vonnis
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team kanton en handelsrecht
zaaknummer / rolnummer: C/08/261111 / KG ZA 21-25
Vonnis in kort geding van 25 maart 2021
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[X]
,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
advocaat mr. P.J.G. van der Donck te Maarn,
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[D]
, voorheen [B] , en daarvóór [D], alle geregistreerd onder KvK-nummer 05054528,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat mr. V. van Dijken te Harderwijk.
Partijen zullen hierna [X] en [A] genoemd worden.
2 De feiten
2.1.
Zowel [X] als [A] exploiteren in [vestigingsplaats] een bedrijf op het gebied van bouwen.
2.2.
Bij de activiteiten van [X] ligt de nadruk op puur projectmatige woningbouw met het gehele ontwikkeltraject en bij de activiteiten van [A] op utiliteitsbouw en woningbouw.
2.3.
[X] is als besloten vennootschap opgericht op 21 november 1973, toentertijd onder de naam ‘ [Y] .
[X] staat thans in het handelsregister onder KvK-nummer 05054591 ingeschreven met als eerste inschrijving op 26 september 1994. Uit het handelsregister blijkt een wijziging van de handelsnaam in november 1994 in ‘ [Z] ’ en sinds januari 2019 met de handelsnaam ‘ [X] . Als startdatum van de onderneming is vermeld 01-1921.
2.4.
[A] is als besloten vennootschap opgericht op 3 november 1977 met de naam ‘ [D] ’. Sinds januari 2021 staat [A] in het handelsregister ingeschreven met als statutaire naam ‘ [D] ’ en met als handelsnamen ‘ [E] ’ en ‘ [F] ’. Daarvóór stond [A] ingeschreven met de handelsnaam “ [D] ”. Als startdatum van de onderneming is vermeld 01-1920.
2.5.
[A] gebruikt sinds 2 januari 2021 een nieuw logo, zoals afgebeeld onder 3.1 bij de vordering sub 4.
2.6.
[X] hanteert het logo, zoals afgebeeld onder 3.1 bij de vordering sub 4.
2.7.
[X] heeft de volgende domeinnamen als de hare genoemd: [webadres 1] , [webadres 2] , [webadres 3] en [webadres 4] .
Op 9 juni 2011 is SIDN geregistreerd [webadres 5] .
2.8.
[A] heeft als haar domeinnamen genoemd:
- SIDN-geregistreerd op 3 augustus 1998: [webadres 6]
- idem op 9 november 2005: [webadres 7] ;
- idem op 13 november 2019: [webadres 8] .
De website van [A] is sinds 1 januari 2021 bereikbaar met de domeinnaam [webadres 7] .
2.9.
Bij brief van 13 januari 2021 heeft [X] [A] aangeschreven en haar verzocht te bevestigen dat zij zich zal onthouden van het gebruik dan wel registratie van enige handelsnaam of domeinnaam, waar een combinatie van de woorden [naam] , bouw of ontwikkeling of een vervoeging daarvan deel uitmaakt.
2.10.
[A] heeft begin februari 2021 aanvragen gedaan om het beeldmerk met woordelementen [E] en het woordmerk [E] in het Benelux merkenregister op te nemen.
3. Het geschil
3.1.
[X] vordert na de laatste eiswijziging bij pleitnota samengevat - om [A] :
-
te bevelen om binnen vijf werkdagen na dit vonnis te staken en gestaakt te houden ieder gebruik van de handelsnamen “ [E] ” en “ [B] ” alsmede (van) ieder gebruik van een handelsnaam, domeinnaam of ander onderscheidingsteken waarvan [E] , ongeacht schrijfwijze, deel uitmaakt, alsmede (van) ieder gebruik van een handelsnaam, domeinnaam of ander onderscheidingsteken met het enkele element [naam] of waarin het element “ [naam] ” wordt gecombineerd met de elementen “bouw” en/of “ontwikkeling”, ongeacht schrijfwijze van de elementen;
-
te gebieden de domeinnaam [webadres 7] binnen vijf werkdagen na dit vonnis kosteloos aan [X] over te dragen door middel van het doen toekomen van de verhuistokens;
-
te verbieden om (opnieuw) domeinnamen met de handelsnaam “ [E] ”, “ [E] ” of daarmee overeenstemmende domein- en handelsnamen, te (laten) registreren;
-
te gebieden om binnen vijf werkdagen na dit vonnis te staken en gestaakt te houden
ieder gebruik van haar huidige logo:
alsmede van andere logo’s die inbreuk maken op het auteursrecht op het logo van [X] :
5. te veroordelen om aan [X] een dwangsom te betalen van € 10.000,00 voor iedere overtreding van een bevel c.q. gebod of verbod als bedoeld onder 1, 2, 3 en 4, vermeerderd met een dwangsom van € 1.000,00 per dag(deel) dat de overtreding voortduurt, tot een maximum van € 300.000,00;
(geen randnummer 6, vzr.)
7. ( (nr. 8 van het petitum)
te veroordelen in de proceskosten ex artikel 1019h van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en de nakosten, met wettelijke rente.
Voorts vordert [X] :
8. ( (nr. 7 van het petitum)
om de termijn ex artikel 1019i Rv te stellen op 6 maanden na de datum waarop dit vonnis in kracht van gewijsde is gegaan.
3.2.
[A] voert verweer en vordert:
I. om de termijn ex artikel 1019i Rv te bepalen op 6 maanden na de datum van het te wijzen vonnis;
II. [X] te veroordelen in de proceskosten inclusief de ex artikel 1019h Rv gevorderde kosten.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
5 De beoordeling
In conventie en reconventie
5.1.
Het spoedeisend belang volgt uit de aard van de vordering.
5.2.
Partijen hebben zich over en weer op het standpunt gesteld dat zij de oudste rechten hebben op hun handelsnaam. [X] vordert in conventie kort gezegd een verbod op ieder gebruik van de handelsnaam waarin het element [naam] wordt gecombineerd met de elementen ‘bouw’ en/of ‘ontwikkeling’.
[A] vordert in reconventie een verbod op ieder gebruik van de termen [term 1] , [term 2] en [term 3] en/of [term 4] afzonderlijk, gezamenlijk dan wel in combinatie mate andere termen en tekens.
5.3.
Beide partijen hebben in deze procedure een beroep gedaan op artikel 5 Handelsnaamwet (Hnw). Op grond van artikel 5 Hnw mag iemand zijn onderneming niet drijven onder een naam die reeds door een ander rechtmatig gevoerd wordt, of daarvan slechts in geringe mate afwijkt, voor zover daardoor bij het publiek verwarring te duchten is. Of daarvan sprake is hangt af van de omstandigheden van het geval.
5.4.
Bij de beoordeling van het verwarringsgevaar gaat het er om of het relevante publiek de betrokken ondernemingen met elkaar dreigt te verwarren of te associëren. Tussen partijen is niet in geschil dat momenteel verwarringsgevaar bestaat, zodat de voorzieningenrechter dat als uitgangspunt zal nemen. Waar [X] betoogt dat deze verwarring is ontstaan na de naamswijziging van [A] in 2021, stelt [A] zich op het standpunt dat de eerdere naamswijzigingen door [X] de verwarring hebben veroorzaakt. Partijen verschillen dus van mening aan welke naamswijziging het verwarringsgevaar is toe te rekenen.
5.5.
Beoordeeld dient te worden welke handelsnaam voor bescherming in aanmerking komt. Daarvoor is van belang wie de handelsnaam als eerste voerde. Aangezien de handelsnamen van partijen beide bestaan uit een beschrijvend deel en een onderscheidend deel is doorslaggevend wie als eerste rechtmatig gebruik heeft gemaakt van het onderscheidende deel. Daarover overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
5.6.
Beide bedrijven voeren aan dat zij meer dan 100 jaar bestaan en ook dat zij vanaf het begin de handelsnaam met daarin [naam] gebruiken.
[X] heeft ten aanzien van het gebruik van haar handelsnaam in het verleden onder meer notariële akten in het geding gebracht. Daaruit kan worden afgeleid dat zij vanaf 1921 de vennootschap heeft gedreven onder de [bedrijfsnaam 1] en vanaf 1973 onder de naam [bedrijfsnaam 2] . [A] heeft dit niet betwist.
heeft ten aanzien van het eerste gebruik van haar eigen handelsnaam aangevoerd dat de onderneming vóór 1977 werd gedreven als eenmanszaak van [naam oprichter] . Deze eenmanszaak is volgens haar bij de oprichting van de besloten vennootschap in 1977 ingebracht in de besloten vennootschap [D] . [A] heeft geen stukken in het geding gebracht die het gestelde gebruik van [naam] vanaf 1920 onderbouwen. [X] heeft de aanvang van het gestelde handelsnaamgebruik betwist door te wijzen op de geboortedatum van [naam oprichter] te weten [1937] . [A] heeft dit niet weersproken en haar stellingen evenmin nader toegelicht.
5.7.
Daargelaten dat het voorgaande tot het voorshandse oordeel zou kunnen leiden dat [X] aannemelijk heeft gemaakt dat zij de oudste rechten heeft op het gebruik van [naam] , biedt het voorgaande voldoende aanknopingspunten om er van uit te gaan dat partijen in het verleden – in ieder geval vanaf 1977 – in hun handelsnaam [naam] hebben gecombineerd met voorletters. [X] met de [voorletter] en [A] met de [voorletters]
5.8.
Uit hetgeen partijen hebben aangevoerd kan vervolgens worden afgeleid dat [X] in december 1994 door middel van een inschrijving in het handelsregister haar naam heeft gewijzigd in ‘ [Z] ’. Hoewel met de inschrijving nog niet vast staat dat deze naam als handelsnaam werd gevoerd kan daarin wel een aanwijzing voor gebruik worden gevonden. Nu door [A] niet (gemotiveerd) is weersproken dat [X] deze naam ook daadwerkelijk heeft gevoerd acht de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk dat [X] als eerste de [naam] als zelfstandig element in haar handelsnaam heeft gebruikt. Gesteld noch gebleken is dat [A] op enig moment bezwaar heeft gemaakt tegen het loskoppelen van de [naam] en de [voorletter] . Verder is over dreigend verwarringsgevaar in al die jaren niets gesteld en is daarvan ook anderszins niet gebleken. Zoals partijen ter zitting hebben verklaard hebben zij in de jaren tussen 1994 en 2019 immers zonder noemenswaardige problemen naast elkaar kunnen bestaan. Dit leidt tot het oordeel dat voldoende aannemelijk is dat [X] sinds 1994 rechtmatig gebruikt maakt van voormelde naam en daarmee van het zelfstandige element [naam] in combinatie met projectontwikkeling en/of bouwbedrijf.
5.9.
Ten aanzien van het handelsnaamgebruik door [X] sinds 2019 heeft [A] zich op het standpunt gesteld dat dit gebruik inbreuk maakt op haar oorspronkelijke handelsnamen en domeinnamen. Zij voert aan dat [X] i) door de wijziging van haar handelsnaam in ‘ [X] , ii) door de [naam] eenzijdig naar zich toe te trekken en iii) door haar handelsnaam(gebruik) zodanig te veralgemeniseren en vereenvoudigen naar het uitsluitende gebruik in het handelsverkeer van ‘ [term 1] ’, ‘ [term 2] ’ en [term 4] , inbreuk heeft gemaakt op haar rechtmatig gebruik van haar handelsnaam. Volgens [A] wekt dit handelen van [X] verwarring bij het publiek en is dit onrechtmatig jegens [A] . Zij vordert in reconventie op grond van artikel 5 Hnw een verbod op het gebruik van ‘ [term 3] ’, ‘ [term 1] ’, ‘ [term 2] ’ en [term 4] .
5.10.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat [A] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat [X] met het gebruik van ‘ [term 3] ’, ‘ [term 1] ’, ‘ [term 2] ’ en [term 4] inbreuk heeft gemaakt op de oorspronkelijke en in 2019 geldende handelsnamen van [A] ( [D] en [A] ).
Daarvoor is ten eerste van belang dat – gelet op de overwegingen in r.o. 5.8 – tot uitgangspunt wordt genomen dat [X] sinds december 1994 haar handelsnaam ‘ [Z] ’ rechtmatig voert en als eerste rechtmatig gebruik maakte van het onderscheidende onderdeel ‘ [naam] ’ als zelfstandig element. De handelsnaam ‘ [X] ligt in het verlengde van voormelde naam. De enkele wijziging in de beschrijvende onderdelen, te weten de vervanging van ‘projectontwikkeling en bouwbedrijf’ door ‘ [X] ’ kan er niet toe leiden dat [X] niet langer het gebruik van [naam] toekomt. [A] heeft geen bewijs geleverd van haar stelling dat zij over de oudste rechten beschikt en heeft bovendien onvoldoende onderbouwd dat ten gevolge van de naamwijziging door [X] verwarringsgevaar is ontstaan.
Hoewel in de onderhavige zaak enig verwarringsgevaar door de overlappende activiteiten, de plaats van vestiging en het gebruik van [naam] redelijkerwijs niet geheel kan worden voorkomen, kan niet worden vastgesteld dat het verwarringsgevaar door de wijziging van de handelsnaam in aanzienlijke mate is vergroot. Gelet op het decennialange probleemloze naast elkaar bestaan van beide bedrijven wordt het er voor gehouden dat de bedrijven, door het gebruik van de voorletters en het gebruik van de gele kleur in het logo van [A] (die haar de bijnaam “de gele [naam] ” heeft opgeleverd), al die jaren voldoende van elkaar konden worden onderscheiden. Niet valt in te zien dat de naamwijziging door [X] daarin verandering heeft gebracht. Ook daarvóór werd door [X] immers de [naam] in combinatie met ‘bouw’ gebruikt. Het voorgaande leidt in dit kort geding tot het voorlopig oordeel dat de wijziging in 2019 van de handelsnaam in ‘ [X] ’ niet wordt aangemerkt als een inbreuk op de oorspronkelijke handelsnaam van [A] en [B] .
5.11.
De stelling van [A] dat zij vanaf 2005 de domeinnaam [webadres 7] heeft gebruikt leidt niet tot een ander oordeel nu onvoldoende is gebleken dat deze domeinnaam is gebruikt als handelsnaam. Het registreren van een domeinnaam en het doorlinken naar een website onder een andere naam volstaat daartoe immers niet.
5.12.
Het verweer van [A] dat [X] geen gebruik maakt van haar nieuwe handelsnaam ‘ [X] ’ en zich in plaats daarvan enkel zou bedienen van de namen ‘ [naam] ’ en ‘ [term 2] ’ faalt ook. Ter zitting heeft [X] dit standpunt weerlegd. Zij heeft voldoende stukken in het geding gebracht waaruit kan worden afgeleid dat de naam [term 3] wel degelijk door haar wordt gebruikt.
5.13.
Gelet op het voorgaande zullen de vorderingen in reconventie worden afgewezen.
5.14.
In conventie heeft [X] betoogd dat [A] met de wijziging van de handelsnaam in januari 2021 in ‘ [B] ’ inbreuk maakt op haar handelsnaam. Ook [X] doet daarbij een beroep op artikel 5 Hnw.
5.15.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen wordt [X] aangemerkt als de rechtmatige gebruiker van haar handelsnaam. [A] heeft haar handelsnaam gewijzigd door de [naam] niet langer te combineren met de [voorletters] en aan de [naam] het woord ‘bouw’ toe te voegen. Met deze wijziging bestaan de handelsnamen van beide partijen uit de [naam] en het beschrijvende onderdeel ‘bouw’. Nu aannemelijk is geworden dat [X] als eerste de [naam] als zelfstandig element is gaan voeren heeft zij een ouder recht op het gebruik daarvan dan [A] . Daarnaast heeft [X] voldoende onderbouwd dat na de wijziging van de handelsnaam door [A] het verwarringsgevaar is toegenomen. Waar voorheen de [voorletters] nog voor een onderscheid zorgden, ontbreekt dit onderscheid na de naamswijziging. De feitelijke gevallen van verwarring die [X] in het geding heeft gebracht ondersteunen die conclusie.
5.16.
De vordering in conventie tot het staken van het gebruik van de handelsnamen ‘ [E] ’, ‘ [B] ’ en iedere handelsnaam waarin het element [naam] wordt gecombineerd met de elementen ‘bouw’ en/of ‘ontwikkeling’ zal gelet op het voorgaande worden toegewezen.
5.17.
[X] heeft ook gevorderd het gebruik van de domeinnaam [webadres 7] te verbieden. Nu niet in geschil is dat deze domeinnaam sinds januari 2021 wordt gebruikt om door te linken naar de actieve website met dezelfde naam [E] , is aannemelijk dat deze wordt gebruikt als handelsnaam. Gelet op hetgeen hiervoor over de handelsnaam is overwogen en gelet op de overeenstemming tussen handelsnaam en domeinnaam kan ook door het gebruik van de domeinnaam eenvoudig verwarring ontstaan. In vervolg op het verbod ten aanzien van de gevoerde handelsnamen zal het gebruik van de domeinnaam [webadres 7] daarom worden verboden. De vordering tot het overdragen van deze domeinnaam is niet weersproken en zal eveneens worden toegewezen.
5.18.
Het gevorderde verbod om het gebruik van het nieuwe logo te staken zal worden afgewezen. Met partijen is de voorzieningenrechter van oordeel dat beide logo’s een werk betreffen in de zin van artikel 10 Auteurswet (Aw). Anders dan [X] acht de voorzieningenrechter de visuele totaalindruk van beide logo’s dermate verschillend dat naar haar oordeel geen sprake is van een auteursrechtinbreuk. Daarbij wordt met name de vorm en het kleurgebruik van de logo’s in aanmerking genomen. Het logo van [X] bestaat uit twee over een verticale witte strook gespiegelde eendimensionale helften met één roze kleur tegen een niet omkaderde witte achtergrond. In een bouwkundige context zouden de twee helften elk als een huis met lessenaarsdak kunnen worden gezien en/of bij samenvoeging van de twee helften zonder scheiding zou hierin een voorgevel van een huis kunnen worden gezien zoals een kind dat zou tekenen (recht opgaande zijgevels met vanuit de hoeken schuin naar elkaar oplopende daklijnen). Het logo van [A] heeft een vierkant achtergrondkader met opvulling in okergele kleur, tegen welke achtergrond met een donkergroene kleur vier blokjes zijn weergegeven. In samenhang wekken deze blokjes de indruk van een toren met aanbouw in perspectief gezien, ofwel een gebouw met plat afgedekte daken. Voor zover al een gemeenschappelijk element zou hebben te gelden, zou dat enkel de verticale doorsnijdende lijn (in de kleur van de achtergrond) kunnen zijn. De voorzieningenrechter ziet daarin evenwel onvoldoende reden om het logo van [A] als een verveelvoudiging of openbaarmaking van het logo van [X] te zien. Dat leidt ertoe dat de vordering zal worden afgewezen.
5.19.
[A] zal als de in conventie grotendeels en in reconventie volledig in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Bij de vaststelling van de redelijke en evenredige kosten ex artikel 1019h Rv gaat de voorzieningenrechter uit van de Indicatietarieven in IE-zaken. Bij deze zaak past het indicatietarief voor een normaal IE-kort geding van maximaal € 15.000,00. Aangezien in deze zaak de procedure in conventie en de procedure in reconventie volledig met elkaar samenhangen, geldt, conform het uitgangspunt van de indicatietarieven, het toepasselijke indicatietarief voor de conventie en reconventie tezamen.
De kosten aan de zijde van [X] worden daarmee begroot op:
- dagvaarding € 95,03
- griffierecht - 667,00
- salaris advocaat - 15.000,00
Totaal € 15.762,03
5.20.
De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.
6 De beslissing
De voorzieningenrechter
6.1.
wijst de vorderingen af.
in conventie
6.2.
beveelt [A] om binnen vijf werkdagen na betekening van dit vonnis te staken en gestaakt te houden ieder gebruik van de handelsnamen “ [E] ” en “ [B] ” alsmede (van) ieder gebruik van een handelsnaam, domeinnaam of ander onderscheidingsteken waarvan [E] , ongeacht schrijfwijze, deel uitmaakt, alsmede (van) ieder gebruik van een handelsnaam, domeinnaam of ander onderscheidingsteken met het enkele element [naam] of waarin het element “ [term 1] ” wordt gecombineerd met de elementen “bouw” en/of “ontwikkeling”, ongeacht schrijfwijze van de elementen;
6.3.
gebiedt [A] de domeinnaam [webadres 7] binnen vijf werkdagen na dit vonnis kosteloos aan [X] over te dragen door middel van het doen toekomen van de verhuistokens;
6.4.
verbiedt [A] om (opnieuw) domeinnamen met de handelsnaam “ [E] ”, “ [E] ” of daarmee overeenstemmende domein- en handelsnamen, te (laten) registreren;
6.5.
veroordeelt [A] om na ommekomst van de voornoemde termijn van vijf werkdagen na betekening van dit vonnis aan [X] een dwangsom te betalen van € 10.000,00 voor iedere overtreding van een bevel c.q. gebod of verbod als hiervoor bedoeld onder 6.2, 6.3. en 6.4, vermeerderd met een dwangsom van € 1.000,00 per dag dat de overtreding voortduurt, tot een maximum van € 300.000,00;
6.6.
veroordeelt [A] in de proceskosten, aan de zijde van [X] tot op heden begroot op € 15.762,03, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de dag van volledige voldoening,
6.7.
veroordeelt [A] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 255,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [A] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de dag van volledige voldoening,
6.8.
bepaalt de termijn voor het instellen van de eis in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 1019i Rv op zes maanden na de datum waarop dit vonnis in kracht van gewijsde is gegaan,
6.9.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.10.
wijst het in conventie meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.N. Bartels en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2021.