1 [partij A.1] ,
te [woonplaats 1] ,
2. [partij A.2],
te [woonplaats 2] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: in mannelijk enkelvoud [partij A] ,
gemachtigde: mr. [naam] ,
ENGIE NEDERLAND RETAIL B.V.,
te Zwolle,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Engie,
gemachtigde: mr. M.A.R.M. van Camp.
2 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 18 juli 2023
- de mondelinge behandeling van 27 november 2023, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
3 De beoordeling in conventie en reconventie
3.1.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 28 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1800) het volgende overwogen over de consument:
“Een consument is volgens art. 2, onder b, Richtlijn 93/13 iedere natuurlijke persoon die bij onder de richtlijn vallende overeenkomsten handelt voor doeleinden die buiten zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit vallen. Het begrip ‘consument’ is een objectief begrip. Niet van belang is over welke concrete kennis of informatie de betrokken persoon beschikt. Evenmin is van belang of de betrokkene een onderneming drijft. In plaats daarvan moet, aan de hand van alle omstandigheden van het geval, worden vastgesteld met welk doel de overeenkomst is aangegaan, wat met name moet worden afgeleid uit de aard van het goed of de dienst waarop de betrokken overeenkomst betrekking heeft (HvJEU 3 september 2015, C-110/14, ECLI:EU:C:2015:538 (Costea)).”
3.2.
Gelet op het hiervoor aangehaalde citaat, moet worden onderzocht met welk doel [partij A] de overeenkomst is aangegaan. De overeenkomst is gesloten voor energielevering voor het woonadres van [partij A] en is daarom aan te merken als consument bij het sluiten van de energieovereenkomst van 1 november 2021.
Wat is overeengekomen en gecommuniceerd over de looptijd van de overeenkomst van 1 november 2021?
3.3.
Op de website van Gaslicht, die fungeerde als tussenpersoon bij de contractsluiting, staat vermeld in het aanmeldproces: “Het contract heeft een looptijd van 12 maanden tegen vaste tarieven. Aan het eind van de contractperiode wordt het contract automatisch voor onbepaalde tijd verlengd tegen de op dat moment geldende variabele tarieven.
Ook staat in het besteloverzicht op de website vermeld: duur levering: 12 maanden vaste tarieven. Hierna krijgt u geleverd tegen variabele tarieven.”
3.4.
In de bevestigingsmail die volgende op de aanmelding via de website van Gaslicht staat het volgende vermeld: “Duur levering 12 maanden vaste tarieven. Hierna krijgt u geleverd tegen variabele tarieven.”
3.5.
In de tussen partijen gesloten energieovereenkomst, die is ingegaan op 1 november 2021, is overeengekomen: “Looptijd 1 jaar en Einddatum 31 oktober 2022.”
3.6.
In artikel 3.2. van de Productvoorwaarden ENGIE Opgewekt (versie 2021.7) staat het volgende opgenomen:
“3.2. Einde looptijd overeenkomst
Voor de afloop van deze overeenkomst ontvangt u een verlengingsvoorstel van ENGIE. Accepteert u het verlengingsvoorstel dan gelden de leveringskosten en de opzegtermijn van het verlengingsvoorstel. Accepteert u het verlengingsvoorstel niet, dan wordt de overeenkomst stilzwijgend verlengd met een overeenkomst voor onbepaalde tijd. (…”)
3.7.
In artikel 21.6. van de Algemene voorwaarden voor de levering van elektriciteit en gas aan kleinverbruikers 2017 staat het volgende opgenomen:
“Heeft uw overeenkomst met een vaste einddatum de einddatum bereikt en bent u met ons of een andere leverancier geen nieuwe overeenkomst aangegaan, dan zetten wij uw overeenkomst om naar een overeenkomst zonder vaste einddatum met tarieven die horen bij een overeenkomst zonder vaste einddatum. Hierbij is artikel 19 ook van toepassing.”
Mocht [partij A] erop vertrouwen dat de overeenkomst voor bepaalde tijd werd omgezet in een overeenkomst voor onbepaalde tijd onder dezelfde voorwaarden? Nee.
3.8.
[partij A] stelt zich op het standpunt dat uit artikel 3.2. van de Productvoorwaarden volgt dat de overeenkomst van 1 jaar stilzwijgend wordt verlengd voor onbepaalde tijd onder dezelfde voorwaarden. Volgens [partij A] volgt dit uit een grammaticaal en letterlijke uitleg. Indien een overeenkomst verlengd wordt, blijft deze dus bestaan en wordt enkel de looptijd aangepast. Als er zou worden verlengd met een overeenkomt voor onbepaalde tijd, dan zou er sprake zijn van een nieuwe overeenkomst en dus niet zien op een verlenging.
3.9.
De kantonrechter volgt [partij A] hierin niet.
Uit de informatie op de website, gegeven voordat de overeenkomst is gesloten, evenals uit de informatie in de bevestigingsmail en de overeenkomst blijkt voldoende duidelijk dat de overeenkomst wordt aangegaan voor de duur van één jaar en dat er een einddatum is, namelijk 31 oktober 2022. Ook blijkt uit de gegeven informatie dat na de periode van één jaar de variabele tarieven zullen gelden. Of deze variabele tarieven uiteindelijk toewijsbaar zullen zijn, is hier nu niet aan de orde. De vraag is of [partij A] op grond van artikel 3.2. van de Productvoorwaarden, in combinatie met alle daarvoor gegeven informatie erop mocht vertrouwen dat de vaste tarieven na de einddatum tot in lengte van dagen zou gelden. Het antwoord daarop is: nee, daar had [partij A] niet op mogen vertrouwen, omdat [partij A] voldoende duidelijk is gemaakt dat de overeenkomst ziet op de duur van één jaar en dat er na dat jaar andere tarieven zouden gelden.
3.10.
De kantonrechter voegt daar nog aan toe dat artikel 3.2. van de Productvoorwaarden niet een op zichzelf staand artikel betreft. Dit artikel moet worden gelezen in samenhang met hetgeen in het contract is opgenomen, maar ook met artikel 21.5. en artikel 21.6. van de Algemene voorwaarden, waaruit blijkt hoe de procedure na de einddatum verloopt. Bovendien is de kantonrechter van oordeel dat voor de grammaticale uitleg van artikel 3.2. doorslaggevend is dat er staat dat de overeenkomst wordt verlengd met een overeenkomst voor onbepaalde tijd.
Is er een overeenkomst voor onbepaalde tijd tot stand gekomen? Nee.
3.11.
Engie heeft gesteld dat zij op grond van artikel 21.5. van de Algemene voorwaarden vlak voor de einddatum van het energiecontract voor bepaalde tijd een aanbod voor een nieuw contract heeft gedaan. Zij heeft tevens gesteld dat [partij A] dit aanbod niet heeft geaccepteerd, sterker nog; [partij A] heeft in het geheel niet gereageerd op het aanbod. Volgens Engie is er toen op grond van artikel 21.6. van de Algemene voorwaarden een overeenkomst voor onbepaalde tijd tegen variabele tarieven tot stand gekomen. Zij heeft daarbij aangevoerd dat zij hiertoe volgens de Elektriciteitswet verplicht is, vanwege de daarin opgenomen doorleveringsplicht.
3.12.
De kantonrechter overweegt als volgt.
Artikel 21.6. van de Algemene voorwaarden is in strijd met artikel 6:217 BW waarin is bepaald dat een overeenkomst tot stand komt door aanbod en aanvaarding. Dit artikel wijkt ten nadele van de consument af van de wet, omdat de consument door artikel 21.6. van de Algemene voorwaarden geboden is aan een zeer nadelige overeenkomst, namelijk een overeenkomst tegen variabele tarieven, wat veelal ongunstiger is dan de vaste tarieven, terwijl op grond van artikel 6:217 BW de wederpartij pas gebonden is aan een dergelijke overeenkomst als hij het aanbod actief heeft aanvaard. Dit betekent dat het beding oneerlijk. Daarom zal de kantonrechter dit artikel vernietigen.
3.13.
Dit betekent dat er op grond van dit artikel geen overeenkomst tot stand is gekomen. Evenmin is er door aanbod en aanvaarding een overeenkomst voor onbepaalde tijd tegen variabele tarieven tot stand gekomen. De grondslag van de vordering in reconventie komt daarmee te vervallen.
3.14.
De stelling van Engie dat zij op grond van de Elektriciteitswet gehouden is om op dergelijke wijze te contracteren vanwege de daarin opgenomen doorleveringsplicht, volgt de kantonrechter niet.
3.15.
In artikel 95b lid 1 Elektriciteitswet is de leveringsplicht opgenomen. Deze leveringsplicht behelst echter enkel de situatie waarin een consument om levering van energie vraagt en de plicht van de energieleverancier om naar aanleiding van dat verzoek te leveren. Die leveringsplicht speelt geen rol in deze kwestie. Deze plicht speelde bij de initiële overeenkomst en aan deze plicht heeft Engie ook voldaan, maar is gestopt bij het einde van de overeenkomst. Het aanbod na het einde van de overeenkomst en het contract voor onbepaalde tijd zijn niet op verzoek van [partij A] tot stand gekomen. Na het einde van de overeenkomst, heeft [partij A] niet expliciet verzocht om energielevering, maar is er juist een discussie ontstaan over een nieuwe overeenkomst.
3.16.
Voor zover Engie stelt dat de doorleveringsplicht is gebaseerd op artikel 95b lid 7 en 8 van de Elektriciteitswet gaat de kantonrechter hier niet in mee. Die regeling en het Besluit leveringszekerheid Elektriciteitswet 1998 waarnaar verwezen wordt, zien namelijk slechts op de situatie waarin de levering beëindigd zal worden wegens wanprestatie door de klant.
3.17.
De vordering van [partij A] zal worden afgewezen.
De energieovereenkomst is voor de duur van één jaar gesloten en is niet verlengd voor onbepaalde tijd onder dezelfde voorwaarden. De overeenkomst van één jaar is reeds beëindigd. Engie heeft haar verplichtingen uit deze overeenkomst reeds nagekomen en zal niet tot verdere nakoming worden veroordeeld. Engie heeft niet onrechtmatig gehandeld jegens [partij A] , zodat ook de vordering tot betaling van schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad of oneerlijke handelspraktijk niet zal worden toegewezen. Daarnaast is de kantonrechter van oordeel dat [partij A] voldoende op de hoogte was van de contractvoorwaarden en de overeenkomst toch heeft gesloten, zodat er geen sprake is van dwaling.
3.18.
De vordering van Engie zal eveneens worden afgewezen. Er is geen overeenkomst voor onbepaalde tijd tot stand gekomen, zodat nakoming van deze overeenkomst niet gevorderd kan worden.
3.19.
De proceskosten zullen worden gecompenseerd, in die zin dat elke partij zijn eigen kosten moet dragen.