedoeld waren voor de uitoefening van uw functie binnen [verweerder] en/of een of meerdere aan [verweerder] gelieerde vennootschappen;

12. U hebt veelvuldig, althans meer dan één keer, althans één keer een opdracht voor het verrichten van werkzaamheden door onderaannemers van [verweerder] en/of een of meerdere aan [verweerder] gelieerde vennootschappen geplaatst of laten plaatsen op naam van [verweerder] en/of een of meerdere aan [verweerder] gelieerde vennootschappen en laten voldoen door [verweerder] en/of een of meerdere aan

[verweerder] gelieerde vennootschappen zonder dat u daarvoor toestemming had van de heer [A] en/of de heer [E] en zonder dat die werkzaamheden bedoeld waren voor de uitoefening van uw functie binnen [verweerder] en/of een of meerdere aan [verweerder] gelieerde vennootschappen;

13. U hebt veelvuldig, althans meer dan één keer, althans één keer de heer [A] , [verweerder] en/of een of meerdere aan [verweerder] gelieerde vennootschappen en/of zakelijke relaties van [verweerder] en/of een of meerdere aan [verweerder] gelieerde vennootschappen bewust onjuist en/of onvolledig geïnformeerd met betrekking tot een of meerdere kwesties, die van belang zijn in het kader van uw arbeidsrelatie met [verweerder] ;

14. U hebt, geconfronteerd met de uitkomsten van het onderzoek, tijdens het wederhoor van 5 december jl. niet de waarheid gesproken en daarmee het onderzoek tegengewerkt.

In geval van het ontbreken van een afdoende rechtvaardiging vormen de hierboven onder 1 tot en met 14 opgesomde bevindingen zowel ieder afzonderlijk als in combinatie met één dan wel meerdere van de andere bevindingen een dringende reden voor ontslag. In dat geval staat het [verweerder] dan ook vrij u ontslag op staande voet te verlenen. (…)

Van een afdoende rechtvaardiging is geen sprake. (…)

Zoals blijkt uit het bovenstaande wordt u dus ontslag op staande voet verleend op grond van de hiervoor onder 1 tot en met 14 opgesomde bevindingen, die zowel ieder afzonderlijk als in combinatie met één dan wel meerdere van de andere bevindingen een dringende reden vormen voor ontslag. (…)”.

3 De verdere beoordeling

in de zaak van het verzoek

Het primaire verzoek

3.1.

Het gaat in deze zaak (primair) om de vraag of het ontslag op staande voet dat door [verweerder] aan [verzoeker] is gegeven, moet worden vernietigd.

3.2.

Zoals reeds in de tussenbeschikking van 24 mei 2024 reeds is overwogen, is voor de beoordeling van de vraag of sprake is van een rechtsgeldig gegeven ontslag op staande voet sprake zijn van de criteria als genoemd in artikel 7:677 lid 1 BW; er moet sprake zijn van een dringende reden en de opzegging moet onverwijld zijn gegeven, met gelijktijdige mededeling van de dringende reden voor dat ontslag aan de werknemer. Voor de werkgever worden als dringende redenen beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer dat van de werkgever redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren (artikel 7:678 lid 1 BW). De aanwezigheid van een dringende reden moet met zeer grote terughoudendheid worden aangenomen en gebaseerd zijn op bewijsbare feiten. De stelplicht en bewijslast van de gestelde dringende reden rusten op de werkgever.

3.3.

Naar het oordeel van de kantonrechter is het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig gegeven. Daarover wordt het volgende overwogen.

3.3.1.

Door [verzoeker] is aangevoerd dat het ontslag niet onverwijld aan hem is gegeven. [verzoeker] voert daartoe het volgende aan. Op 2 oktober 2023 heeft [verzoeker] zich arbeidsongeschikt gemeld, waarna [verzoeker] is uitgenodigd om op 20 oktober 2023 bij [verweerder] op gesprek te komen. Tijdens dat gesprek maakte [verweerder] – aldus [verzoeker] – kenbaar dat zij tot beëindiging van het dienstverband met [verzoeker] wenste te komen. Nadat [verzoeker] een aantal verzoeken tot het voeren van nadere gesprekken met [verweerder] vanwege zijn gezondheidstoestand heeft moeten annuleren, ontving [verzoeker] op 23 november 2023 een lange brief (10 pagina’s) van de gemachtigde van [verweerder] (productie 8 bij het verzoek). Daarin staat vermeld dat er signalen zijn ontvangen dat [verzoeker] zich schuldig zou hebben gemaakt aan ontoelaatbaar gedrag jegens [verweerder] , een of meer aan [verweerder] gelieerde vennootschappen, (vrouwelijke) ondergeschikten en een of meerdere opdrachtnemers en opdrachtgevers. Voorts staat in de brief vermeld dat er drie soorten ontslagroutes mogelijk zijn, met een toelichting ten aanzien van de kans van slagen van ieder van die routes. Verder is in voornoemde brief aan [verzoeker] een aanbod gedaan om tot beëindiging van het dienstverband te komen, waarbij [verzoeker] een termijn van 5 dagen is gegund om na te denken over dit aanbod. Tot slot staat in deze brief vermeld dat het onderzoek dat gaande was naar zijn handelen op 28 november 2023 zou zijn afgerond en dat daarna mogelijk aan [verzoeker] een ontslag op staande voet zou worden verleend. Bij brief van 30 november 2023 is door [verzoeker] (kort) gereageerd op de brief van [verweerder] . Vervolgens heeft de gemachtigde van [verweerder] op 3 december 2023 aan [verzoeker] laten weten dat het onderzoek op 5 december 2023 zou worden afgerond (productie 12 bij het verzoek) en is hij uitgenodigd om op diezelfde datum te verschijnen op het kantoor van de gemachtigde van [verweerder] . Het gesprek heeft plaatsgevonden op 5 december 2023 via een Teams-verbinding, waarbij [verweerder] zelf niet aanwezig was. [verzoeker] heeft op de door [verweerder] genoemde verwijten gereageerd. Op 8 december 2023 heeft de gemachtigde van [verzoeker] een door de gemachtigde van [verweerder] opgesteld verslag ontvangen, waarna [verzoeker] – omdat hij het niet eens was met de inhoud van dat verslag – per e-mail van 11 december 2023 een door hem opgesteld verslag van het gesprek aan de gemachtigde van [verweerder] heeft toegezonden. In haar reactie daarop heeft de gemachtigde van [verweerder] aan [verzoeker] bericht dat het nader onderzoek kon worden afgerond op 18 december 2023. Door [verzoeker] is voorgesteld om schriftelijk te reageren op de nadere onderzoeksresultaten, waarna de gemachtigde van [verweerder] heeft aangegeven dat zij een nader gesprek met [verzoeker] wenste te voeren op 21 december 2023. Aan dit gesprek heeft [verzoeker] niet deelgenomen. Vervolgens heeft [verweerder] [verzoeker] bij brief van 27 december 2023 op staande voet ontslagen. Volgens [verzoeker] is er na het afgezegde gesprek van 21 december 2023 niets meer gebeurd en heeft [verweerder] nog 6 dagen gewacht met het verlenen van het ontslag, hetgeen – aldus [verzoeker] – te lang is.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verweerder] desgevraagd toegelicht dat in de brief van 23 november 2023 enkel nog wordt gesproken over de signalen die [verweerder] heeft ontvangen, waarna de gemachtigde van [verweerder] [verzoeker] heeft uitgenodigd voor een gesprek. Het onderzoek naar het handelen van [verzoeker] leek vervolgens op 5 december 2023 afgerond, waarna [verzoeker] is uitgenodigd voor een wederhoor. Naar aanleiding van het wederhoor bestond voor [verweerder] aanleiding voor een nader wederhoor, omdat de vrees was dat het onderzoek tot dan toe onvolledig was geweest. Voorts stelt [verweerder] dat zij de beslissing om tot het ontslag over te gaan heeft genomen op 21 december 2023 aan het einde van de middag (nadat [verzoeker] had besloten om niet op het gesprek te verschijnen) en dat er vervolgens nog 17 uur zijn gemoeid met het opstellen van de brief waarin tot het ontslag is overgegaan.

De kantonrechter is van oordeel dat, gelet op het tijdsverloop tussen het afronden van het onderzoek (in ieder geval op 18 december 2023, blijkens de e-mail van de gemachtigde van [verweerder] aan de gemachtigde van [verzoeker] van 15 december 2023 (productie 18 bij het verzoek)), het gesprek waarvoor [verzoeker] vervolgens is uitgenodigd en dat heeft plaatsgevonden op 21 december 2023 waarbij (de gemachtigde van) [verweerder] [verzoeker] wenste te bevragen over de nadere onderzoeksresultaten en het moment waarop [verzoeker] daadwerkelijk is ontslagen alsmede de toelichting van [verweerder] dat zij reeds op 21 december 2023 had besloten om tot een onverwijlde opzegging van de arbeidsovereenkomst over te gaan en dat vervolgens pas op 27 december 2023 heeft gedaan, niet is komen vast te staan dat het ontslag onverwijld aan [verzoeker] is gegeven. Als [verweerder] van mening was dat de resultaten van het onderzoek ertoe noopten om het dienstverband met [verzoeker] onverwijld op te zeggen, dan had zij dat (uiterlijk) direct na afronding van het onderzoek moeten doen. Dat heeft zij niet gedaan.

3.3.2.

Verder is de kantonrechter van oordeel dat de (dringende) redenen voor het ontslag, zoals genoemd in de brief van 27 december 2023, niet ondubbelzinnig en voldoende duidelijk aan [verzoeker] zijn meegedeeld. Aan [verzoeker] is op die datum door de gemachtigde van [bedrijf A] een brief toegestuurd met een omvang van 24 pagina’s. In de brief wordt beschreven wat er aan de brief vooraf is gegaan, welke gesprekken er hebben plaatsgevonden en wat partijen over en weer hebben verklaard. Op pagina 21 tot en met 23 staat vervolgens – althans zo lijkt het – vermeld welke redenen [verweerder] aan het onverwijlde ontslag ten grondslag legt. Deze redenen zijn zeer algemeen geformuleerd, zoals eerstgenoemde reden, die luidt: “U verricht veelvuldig, althans meer dan één keer, althans één keer een klus in de tijd dat u werkzaamheden zou moeten verrichten voor [verweerder] , voor welke klus uw vrouw en/of u al dan niet via uw vrouw en/of een andere derde de omzet of een deel daarvan genereert”. [verweerder] omschrijft daarbij niet concreet op welke datum respectievelijk op welke data [verweerder] een klus voor zijn vrouw zou hebben gedaan en of het daarbij gaat om het éénmalig of meermaals uitvoeren van werkzaamheden voor haar. Voorts wordt niet vermeld om welke werkzaamheden het gaat en waaruit blijkt dat [verzoeker] deze werkzaamheden heeft verricht en/of op grond waarvan [verzoeker] dat niet is toegestaan. Dat geldt ook voor de overige in de brief genoemde redenen. De gemachtigde van [verzoeker] heeft terecht aangevoerd dat [verzoeker] hierdoor ernstig in zijn verweer is geschaad. Dat de gemachtigde van [verzoeker] heeft getracht om namens [verzoeker] zo goed als mogelijk verweer te voeren tegen het gegeven ontslag door uit de eerdere brieven van de gemachtigde van [verweerder] en uit de eerder met haar gevoerde gesprekken de dringende reden voor het ontslag te destilleren, maakt niet dat op 27 december 2023 voor [verzoeker] duidelijk was wat voor [verweerder] de (dringende) reden was voor het ontslag. Namens [verweerder] is tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zij er bewust voor heeft gekozen om de ontslaggronden op een dergelijke algemene en niet nader geconcretiseerde wijze in de ontslagbrief te formuleren, omdat door [verzoeker] een rookgordijn was opgeworpen en het voor [verweerder] nog niet zeker was of de aan het adres van [verzoeker] gemaakte verwijten vast zouden komen te staan. Voorts heeft de gemachtigde van [verweerder] voor de feitelijke onderbouwing van de dringende redenen voor het ontslag nadrukkelijk verwezen naar haar pleitnota.

Voor een werknemer dient, indien een werknemer op staande voet wordt ontslagen, direct en op ondubbelzinnig wijze kenbaar te zijn om welke redenen de arbeidsovereenkomst onverwijld door de werkgever is opgezegd. Reden hiervoor is dat een werknemer de mogelijkheid moet hebben om zich te beraden over het al dan niet voeren van verweer tegen het gegeven ontslag. De kantonrechter is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat dit voor [verzoeker] op het moment dat hij de brief van [verweerder] ontving, voldoende duidelijk was. Ook om die reden kan het gegeven ontslag op staande voet reeds geen stand houden.

3.4.

Uit artikel 7:681 lid 1, onderdeel a, BW volgt dat de kantonrechter op verzoek van de werknemer de opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever kan vernietigen, indien de werkgever heeft opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW. Omdat hiervoor is geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is, ligt het verzoek van [verzoeker] om vernietiging van dat ontslag voor toewijzing gereed. Er is immers sprake van een opzegging in strijd met artikel 7:671 BW, zodat er grond is om toepassing te geven aan artikel 7:681 lid 1 BW.

3.5.

Nu het ontslag op staande voet zal worden vernietigd, duurt de arbeidsovereenkomst tussen partijen in beginsel voort en heeft [verzoeker] in beginsel recht op doorbetaling van zijn loon. Nu door [verweerder] is verzocht om de arbeidsovereenkomst te ontbinden, zal op dit verzoek – na beoordeling van het tegenverzoek strekkende tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst – nader worden ingegaan.

Het subsidiaire verzoek

3.6.

[verzoeker] heeft subsidiair, voor het geval de kantonrechter van oordeel is dat het ontslag op staande voet terecht zou zijn verleend, verzocht om toekenning van de transitievergoeding en – zoals tijdens de mondelinge behandeling nader is verzocht – een billijke vergoeding. Nu de kantonrechter, zoals hiervoor is overwogen, tot de conclusie komt dat het gegeven ontslag niet rechtsgeldig is gegeven en dus moet worden vernietigd, komt de kantonrechter niet toe aan de beoordeling van het subsidiaire verzoek.

Primair en subsidiair: de eindejaarsuitkering

3.7.

Verder maakt [verzoeker] (zowel primair als subsidiair) aanspraak op een eindejaarsuitkering van € 100.000,- bruto. [verzoeker] legt daaraan ten grondslag de contractuele afspraak die op 1 januari 2021 met hem zou zijn gemaakt. Hij verwijst daartoe naar bijlage 4 bij het verzoek, bestaande uit een getypte brief, gedateerd 1 januari 2021, waar op staat vermeld: “Geachte heer [verzoeker] , Zoals overeengekomen wordt uw arbeidsovereenkomst aangepast. Jaarlijks zal er een vaste eindejaarsuitkering van € 100.000,- worden uitgekeerd. (…)”. Daarnaast heeft [verzoeker] een brief van 1 februari 2022 overgelegd (bijlage 35 bij akte) waarop staat vermeld dat [verweerder] , op basis van het resultaat over boekjaar 2020, aan [verzoeker] een bonus zal uitkeren van € 126.962,10 bruto voor zijn inzet voor [verweerder] . [verzoeker] stelt dat ook daaruit blijkt dat het gebruikelijk was dat aan hem jaarlijks een eindejaarsuitkering/bonus werd uitgekeerd. De eindejaarsuitkering over de boekjaren 2022 en 2023 is nog niet aan hem voldaan, zodat [verzoeker] nakoming van deze afspraak verzoekt en daarmee betaling van (in totaal) € 200.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:625 BW.

[verweerder] heeft de stelling van [verzoeker] gemotiveerd betwist. [A] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij niet betwist dat het zijn handtekening is die op de door [verzoeker] overgelegde overeenkomst staat (bijlage 4 bij het verzoek), maar dat hij zich niet kan herinneren dat hij zijn handtekening onder dit document heeft gezet. Ook heeft [A] verklaard dat hij de brief waaronder zijn handtekening staat, niet heeft opgesteld. [A] betwist echter niet de echtheid van de handtekening. Verder heeft [verweerder] verwezen naar de bonusuitkering over 2021, waarbij (slechts) een bedrag van € 74.981,25 bruto aan [verzoeker] is betaald en waarna [verzoeker] ook niet heeft gemeld dat sprake zou zijn van een andersluidende afspraak en hij aanspraak maakte op betaling van een bedrag van € 100.000,- bruto.

Nu [verzoeker] een onderhandse akte heeft overgelegd waarop staat vermeld dat de arbeidsovereenkomst wordt aangepast en er jaarlijks een vaste eindejaarsuitkering van € 100.000,- zal worden uitgekeerd én waarop de handtekening van [A] staat vermeld, acht de kantonrechter voorshands bewezen dat partijen hetgeen in die akte te lezen is juist is. Het enkele feit dat [F] (hierna: [F] ) heeft verklaard dat het zo kan zijn dat hij het document op verzoek van [verzoeker] heeft opgesteld, dat [verzoeker] tegen hem heeft gezegd dat hij dit nodig had omdat hij een hypotheek wilde verkrijgen voor de aankoop van een pand aan de [adres 1] in [plaats] en dat [F] nimmer een ondertekend exemplaar retour heeft ontvangen (productie 6 bij verweer), maakt de conclusie van de kantonrechter niet anders. Ook in dat geval kan het immers zo zijn [A] namens [verweerder] met [verzoeker] heeft afgesproken dat hij een jaarlijkse eindejaarsuitkering zou ontvangen. [verzoeker] heeft daaromtrent immers verklaard dat [F] enkel uitvoering heeft gegeven aan de afspraken die [verweerder] en [verzoeker] met elkaar hebben gemaakt. De kantonrechter zal [verweerder] – nu zij de stelling van [verzoeker] gemotiveerd heeft betwist – in de gelegenheid stellen tot het leveren van bewijs van het tegendeel van de voorshands bewezen stelling van [verzoeker] dat [verweerder] op 1 januari 2021 met hem heeft afgesproken dat aan [verzoeker] jaarlijks een vaste eindejaarsuitkering van € 100.000,- zal worden uitgekeerd, zoals vastgelegd in de onderhandse akte van 1 januari 2021.

3.8.

Indien [verweerder] bewijs wil leveren door het horen van getuigen moet er bij het oproepen van de getuigen rekening mee worden gehouden dat het verhoor van een getuige gemiddeld zestig minuten duurt. De namen en woonplaatsen van de getuigen en de tijdstippen waartegen zij zijn opgeroepen, dienen ten minste een week voor het verhoor aan de wederpartij en aan de griffier van de rechtbank te worden opgegeven.

3.9.

In afwachting van de uitkomst van de bewijslevering zal de kantonrechter iedere verdere beslissing op het verzoek aanhouden.

in de zaak van het tegenverzoek

Het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst

3.10.

Het gaat in het kader van de beoordeling van het tegenverzoek om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden op grond van artikel 7:671b lid 1 BW.

3.11.

De kantonrechter stelt vast dat sprake is van een opzegverbod, omdat [verzoeker] ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte. Door (de gemachtigde van) [verweerder] is tijdens de mondelinge behandeling in twijfel getrokken of [verzoeker] op dit moment nog arbeidsongeschikt is. Zij verwijst daartoe naar de verklaring van de bedrijfsarts van 28 november 2023 (bijlage 10 bij het verzoek) waarin vermeld staat dat de medewerker op termijn weer belastbaar is voor zijn maatgevende functie (mits onderliggende problematiek is opgelost en bemiddeld). Door [verweerder] is echter niet gesteld en ook niet gebleken is dat [verzoeker] hierna nogmaals door de bedrijfsarts is gezien en/of dat [verzoeker] zich weer beter heeft gemeld. Voor zover door [verweerder] is gesteld dat [verzoeker] weer beter zou zijn en dat dit zou blijken uit het feit dat [verzoeker] elders zou hebben gesolliciteerd, is die gemotiveerd door [verzoeker] betwist en niet door [verweerder] onderbouwd. De kantonrechter gaat er derhalve in het kader van deze procedure van uit dat [verzoeker] thans nog steeds arbeidsongeschikt is. Het opzegverbod staat gezien artikel 7:671b lid 6 BW echter niet in de weg aan de verzochte ontbinding, omdat het verzoek geen verband houdt met de ziekte van [verzoeker] .

3.12.

De kantonrechter stelt voorop dat uit artikel 7:669 lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst alleen kan worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. In artikel 7:669 lid 3 BW is nader omschreven wat onder een redelijke grond moet worden verstaan. Bij regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 april 2015 (Stcrt. 2015/12685) zijn daarvoor nadere regels gesteld (Ontslagregeling).

Primair: op grond van wanprestatie

3.13.

[verweerder] voert primair aan dat de redelijke grond voor ontbinding is gelegen in de ernstige tekortkoming in de nakoming van de arbeidsovereenkomst door [verzoeker] (volgens artikel 7:686 BW juncto artikel 6:265 BW). Ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens een tekortkoming in de nakoming is slechts toewijsbaar in gevallen van ernstige wanprestatie, namelijk een wanprestatie van zodanige aard dat zij het ingrijpende gevolg van een ontbinding van de overeenkomst kan rechtvaardigen. Bij dit uitgangspunt is deze ontbinding volgens de Hoge Raad veeleer op één lijn te stellen met de beëindiging van de dienstbetrekking wegens een dringende reden (zie onder meer HR 20 april 1990, ECLI:NL:HR:1990:AD1092 en Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 23 mei 2006, ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ9580, RAR 2007/65).

3.14.

[verweerder] stelt dat [verzoeker] een aantal ernstige verwijten kan worden gemaakt. De kantonrechter zal deze hierna bespreken.

Het verrichten van concurrerende werkzaamheden

3.14.1.

[verweerder] verwijt [verzoeker] dat hij, gedurende de tijd dat hij werkzaamheden zou moeten verrichten voor [verweerder] , een klus heeft verricht voor [bedrijf I] (hierna: [bedrijf I] ). Voorts zou [verzoeker] bij het pand van [bedrijf I] een vloer hebben laten leggen, waarbij de kosten daarvan voor rekening van [bedrijf A] zijn gebracht, maar [bedrijf I] een factuur heeft ontvangen voor het leggen van een vloer van [bedrijf J] , zijnde de eenmanszaak van de partner van [verzoeker] . Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verzoeker] uitgebreid toegelicht dat de facturen voor het leggen van de PVC-vloer in de nieuwe kantoorruimte van [bedrijf I] via de schaduwboekhouding van [verweerder] zouden worden verrekend met de bonus van [verzoeker] , maar dat de partner van [verzoeker] (die bij [bedrijf I] werkt) ontdekte dat [bedrijf I] feitelijk niet wilde betalen aan de heer [G] (een zelfstandig vloersmeerder) en [H] , zijnde een zelfstandig ondernemer die sinds februari 2008 actief is vanuit zijn eenmanszaak [bedrijf K] (hierna: [bedrijf K] ) omdat hij meende nog geld van hen tegoed te hebben. Op het moment dat [G] en [bedrijf K] daarachter kwamen, besloten zij zich terug te trekken en bleef [verzoeker] , die inmiddels al opdracht had gegeven aan [I] en [J] om de vloer te leveren en aan te brengen, met de schade zitten. Daarop heeft de partner van [verzoeker] , zonder medeweten van [verzoeker] , een factuur gestuurd aan [bedrijf I] . [verzoeker] erkent dat zijn partner dat niet had mogen doen, maar was daarvan ook niet op de hoogte. Daarnaast voert [verzoeker] aan dat [verweerder] (althans [bedrijf A] ) door dit handelen van de partner van [verzoeker] geen schade heeft geleden, omdat de facturen die door [bedrijf A] heeft betaald onderdeel waren van de schaduwboekhouding en in mindering werden gebracht op de uit te keren bonus.

3.14.2.

Ook voert [verzoeker] aan dat dit al jaren zo gaat; dat privé facturen van (o.a. partners van) collega’s werden weggeschreven op kosten van het bedrijf, zodat sprake is van een zogenoemde schaduwboekhouding. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verzoeker] toegelicht dat op de factuur dan een “^” (een accent circonflexe) staat vermeld met daarachter de initialen van de desbetreffende collega, dat de factuur in de administratie worden geboekt terwijl ze eigenlijk niet bedoeld zijn voor [verweerder] . Het bedrag op de factuur wordt vervolgens in mindering gebracht op de bonus van de desbetreffende collega. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst [verzoeker] naar de e-mail van [K] , een voormalige medewerkster van [verweerder] die verklaart dat zij kan bevestigen dat er diverse privéfacturen van (o.a. partners van) collega’s werden weggeschreven op kosten van het bedrijf én naar de geleidebon die verwijst naar een afspraak tussen [A] en [L] (bedrijfsleider bij [verweerder] ) (productie 31 bij verweer). [L] heeft – aldus [verzoeker] – een volledige aanbouw gerealiseerd bij zijn woonhuis, waarbij de kosten van die verbouwing en de keuken volledig zijn betaald door [verweerder] en weggeschreven in haar administratie. Op de geleidebon staat achter het ordernummer eveneens vermeld “^ [initialen verzoeker] ”. Dit duidt er volgens [verzoeker] op dat [verweerder] deze werkwijze ook bij andere collega’s regelmatig hanteert. [verweerder] daarover tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd verklaard de vermelding achter het documentnummer op de factuur verwijst naar de projectleider die de bestelling heeft gedaan. Voorts is namens [verweerder] verklaard dat de gemarkeerde facturen zien op een rechtstreekse bestelling van een medewerker, die niet is meegenomen in de voorcalculatie. Ook is verklaard dat met de bedragen op die facturen flexibel wordt omgegaan door [verweerder] . Verder heeft [verweerder] de stelling van [verzoeker] dat er op deze manier met privéfacturen werd omgegaan, weliswaar betwist maar deze betwisting op geen enkele wijze onderbouwd.

Gelet op al hetgeen door [verweerder] gemotiveerd is gesteld, tijdens de mondelinge behandeling is toegelicht en de enkele blote betwisting aan de zijde van [verweerder] , gaat de kantonrechter ervan uit dat het binnen [verweerder] , althans [bedrijf A] , niet ongebruikelijk was om bepaalde werkzaamheden die medewerkers voor hen in privé lieten uitvoeren door [bedrijf A] werden voldaan. [verzoeker] kan dan ook niet worden verweten dat hij ook daarvan gebruik heeft gemaakt. In dat kader is dus geen sprake van een tekortkoming aan de zijde van [verzoeker] .

3.14.3.

Daarnaast is de kantonrechter van oordeel dat niet is komen vast te staan dat [verzoeker] tijdens het verrichten van zijn werkzaamheden voor [verweerder] , concurrerende werkzaamheden heeft verricht voor het bedrijf van zijn partner, te weten [bedrijf J] . [verweerder] heeft haar stelling op dit punt, nadat deze gemotiveerd door [verzoeker] is betwist, immers niet nader met feiten onderbouwd. [verweerder] verwijst naar de factuur van [bedrijf J] aan [bedrijf K] en betoogt dat daaruit blijkt dat [verzoeker] gedurende werktijd van [verweerder] veelvuldig klussen voor [bedrijf J] zou hebben verricht (productie 66 bij verweer). Dat blijkt daar naar het oordeel van de kantonrechter niet uit. Zoals hierna zal worden overwogen ten aanzien van de werkzaamheden die door [bedrijf K] werden uitgevoerd en de aan hem gezonden facturen vanuit [bedrijf J] , blijkt voldoende dat [bedrijf J] (onder meer) (plannings)werkzaamheden voor [bedrijf K] verrichte en dat [bedrijf J] daartoe facturen aan [bedrijf K] stuurde. Nergens blijkt uit dat deze facturen zien op werkzaamheden die door [verzoeker] voor [bedrijf J] zijn verricht, laat staan dat [verzoeker] deze werkzaamheden tijdens werktijd zou hebben verricht. Voor zover door [verweerder] is gesteld dat zij geen weet had van de eenmanszaak van de partner van [verzoeker] en dat zij niet wist welke activiteiten zij verrichte, is deze stelling gemotiveerd door [verzoeker] betwist. [verzoeker] heeft toegelicht dat hij [A] heeft ingelicht over het feit dat zijn partner een onderneming had opgericht waarbij het de bedoeling was om (voornamelijk) Poolse ondernemers te begeleiden en ondersteunen bij het vinden van werk/projecten en dat [A] vervolgens heeft verklaard dat hij geen brood zag in deze onderneming en zijn partner veel succes wenste. Het had op de weg van [verweerder] gelegen om haar stelling op dit punt nader te onderbouwen. Nu zij dat niet heeft gedaan, gaat de kantonrechter ervan uit dat [verweerder] op de hoogte was van het bestaan van [bedrijf J] en haar activiteiten.

3.14.4.

Verder verwijt [verweerder] dat [verzoeker] concurrerende werkzaamheden heeft verricht door veelvuldig klussen voor [bedrijf L] te verrichten, tijdens de werktijd van [verzoeker] bij [verweerder] . Zij verwijst daartoe naar de e-mails die [verzoeker] daarover aan [bedrijf L] heeft gestuurd (producties 13, 15, 17, 19, 21, 22, 23, 24 en 26 bij verweer). [verzoeker] heeft verklaard dat [bedrijf L] hem heeft benaderd met de vraag of [bedrijf K] isolatiewerkzaamheden voor hem kon uitvoeren. Die opdracht heeft [verzoeker] vervolgens doorgezet naar en uitbesteed aan [bedrijf K] en [bedrijf J] , omdat [verweerder] niet in die werkzaamheden kon voorzien. [verweerder] verricht immers geen isolatiewerk. Er zijn – aldus [verzoeker] – geen werkzaamheden uitgevoerd waarin door [verweerder] had kunnen worden voorzien. [verzoeker] heeft daarbij zijn e-mailadres van [verweerder] gebruikt, omdat [bedrijf L] hem via dat e-mailadres had benaderd.

De kantonrechter is van oordeel dat [verweerder] haar stelling, gelet op de gemotiveerde betwisting aan de zijde van [verzoeker] , onvoldoende nader heeft toegelicht. Uit de overgelegde e-mails, zoals hiervoor genoemd, blijkt ook niet dat [bedrijf L] via [verzoeker] aan [bedrijf K] opdracht heeft gegeven om andersoortige werkzaamheden te laten verrichten dan isolatiewerkzaamheden. Voorts is niet door [verweerder] betwist dat zij geen isolatiewerkzaamheden uitvoert, zodat dat vast staat. Daarbij komt dat niet door [bedrijf J] aan [bedrijf L] hiervoor een factuur is gestuurd, maar door [bedrijf M] (althans [bedrijf M] ) (productie 18 bij verweer). Niets duidt er derhalve op dat [verzoeker] zelf dan wel via het bedrijf van zijn partner concurrerende werkzaamheden heeft verricht.

3.14.5.

Voor zover door [bedrijf A] is gesteld dat [verzoeker] “onder werktijd” werkzaamheden heeft verricht voor derden dan wel opdrachtgever(s) van [verweerder] , is niet gesteld dat [verzoeker] vaste diensttijden had. Niet gesteld of gebleken is dat partijen afspraken hebben gemaakt over op welke dag tussen welke tijden [verzoeker] de bedongen arbeid diende te verrichten. Niet weersproken is door [verzoeker] gesteld dat hij vaak meer uren voor [verweerder] werkte dan was overeengekomen. [verzoeker] heeft erkend dat hij zijn e-mailadres binnen [verweerder] ook gebruikte om in privé te corresponderen, maar dat deed hij – aldus [verzoeker] – niet regelmatig. Ook dat laatste is onvoldoende gemotiveerd door [verweerder] betwist. [verweerder] heeft slechts enkele e-mails overgelegd, waaruit naar het oordeel van de kantonrechter niet blijkt dat [verzoeker] zeer regelmatig tijdens werktijd met andere zaken bezig was dan met de werkzaamheden die hij voor [verweerder] diende uit te voeren. Voor zover [verweerder] heeft verzocht om in dit kader te worden toegelaten tot nadere bewijslevering, komt de kantonrechter daaraan niet toe. De kantonrechter is van oordeel dat het op de weg van [verweerder] had gelegen om haar stelling reeds eerder in deze procedure nader te onderbouwen. Ook in dat verband kan [verzoeker] dus geen verwijt worden gemaakt en is geen sprake van enige tekortkoming.

[bedrijf K]

3.14.6.

[verweerder] stelt dat [verzoeker] met [bedrijf K] heeft afgesproken dat [verzoeker] voor het uitvoeren van het werk van [bedrijf K] voor [verweerder] de helft van het bruto resultaat ontvangt dat het [bedrijf K] heeft opgeleverd en dat [bedrijf K] voor de uitvoering van deze afspraken facturen ontvangt van [bedrijf J] . Ook in dat kader valt [verzoeker] – aldus [verweerder] – een ernstig verwijt te maken.

[verzoeker] heeft deze stelling gemotiveerd betwist en toegelicht dat [bedrijf K] , vanuit zijn eenmanszaak [bedrijf K] , werkzaamheden voor [verweerder] heeft uitgevoerd en dat [verzoeker] daarbij probeerde om [bedrijf K] voor een zo laag mogelijke prijs te laten werken. Dit was – aldus [verzoeker] – dus enkel in het belang van [verweerder] . Verder heeft [verzoeker] toegelicht dat [bedrijf K] isolatiewerkzaamheden voor [verweerder] verrichte, omdat [verweerder] deze expertise niet zelf had. Voorts heeft [verzoeker] verklaard dat [bedrijf J] enkel facturen aan [bedrijf K] stuurde, omdat [bedrijf J] werkzaamheden (zoals planningswerkzaamheden en het opstellen van overzichten) voor [bedrijf K] verrichte. [bedrijf K] is de Nederlandse taal niet goed machtig en had moeite met het organiseren en plannen van zijn werkzaamheden. [bedrijf J] hielp [bedrijf K] daarbij. [verzoeker] verwijst daartoe naar de e-mails die als productie 62 door [verweerder] zijn overgelegd, waaruit volgens hem blijkt dat zijn partner ( [partner verzoeker] ) de administratie voor [bedrijf K] deed en hem begeleidde. [verzoeker] betwist voorts dat hij, buiten [verweerder] om, geld heeft verdiend aan de werkzaamheden die door [bedrijf K] zijn verricht. De kantonrechter is van oordeel dat [verweerder] haar stelling vervolgens onvoldoende nader heeft onderbouwd. [verweerder] verwijst ter onderbouwing van haar stelling enkel naar de facturen die [bedrijf J] aan [bedrijf K] heeft verzonden. Ten aanzien van de door [bedrijf J] aan [bedrijf K] verzonden facturen (zoals de factuur overgelegd als productie 66 door [verweerder] ), heeft [verzoeker] – zoals hiervoor reeds is overwogen – toegelicht dat [bedrijf J] werkzaamheden voor [bedrijf K] verricht en dat zij daarvoor aan [bedrijf K] facturen verzond. Nergens blijkt uit dat [bedrijf K] een deel van het door hem verdiende geld bij [verweerder] aan [bedrijf J] dan wel aan [verzoeker] moest afdragen.

Dat geldt ook voor de stelling van [verweerder] dat sprake zou zijn van arbeidsuitbuiting. Die stelling is gemotiveerd door [verzoeker] betwist en op geen enkele wijze door [verweerder] onderbouwd. De verklaring van [bedrijf K] , die als productie 27 door [verweerder] is overgelegd, kan naar het oordeel van de kantonrechter ook niet tot een andere conclusie leiden. Door [verzoeker] is onweersproken gesteld dat [bedrijf K] de Nederlandse taal niet goed beheerst, zodat – zonder nadere toelichting die ontbreekt – niet valt in te zien op welke wijze [bedrijf K] deze verklaring heeft kunnen opstellen of op welke wijze deze verklaring anders tot stand is gekomen. Daarnaast wordt zijn verklaring niet door enig andere (bewijs)middel(en) ondersteund.

Vakantie in Oostenrijk

3.14.7.

Door [verweerder] wordt gesteld dat [verzoeker] tijdens zijn ziekte en zonder daarvoor toestemming te vragen op vakantie is gegaan naar Oostenrijk om te skiën. Ook hierdoor zou [verzoeker] ernstig tekort zijn geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen. [verzoeker] heeft verklaard dat hij slechts drie dagen naar Oostenrijk is geweest, te weten van vrijdag tot en met zondag, dat hij enkel daar naartoe is gereisd omdat zijn dochter daar wilde gaan skiën en liever niet alleen daarheen wilde reizen en dat niet hij, maar zijn dochter, heeft gereden. Weliswaar is door [verweerder] toegelicht dat [verzoeker] tegen anderen zou hebben gezegd dat hij een week weg is geweest, maar ook die (blote) stelling heeft [verweerder] niet onderbouwd. Daarnaast is niet gesteld of gebleken dat het [verzoeker] niet was toegestaan om zonder voorafgaande toestemming op vakantie te gaan. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat niet is komen vast te staan dat [verzoeker] ongeoorloofd op vakantie (naar Oostenrijk) is gegaan en is dan ook geen sprake van een tekortkoming aan de zijde van [verzoeker] . Ook is derhalve niet komen vast te staan, zoals door [verweerder] tijdens de mondelinge behandeling is gesteld, dat [verzoeker] hierover aan [verweerder] bewust onjuiste informatie heeft verstrekt.

Pand [adres 1]

3.14.8.

[verweerder] verwijt [verzoeker] verder dat hij in zijn pand aan de [adres 1] in [plaats] een vloer heeft laten leggen en de kosten van die vloer voor rekening van [verweerder] heeft laten komen zonder dat hij daarvoor toestemming van [verweerder] had. [verzoeker] betwist dat hij de vloer heeft laten leggen zonder toestemming van [verweerder] en voert aan dat [A] de toestemming zelf heeft verleend. [verzoeker] verwijst daartoe naar de factuur die volgens hem door [A] is gezien, gecontroleerd, geaccordeerd en betaald.

3.14.9.

Vast staat dat [verzoeker] het bedrijfspand verhuurt aan [bedrijf A] . Verder staat op de facturen ten aanzien van de vloer van het pand aan de [adres 1] in [plaats] (productie 43 en 44 zijdens [verweerder] ) bij het “extern documentnr.” (onder meer) vermeld “^ [initialen verzoeker] ”. Zoals hiervoor reeds is overwogen, gaat de kantonrechter ervan uit dat het binnen [verweerder] niet uitzonderlijk was dat dit soort facturen door [verweerder] , althans [bedrijf A] , werd voldaan en dat de bedragen op die facturen vervolgens in mindering werden gebracht op de aan de werknemer uit te keren bonus. Gelet op de factuur die ten aanzien van deze opdracht is opgesteld met daarop vermeld “^ [initialen verzoeker] ” gaat de kantonrechter ervan uit dat daarvan ook in het geval van het pand aan de [adres 1] in [plaats] sprake was. Daarnaast huurt [verweerder] het pand van [verzoeker] , zodat het ook om die reden niet onaannemelijk is dat [verweerder] de kosten van de aan te leggen vloer heeft willen dragen.

De slotsom is dat is niet komen vast te staan dat [verzoeker] zonder toestemming van [verweerder] de kosten van de vloer in het bedrijfspand aan de [adres 1] in [plaats] voor rekening van [verweerder] heeft laten komen, zodat ook ten aanzien daarvan geen sprake is van een tekortkoming aan de zijde van [verzoeker] .

3.14.10.

Voor zover door [verweerder] is gesteld dat [verzoeker] niet legitiem gebruik heeft gemaakt van zijn machtspositie door aan het toenmalige Hoofd Administratie (aanvulling kantonrechter: [F] ) opdracht te geven om ten behoeve van een hypotheekaanvraag van het pand aan de [adres 1] een arbeidsovereenkomst op te stellen met als datum [datum] 2004, is deze stelling gemotiveerd door [verzoeker] betwist en is door [verzoeker] verklaard dat hij dit heeft gedaan in overleg met [A] . Daarnaast is door [verzoeker] ten aanzien van zijn stelling dat partijen zijn overeengekomen dat [verzoeker] jaarlijks aanspraak maakt op een eindejaarsuitkering van € 100.000,- geen beroep gedaan op deze aangepaste arbeidsovereenkomst, maar op de overeenkomst van 1 januari 2021 (bijlage 4 bij het verzoek). Ook op dit punt valt [verzoeker] derhalve geen verwijt te maken.

[M] en [N]

3.14.11.

[verweerder] verwijt [verzoeker] dat hij een relatie heeft gehad met [M] (hierna: [M] ) en dat hij haar in november 2023 meerdere keren zou hebben bedreigd. [verzoeker] heeft gemotiveerd betwist dat hij een relatie heeft gehad met [M] . Ook betwist [verzoeker] dat hij [M] op enig moment heeft bedreigd. Door [verweerder] is ter onderbouwing van haar stelling een verklaring van [M] overgelegd. [M] verklaart dat zij voor iets langer dan een jaar een relatie met [verzoeker] heeft gehad en dat [verzoeker] haar heeft bedreigd op 7 november 2023, 9 november 2023, 13 november 2023 en op 14 november 2023. Niet is gesteld of gebleken dat [M] aangifte heeft gedaan van bedreiging. Daarnaast wordt de verklaring van [M] niet ondersteund door andere verklaringen of bijvoorbeeld tekstberichten via Whatsapp of anderszins. Door [verweerder] is gesteld dat [N] erbij was toen [M] door [verzoeker] werd bedreigd, maar daartoe is ook geen verklaring overgelegd. [M] heeft daarover enkel verklaard “het tweede dreigement was telefonisch (…) in het bijzijn van een collega van mij”, zonder daarbij een naam te noemen. Gelet op de gemotiveerde betwisting aan de zijde van [verzoeker] , is de kantonrechter van oordeel dat niet is komen vast te staan dat [verzoeker] een relatie heeft gehad met [M] dan wel dat [verzoeker] haar zou hebben bedreigd.

3.14.12.

[verzoeker] erkent dat hij een relatie heeft gehad met [N] . [verweerder] stelt dat [verzoeker] hierdoor ernstig tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen. Niet gesteld of gebleken is echter dat binnen [verweerder] (dan wel [bedrijf A] ) sprake is van enig beleid ten aanzien van het al dan niet mogen aangaan van relaties op de werkvloer. Daarnaast is weliswaar door [verweerder] gesteld dat [N] bang zou zijn voor [verzoeker] en dat zij daarom geen verklaring zou willen afleggen, maar ook die stelling is door [verzoeker] betwist en niet door [verweerder] onderbouwd. Ten aanzien van de stelling dat [verzoeker] [N] zou hebben bedreigd, is tijdens de mondelinge behandeling namens [verweerder] verklaard dat daarvan achteraf toch geen sprake is geweest. Voor zover [verweerder] stelt dat [N] , ondanks dat zij niet door [verzoeker] is bedreigd, wel bang was voor [verzoeker] , is ook die stelling door [verzoeker] betwist en op geen enkele wijze onderbouwd. Dat is dus niet komen vast te staan.

De kantonrechter is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat ook op dit onderdeel geen sprake is van enige tekortkoming aan de zijde van [verzoeker] .

Niet verrichten werkzaamheden en ontbreken bereidheid daartoe

3.14.13.

[verweerder] stelt dat [verzoeker] zijn zakelijke e-mailadres heeft gebruikt voor zijn activiteiten vanuit de onderneming van zijn partner, [bedrijf J] , en/of [bedrijf M] / [bedrijf M] (zijnde de onderneming van [bedrijf K] ). Dat is – aldus [verweerder] – vanzelfsprekend niet toegestaan. Ook zouden de e-mails van [verzoeker] het “machtsmisbruik” van [verzoeker] onderstrepen en is daarmee volgens [verweerder] aangetoond dat [verzoeker] tijdens werktijd niet werkt voor [verweerder] , maar voor andere vennootschappen. [verzoeker] wordt voorts verweten dat [verzoeker] een medewerker van [verweerder] heeft ingezet voor werkzaamheden van [bedrijf J] . Zij verwijst daartoe naar de e-mail van een van de medewerkers van [bedrijf A] aan [verzoeker] van 15 maart 2023 (productie 19 bij het verweer).

De kantonrechter is van oordeel dat, nu ook deze stelling gemotiveerd door [verzoeker] is betwist, [verweerder] haar stelling onvoldoende (nader) heeft onderbouwd. [verzoeker] heeft erkend dat hij zijn e-mailadres binnen [verweerder] sporadisch gebruikte om een opdracht door te zetten aan [bedrijf J] of aan [bedrijf K] . Dat wil echter niet zeggen dat [verzoeker] daarmee “tijdens werktijd”, zoals hiervoor reeds is overwogen, werkzaamheden heeft verricht voor [bedrijf J] en/of [bedrijf K] dan wel dat hij op de momenten dat hij voor [verweerder] diende te werken, dat niet deed. Ook de stelling van [verweerder] dat sprake zou zijn van “machtsmisbruik” is door [verzoeker] betwist en op geen enkele wijze door [verweerder] onderbouwd. De kantonrechter vindt dan ook dat [verzoeker] ook in dat kader niet tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen.

Conclusie

3.15.

Al het vorenstaande leidt tot de conclusie dat niet is komen vast te staan dat [verzoeker] (ernstig) tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst. De arbeidsovereenkomst met [verzoeker] kan dan ook niet worden ontbonden wegens wanprestatie.

Subsidiair: verwijtbaar handelen of nalaten

3.16.

Subsidiair verzoekt [verweerder] de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] te ontbinden wegens verwijtbaar handelen of nalaten (artikel 7:669 lid 3 sub e BW). Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat niet is komen vast te staan dat [verzoeker] enig verwijt valt te maken. Dat betekent dat ook niet is komen vast te staan dat sprake is van verwijtbaar handelen of nalaten, zodanig dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De kantonrechter zal dit verzoek derhalve afwijzen.

Meer subsidiair: ongeschiktheid tot het verrichten van de bedongen arbeid

3.17.

Meer subsidiair stelt [verweerder] dat sprake is van disfunctioneren, waartoe zij verwijst naar de feiten en omstandigheden die zij ook aan haar verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van wanprestatie ten grondslag heeft gelegd. [verzoeker] betwist dat hij zou disfunctioneren en stelt nimmer door [verweerder] te zijn aangesproken op zijn functioneren. De stelling van [A] is vervolgens niet door [verweerder] onderbouwd. Voorts is niet gesteld of gebleken dat aan [verzoeker] enig verbetertraject is aangeboden. Voor zover door [verweerder] is gesteld dat in dit geval sprake is van dusdanig ernstige vorm van disfunctioneren, zodat een verbetertraject in dit geval niet op zijn plaats was, is ook die stelling op geen enkele wijze onderbouwd. Indien [verweerder] heeft bedoeld terug te verwijzen naar de stellingen die zij heeft ingenomen omtrent het (ernstig) tekortschieten van [verzoeker] in de nakoming van zijn verplichtingen uit de overeenkomst, heeft de kantonrechter hiervoor reeds overwogen dat daarvan geen sprake is. Dit verzoek ligt derhalve voor afwijzing gereed.

Nog meer subsidiair: verstoorde arbeidsverhouding

3.18.

Nog meer subsidiair verzoekt [verweerder] de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] te ontbinden, omdat volgens haar sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding.

De kantonrechter is van oordeel dat door [verweerder] aan de kant van [verzoeker] ernstige verwijten zijn gemaakt die, zoals hiervoor is overwogen, niet zijn komen vast te staan. Weliswaar kan dit ertoe hebben geleid dat de arbeidsverhouding tussen [verzoeker] en [verweerder] enigszins verstoord is geraakt en dat het voor vooral [verzoeker] lastig zal zijn om op de werkvloer terug te keren, maar dit maakt niet dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding die zodanig is dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. [verweerder] heeft er immers zelf voor gekozen om [verzoeker] , kort nadat hij zich ziek had gemeld, een uitgebreide brief te sturen en in die brief allerlei verwijten aan zijn adres te maken. Ook is in die brief reeds aan [verzoeker] meegedeeld dat [verweerder] afscheid van [verzoeker] wenste te nemen. Dat de verhoudingen tussen partijen hierdoor enigszins zijn verstard, is enkel te wijten aan het handelen van [verweerder] zelf. Naar het oordeel van de kantonrechter is voldoende gebleken dat [verzoeker] , ondanks zijn ziekte, zoveel als mogelijk heeft geprobeerd om antwoord te geven op de vragen van [verweerder] en uitleg te geven over de (onnodig) gemaakte verwijten aan zijn adres. Daar komt bij dat [verweerder] om haar moverende redenen ervoor heeft gekozen om van aanvang af geen enkel gesprek met [verzoeker] zelf te voeren, respectievelijk daarbij aanwezig te zijn. Zij heeft zonder uitzondering alle gespreken overgelaten aan haar gemachtigde, althans de strategisch alliantiepartner van deze gemachtigde. Evenmin is geprobeerd om met [verzoeker] in gesprek te gaan onder begeleiding van een derde, bijvoorbeeld via mediation. Het bovenstaande in aanmerking nemende is niet komen vast te staan dat sprake is van een dusdanig verstoorde arbeidsverhouding dat dit moet leiden tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Daarbij neemt de kantonrechter ook mee dat [verzoeker] heeft verklaard dat hij graag wenst terug te keren binnen [verweerder] . Ook dit verzoek ligt dus voor afwijzing gereed.

Meest subsidiair: andere omstandigheden

3.19.

[verweerder] verzoekt de arbeidsovereenkomst, meer subsidiair, te ontbinden omdat sprake is van andere omstandigheden die zodanig zijn dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Voor een geslaagd beroep op deze zogenaamde ‘h-grond’ moet volgens de Memorie van Toelichting sprake zijn van bijvoorbeeld een situatie van detentie, illegaliteit of het niet beschikken over een tewerkstellingsvergunning. De h-grond is niet bedoeld voor het repareren van een op één van de andere gronden onvoldoende onderbouwd ontslag of voor het ‘bij elkaar vegen’ van meerdere onvoldragen gronden, om samen een voldragen grond te vormen. De feiten en omstandigheden die [verweerder] voor haar beroep op deze ontslaggrond aanvoert, zijn dezelfde als die zij met betrekking tot de hiervoor besproken grondslagen heeft aangevoerd. Er is geen sprake van ‘andere omstandigheden’, maar van een ‘reparatie’ dan wel ‘bij elkaar vegen’. De verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst kan alleen daarom al niet op deze grond worden toegewezen.

Uiterst subsidiair: de cumulatiegrond

3.20.

Nu de kantonrechter hiervoor tot het oordeel is gekomen dat er geen feiten en omstandigheden zijn die kunnen leiden tot de conclusie dat sprake is van een grond om de arbeidsovereenkomst te ontbinden, faalt ook het beroep op een combinatie van omstandigheden in twee of meer gronden als bedoeld in de onderdelen c tot en met e, g en h.

Conclusie

3.21.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de kantonrechter van oordeel dat er geen redelijke grond is voor ontbinding. De conclusie is dan ook dat het verzoek van [verweerder] tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst voor afwijzing gereed ligt. Dat betekent ook dat het verzoek om het einde van de arbeidsovereenkomst te bepalen op de eerst mogelijke datum en het verzoek om te bepalen dat aan [verzoeker] geen transitievergoeding en/of een billijke vergoeding toekomt, zal worden afgewezen.

Loondoorbetaling

3.22.

Nu de arbeidsovereenkomst tussen partijen voortduurt, is [verweerder] gehouden om het loon aan [verzoeker] (door) te betalen. Het verzoek van [verzoeker] daartoe, zal bij eindbeschikking dan ook worden toegewezen. Omdat [verweerder] het loon niet tijdig aan [verzoeker] heeft voldaan, heeft [verzoeker] – nu dit niet-voldoen aan [verweerder] is toe te rekenen – aanspraak op een verhoging wegens vertraging. Door [verweerder] is weliswaar aangevoerd dat [verzoeker] geen aanspraak kan maken op de wettelijke verhoging omdat sprake was van een discussie over de vraag of het ontslag op staande voet al dan niet rechtsgeldig was gegeven, maar naar het oordeel van de kantonrechter komen die omstandigheden voor rekening en risico van [verweerder] . Voorts is door [verweerder] geen beroep op matiging gedaan, zodat de kantonrechter het verzoek (bij eindbeschikking) zal toewijzen. Dat geldt ook voor het verzoek tot betaling van de wettelijke rente vanaf de dag van opeisbaarheid tot de dag van algehele voldoening. Voor zover door [verweerder] tijdens de mondelinge behandeling is aangevoerd dat geen aanspraak kan worden gemaakt op zowel de wettelijke verhoging als de wettelijke rente, overweegt de kantonrechter als volgt. De kantonrechter zal de wettelijke rente bij eindbeschikking toewijzen onder de voorwaarde dat [verzoeker] niet alsnog aanspraak maakt op vergoeding van de wettelijke rente over de periode tot aan de beslissing over de verhoging, om op die wijze een onredelijke cumulatie van de wettelijke verhoging met de wettelijke rente te voorkomen (vgl. HR 13 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:304).

Werkelijke schade

3.23.

Voorts verzoekt [verweerder] om te bepalen dat [verzoeker] de werkelijke schade aan [verweerder] is verschuldigd, die zij heeft geleden als gevolg van de tekortkoming in de nakoming van de arbeidsovereenkomst, op te maken bij staat. Nu de kantonrechter hiervoor tot de conclusie is gekomen dat geen sprake is van een (ernstige) tekortkoming aan de zijde van [verzoeker] , ligt dit verzoek voor afwijzing gereed.

Inzage in de e-mailbox en de kosten daarvan

3.24.

[verweerder] heeft verzocht om te bepalen dat [verzoeker] aan [verweerder] inzage dient te verstrekken in zijn e-mailbox. De kantonrechter is van oordeel dat, gelet op de hiervoor getrokken conclusie dat aan [verzoeker] geen (ernstig) verwijt valt te maken, [verweerder] geen belang (meer) heeft bij haar verzoek tot inzage. De kantonrechter had enkel tot toewijzing van dit verzoek kunnen komen, als de kantonrechter hiervoor tot het oordeel was gekomen dat [verweerder] in de gelegenheid gesteld zou moeten worden om bewijs te leveren van haar stelling dat [verzoeker] zonder toestemming van [verweerder] nevenwerkzaamheden zou hebben verricht of andersoortige werkzaamheden ten behoeve van het bedrijf van zijn partner of een ander bedrijf. Zoals hiervoor daarover reeds is overwogen, is daartoe door [verweerder] onvoldoende gesteld, zodat aan bewijslevering niet kan worden toegekomen. Dit verzoek ligt dan ook voor afwijzing gereed. Dat geldt ook voor het verzoek om [verzoeker] te veroordelen in de kosten van het onderzoek naar zijn e-mailbox.

Voor het overige

3.25.

Nu aan [verweerder] in de zaak van het verzoek wordt opgedragen om tegenbewijs te leveren, houdt de kantonrechter ook iedere beslissing in de zaak van het tegenverzoek aan.

4 De beslissing

De kantonrechter:

in de zaak van het verzoek

4.1.

draagt [verweerder] op om bewijs te leveren van het tegendeel van de voorshands bewezen stelling van [verzoeker] dat [verweerder] op 1 januari 2021 met hem heeft afgesproken dat aan [verzoeker] jaarlijks een vaste eindejaarsuitkering van € 100.000,- zal worden uitgekeerd;

4.2.

bepaalt dat [verweerder] zich uiterlijk op 9 juli 2024 dient uit te laten over of zij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel;

4.3.

bepaalt dat [verweerder] , indien zij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, die stukken direct in het geding moet brengen;

4.4.

bepaalt dat [verweerder] , indien zij getuigen wil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun gemachtigden in de maanden oktober tot en met december 2024 direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald;

4.5.

houdt iedere verdere beslissing aan;

in de zaak van het tegenverzoek

4.6.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gewezen door mr. J.A.M. van den Berk, kantonrechter, en op 25 juni 2024 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De gegevens worden opgehaald

Hulp bij zoeken

Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over:

Selectiecriteria

De Rechtspraak, Hoge Raad der Nederlanden en Raad van State publiceren uitspraken op basis van selectiecriteria:

  • Uitspraken zaken meervoudige kamers
  • Uitspraken Hoge Raad en appelcolleges
  • Uitspraken met media-aandacht
  • Uitspraken in strafzaken
  • Europees recht
  • Richtinggevende uitspraken
  • Wraking

Weekoverzicht

Selecteer een week en bekijk welke uitspraken er in die week aan het uitsprakenregister zijn toegevoegd.