RECHTBANK
OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 10989582 \ CV EXPL 24-1073
[eiser]
,
te [woonplaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: ARAG SE Rechtsbijstand,
[gedaagde] B.V.,
te [vestigingsplaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: R. van de Weide.
3 Het geschil
3.1.
[eiser] vordert – samengevat – dat [gedaagde] wordt veroordeeld om aan hem een bedrag van € 3.123,21 en de wettelijke verhoging uit artikel 7:625 van het Burgerlijk Wetboek (BW) over een bedrag van € 2.912,93 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten. Daarnaast vordert [eiser] dat [gedaagde] wordt veroordeeld om aan [eiser] een deugdelijke bruto/netto eindafrekening (conform artikel 7:626 BW) te verstrekken, op straffe van een dwangsom.
3.2.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser].
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4 De beoordeling
[gedaagde] B.V. of [bedrijf] B.V.?
4.1.
Partijen zijn het erover eens dat [eiser] op 10 mei 2021 bij [gedaagde] ([gedaagde] B.V.) in dienst is getreden. [eiser] stelt dat hij daar heeft gewerkt tot het moment waarop hij op eigen initiatief uit dienst is getreden op 1 september 2023.
4.2.
[gedaagde] voert het verweer dat [eiser] de verkeerde B.V. heeft gedagvaard en stelt daartoe dat [eiser] op 1 december 2022 in dienst is getreden bij [bedrijf] B.V. en dat dat dienstverband is geëindigd in april 2023. [eiser] heeft in repliek het verweer van [gedaagde] weersproken. [gedaagde] heeft – hoewel zij daartoe door de kantonrechter wel in de gelegenheid is gesteld,niet gereageerd op de conclusie van repliek. Het had wel op de weg van [gedaagde] had gelegen om nader toe te lichten wanneer de arbeidsovereenkomst met [gedaagde] ([gedaagde] B.V.) is beëindigd en uit welke verklaringen en/of gedragingen blijkt dat [eiser] en [bedrijf] B.V. zich vervolgens jegens elkaar hebben verbonden vanaf 1 december 2022. Ook de gestelde einddatum van het dienstverband had een nadere onderbouwing van [gedaagde] vereist, in het licht van het door haar erkennen van de vordering van de opgebouwde vakantietoeslag tot en met 1 september 2023. Nu zij dat alles heeft nagelaten, moet aan dat verweer als onvoldoende onderbouwd voorbij worden gegaan. De kantonrechter neemt dan ook tot uitgangspunt dat [eiser] terecht [gedaagde] ([gedaagde] B.V.) heeft gedagvaard.
Welke bedragen moet [eiser] nog ontvangen?
4.3.
[eiser] maakt aanspraak op uitbetaling van opgebouwde vakantietoeslag van 1 juni 2023 tot en met 1 september 2023. [gedaagde] heeft tegen dit onderdeel van de vordering geen verweer gevoerd. De kantonrechter zal daarom € 517,26 bruto toewijzen.
4.4.
[eiser] maakt aanspraak op uitbetaling van opgebouwde maar niet-genoten vakantiedagen (inclusief vakantietoeslag daarover). Hij stelt dat hij zelf heeft bijgehouden hoeveel verlof hij heeft opgenomen en dat er nog 18,5 opgebouwde maar niet-genoten verlofdagen overblijven. [gedaagde] heeft dit onderdeel van de vordering betwist, maar niet aangegeven waarom de door [eiser] aangegeven uren niet juist zijn en niet verwezen naar een eigen verlofadministratie. In repliek heeft [eiser] nogmaals verwezen naar de eigen administratie. Hierop heeft [gedaagde] niet meer gereageerd. Daarom moet ervan worden uitgegaan dat de opgave van [eiser] juist is. De kantonrechter zal daarom € 1.966,09 bruto toewijzen.
4.5.
[eiser] maakt aanspraak op uitbetaling van overuren en stelt dat hij regelmatig werd gevraagd om extra te werken of in te vallen voor een zieke collega. [gedaagde] heeft inhoudelijk geen verweer gevoerd tegen dit onderdeel van de vordering, zodat de kantonrechter er vanuit gaat dat de opgave van [eiser] van de overuren juist is. De kantonrechter zal daarom € 429,58 bruto toewijzen.
4.6.
[eiser] maakt aanspraak op uitbetaling van niet-uitbetaalde declaraties (tankbonnen). [gedaagde] heeft tegen dit onderdeel van de vordering geen verweer gevoerd. De kantonrechter zal daarom € 210,28 netto toewijzen.
4.7.
Op grond van artikel 7:625 BW is [gedaagde] over het te laat betaalde loon wettelijke verhoging verschuldigd. De wettelijke verhoging van 50% is toewijsbaar over € 2.912,93. Voor een matiging ziet de kantonrechter geen aanleiding.
4.8.
De gevorderde wettelijke rente over de onder a t/m d gevorderde bedragen vanaf de dag van verschuldigdheid is eveneens toewijsbaar. De wettelijke rente over de wettelijke verhoging zal worden afgewezen omdat hiervoor verzuim is vereist en het niet is gebleken dat [eiser] [gedaagde] wat dit betreft in gebreke heeft gesteld.
Verstrekken eindafrekening
4.9.
[eiser] stelt onbetwist dat hij, nadat hij uit dienst is getreden, geen eindafrekening (conform artikel 7:626 BW) heeft ontvangen. De vordering tot het verstrekken van deze deugdelijke bruto-netto salarisspecificaties wordt daarom toegewezen op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag, met dien verstande dat deze dwangsom maximaal een bedrag van € 5.000,00 zal bedragen.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.10.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. De hoogte van de vordering zal worden getoetst aan het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Omdat [eiser] geen ondernemer is, wordt de vergoeding verhoogd met btw. De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is niet hoger dan het tarief dat in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is bepaald. Daarom wordt € 529,16 toegewezen.
4.11.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
|
€
|
140,17
|
|
- griffierecht
|
€
|
248,00
|
|
- salaris gemachtigde
|
€
|
542,00
|
(2,00 punten × € 271,00)
|
- nakosten
|
€
|
135,00
|
|
Totaal
|
€
|
1.065,17
|
|
4.12.
De gevorderde wettelijke rente over de nakosten is eveneens toewijsbaar. De rechtbank bepaalt dat [gedaagde] de wettelijke rente moet betalen, indien [gedaagde] de nakosten niet binnen 14 dagen na betekening van het vonnis heeft voldaan.
5 De beslissing
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 2.912,93 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, vanaf het moment van verzuim tot de dag van volledige betaling;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 210,28 netto, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, vanaf het moment van verzuim tot de dag van volledige betaling;
5.3.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW van 50% over een bedrag van € 2.912,93, vanaf het moment van verzuim tot de dag van volledige betaling;
5.4.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 529,16 ter zake van buitengerechtelijke kosten;
5.5.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.065,17, te betalen binnen veertien dagen na dit vonnis. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde] ook de kosten van betekening betalen,
5.6.
veroordeelt [gedaagde] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de nakosten als deze niet binnen veertien dagen na betekening van het vonnis zijn voldaan, vanaf dat moment tot aan de dag der algehele voldoening;
5.7.
veroordeelt [gedaagde] om binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis de deugdelijke bruto/netto afrekening conform 7:626 Burgerlijk Wetboek vanaf de datum van indiensttreding tot en met september 2023 te verstrekken;
5.8.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 250,00 voor iedere dag dat [gedaagde] niet aan de in 5.5. uitgesproken veroordeling, tot een maximum van € 5.000,00 is bereikt,
5.9.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.10.
wijst af het anders of meer gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.F. van Aalst en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2024. AH