Overwegingen
1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing op bezwaar of eventueel in de hoofdzaak.
2. Op grond van artikel 1a, tweede lid, van de Woningwet draagt een ieder die een bouwwerk bouwt, gebruikt, laat gebruiken of sloopt, dan wel een open erf of terrein gebruikt of laat gebruiken, er, voor zover dat in diens vermogen ligt, zorg voor dat als gevolg van dat bouwen, gebruik of slopen geen gevaar voor de gezondheid of veiligheid ontstaat dan wel voortduurt.
Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Woningwet kan het bevoegd gezag indien herhaaldelijke overtreding van artikel 1a of artikel 1b naar het oordeel van het bevoegd gezag gepaard gaat met een bedreiging van de leefbaarheid of een gevaar voor de gezondheid of de veiligheid, besluiten dat gebouw, open erf of terrein te sluiten. Het bevoegd gezag kan van de overtreder de ingevolge artikel 5:25 van de Awb verschuldigde kosten invorderen bij dwangbevel. Op grond van het tweede lid van dit artikel bepaalt het bevoegd gezag in het besluit, bedoeld in het eerste lid, de duur van de sluiting.
3. In paragraaf 5 van de Beleidsnotitie gemeente Rotterdam 2014 bestuurlijke boete, beheerovername en sluiting op grond van de Woningwet (de Beleidsnotitie) is onder meer het volgende bepaald:
“Als voor de tweede keer een hennepkwekerij in een pand wordt ontdekt, zal dat pand in beginsel worden gesloten. Deze maatregel wordt gerechtvaardigd door de grote negatieve impact van de overtreding op de omgeving.”
Voor de termijn van sluiting wordt in de Beleidsnotitie aansluiting gezocht bij de termijnen die door het college worden gehanteerd in overig Rotterdams handhavingsbeleid. Dat wil zeggen dat in beginsel een sluiting geldt van zes maanden.
4. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat op 31 augustus 2015 en op 9 oktober 2016 hennepkwekerijen zijn geconstateerd in de woning waarvan verzoekster eigenares is. Verweerder heeft overwogen dat de exploitatie van de hennepkwekerijen in strijd is met artikel 1a, tweede lid, van de Woningwet, zodat de woning bij een herhaalde overtreding op grond van artikel 17 van de Woningwet kon worden gesloten. Gezien de schadelijke effecten die de exploitatie van een illegale hennepkwekerij met zich brengt en na een eerdere waarschuwing sprake is van een herhaalde overtreding van artikel 1a van de Woningwet, was volgens verweerder direct optreden noodzakelijk. Er zijn immers voor zowel de gebruikers van het pand als omwonenden gezondheidsrisico’s verbonden aan hennepteelt. Verder levert de elektrische installatie van de hennepkwekerijen ernstig brandgevaar en gevaar voor elektrocutie op. De zienswijze van verzoekster heeft verweerder niet van zijn voornemen tot sluiting van de woning afgebracht. Bij het bestreden besluit heeft verweerder daartoe overwogen dat een veilige leefomgeving dient te prevaleren boven het belang van verzoekster dat zij inkomsten uit verhuur misloopt en dat de omstandigheid dat verzoekster zelf bij de politie melding heeft gemaakt van de hennepkwekerij en de woning weer heeft hersteld onvoldoende zwaar weegt om de woning niet te sluiten. Verweerder heeft de sluitingsduur van de woning overeenkomstig de Beleidsnotitie bepaald op zes maanden. Verweerder overweegt dat hij de kans op herhaling bijzonder groot acht en dat de omgeving van de woning voor geruime tijd beschermd dient te worden.
5. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het spoedeisend belang van verzoekster is gelegen in de omstandigheid dat zij huurinkomsten misloopt. De belangen van de nieuwe huurder, met wie verzoekster op 10 oktober 2016 een huurovereenkomst heeft gesloten voor de woning, zijn geen belangen die verzoekster rechtstreeks raken en waarvoor zij geacht moet worden op te komen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is sprake van een beperkt spoedeisend belang van financiële aard, zodat eerst aanleiding zal bestaan voor het treffen van enige voorziening indien zonder nader onderzoek duidelijk is dat het bestreden besluit geen stand kan houden.
6. Niet in geschil is dat voor de tweede maal een hennepplantage is aangetroffen in de woning. De voorzieningenrechter stelt verder voorop dat verweerder op grond van artikel 17 van de Woningwet beoordelingsvrijheid toekomt, zodat de voorzieningenrechter het bestreden besluit terughoudend dient te toetsen. Dit betekent dat beoordeeld moet worden of verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft mogen stellen dat de herhaalde overtreding van artikel 1a gepaard gaat met een gevaar voor de gezondheid of de veiligheid.
Niet kan voorshands worden geoordeeld dat verweerder zich in redelijkheid niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat zich een dergelijke situatie voordoet. Zo heeft verweerder, gelet op de blijkens de op 14 oktober 2016 opgemaakte ruimlijst aanwezige apparatuur en aansluitingen, zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de elektrische installatie van de hennepkwekerijen ernstig brandgevaar en gevaar voor elektrocutie oplevert.
7. De omstandigheid dat verzoekster de hennepplantage heeft gemeld aan de politie is onvoldoende reden om toepassing van artikel 17 van de Woningwet voorshands onredelijk te achten. Evenmin maakt de omstandigheid dat de woning inmiddels weer is verhuurd de toepassing van artikel 17 van de Woningwet voorshands onredelijk. Verzoekster was immers bij brief van 9 oktober 2015 gewaarschuwd dat bij een herhaalde overtreding woningsluiting zou volgen. Voor een verdere belangafweging ziet de voorzieningenrechter in het kader van deze procedure geen ruimte.
8. Gelet hierop is er geen aanleiding is voor het treffen van een voorlopige voorziening.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.