zaaknummer / rolnummer: C/10/552372 / KG ZA 18-633
Vonnis in kort geding van 17 juli 2018
in de zaak van
1. vennootschap onder firma
[bedrijf (eiser 1)]
,
gevestigd te [woonplaats] ,
2. [eiser 2],
wonende te [woonplaats] ,
3. [eiser 3],
wonende te [woonplaats] ,
eisers,
advocaten mr. J.F.T.M. Versélewel de Witt Hamer en mr. P.E. Cairo te Amsterdam,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde,
verschenen in persoon.
Partijen zullen hierna de [bedrijf (eiser 1)] , [eiser 2] , [eiser 3] (gezamenlijk te noemen; eisers) en [gedaagde] genoemd worden.
1 De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-
de dagvaarding
-
de overgelegde producties
-
de mondelinge behandeling
-
de pleitnota van eisers
-
de akte eiswijziging/ eisverduidelijking van eisers.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
2.1.
[eiser 2] en [eiser 3] zijn vennoten in de [bedrijf (eiser 1)] (een melkveebedrijf). [eiser 3] is tevens werkzaam als binnenhuisarchitecte. Daarbij maakt zij gebruik van de website [website] .
2.2.
Eisers hebben [gedaagde] in 2015 opdracht verstrekt een veranda te bouwen. [gedaagde] heeft de veranda grotendeels afgebouwd, waarna het werk is afgemaakt door één of meer andere aannemers. Eisers hadden besloten het werk door een ander af te laten maken omdat [gedaagde] in hun visie niet snel genoeg opschoot en eisers de veranda voor de zomer klaar wilden hebben. Tussen partijen is een geschil ontstaan over de vraag of [gedaagde] nog recht heeft op een laatste deelbetaling van € 3.107,63.
2.3.
[gedaagde] heeft langs de openbare weg in de nabijheid van de boerderij van eisers diverse, voor passanten duidelijk leesbare borden geplaatst, met daarop de teksten:
“[eiser 2] / [eiser 2] Veranda betalen”
(bord geplaatst op of omstreeks 22 februari 2017)
“[eiser 2] en [eiser 3] hebben hun veranda nog steeds niet helemaal betaald.”
(bord geplaatst op of omstreeks 8 oktober 2017)
“[website]
oplichting
oplichting Advies”
(bord geplaatst op of omstreeks 4 december 2017)
Eisers hebben de borden steeds kort na plaatsing verwijderd.
2.4.
[gedaagde] heeft aan eisers diverse berichten per SMS, WhatsApp en e-mail, met teksten als:
“Hoi [eiser 2] jullie moeten gaan betalen anders wordt het geen leuk jaar voor jullie”
(bericht 31 december 2016)
“Hoi [eiser 2] ik heb een offerte aangevraagd voor het demonteren van de veranda. Neem contact met mij op want anders gaat het zeker uit de hand lopen als wij komen om mijn spullen terug te halen.”
(bericht 14 februari 2017)
“Hee oplichters, gaan jullie nog betalen?”
(bericht 21 augustus 2017)
“Ik krijg nog geld van je. Betalen of ik ga weer stappen ondernemen.”
(bericht 2 mei 2018).
2.5.
Mr. P.E. Cairo heeft namens eisers [gedaagde] bij aangetekende brief van 4 december 2017 gesommeerd om een einde te maken aan schending van de persoonlijkheidsrechten van eisers.
2.6.
[gedaagde] heeft de envelop van deze brief niet geopend. [gedaagde] heeft op de envelop geschreven: “Jullie moeten je rekening betalen oplichters”. [gedaagde] heeft de brief vervolgens verpakt in een cadeauverpakking en geretourneerd aan eisers. Eisers hebben de cadeauverpakking geopend en toen hun eigen ongeopende brief aangetroffen.
3 Het geschil
3.1.
Eisers vorderen, uitvoerbaar bij voorraad, na akte eiswijziging/ eisverduidelijking, samengevat:
[gedaagde] te verbieden zich nog langer smadelijk/lasterend uit te laten, in ieder geval door het plaatsen van borden met daarop lasterende of dreigende teksten alsmede [gedaagde] te verbieden smadelijke teksten of dreigende berichten elektronisch of per geschrift te versturen of zich anderszins onrechtmatig te gedragen jegens eisers, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 2.500,- voor iedere keer dat [gedaagde] zich niet aan deze verboden houdt, met een maximum van € 10.000,-, en met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
Eisers stellen daartoe het volgende.
3.2.
[gedaagde] handelt onrechtmatig, door borden langs de openbare weg te plaatsten met daarop de (onder de Feiten geciteerde) teksten. Door deze uitlatingen worden eisers in hun eer en goede naam aangetast. De SMS die [gedaagde] stuurde naar [eiser 3] heeft een bedreigend karakter. [eiser 3] voelt zich door haar angst voor [gedaagde] beperkt in haar bedrijfsvoering. Zo durft zij geen berichten op sociale media te plaatsen om haar bedrijf te adverteren. Ook durft zij haar website niet zodanig in te richten dat bezoekers de mogelijkheid hebben om recensies achter te laten. Mevrouw [eiser 3] is bang dat [gedaagde] hier misbruik van zal maken door zich negatief uit te laten in reacties op sociale media, of door onrechtmatige recensies op haar website achter te laten. Eisers hebben een spoedeisend belang. Eisers hebben zich meermaals tot de politie gewend en aangifte gedaan maar de politie heeft (nog) geen actie ondernomen. Een deel van het kwaad is reeds geschied. Als niet spoedig actie wordt ondernomen lopen eisers het risico om verder in hun eer en goede naam te worden aangetast. Vanwege het stilzitten van de politie, uit voortdurende angst voor herhaling en om nadere reputatieschade te voorkomen kan van eisers niet worden gevergd dat zij de weg van een tragere bodemprocedure moeten volgen.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] voert onder meer aan dat hij geen vertrouwen heeft in het rechtssysteem in Nederland en dat hij met zijn acties hoopt te bereiken dat derden er wel voor zullen waken om in zee te gaan met [eiser 2] , die volgens [gedaagde] plaatselijk bekend staat als een oplichter die zijn rekeningen niet betaalt.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4 De beoordeling
4.1.
Het spoedeisend belang volgt uit de stellingen van eisers en is ook niet betwist.
4.2.
Als onrechtmatig wordt onder meer aangemerkt een doen of nalaten in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt.
4.3.
Of in dit geval sprake is van onrechtmatig handelen hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Bij de beoordeling neemt de voorzieningenrechter in acht dat, enerzijds, [gedaagde] het grondwettelijk en verdragsrechtelijk verankerde recht van vrijheid van meningsuiting heeft (artikel 7 Grondwet en artikel 10 EVRM) maar dat, anderzijds, eisers recht hebben op eerbiediging van de eer en goede naam door niet op lichtzinnige wijze te worden blootgesteld aan ernstige verdachtmakingen en beschuldigingen die gebaseerd zijn op onjuiste dan wel onvolledige feiten of suggesties.
Een belangrijk element is of de gewraakte mededelingen onjuist zijn en, indien zij juist zijn, of zij onnodig grievend zijn.
4.4.
Niet in geding is dát eisers de rekening van [gedaagde] niet volledig hebben betaald. [gedaagde] claimt immers nog een laatste deelbetaling van € 3.107,63.
4.5.
Wel is in geding of dit bedrag terecht in rekening is gebracht. Wie van partijen gelijk heeft valt in deze procedure niet vast te stellen. Op voorhand valt voor beide standpunten wel wat te zeggen. Eisers geven aan dat zij om een specificatie gevraagd hebben aan [gedaagde] en dat de door [gedaagde] (pas later) opgestelde specificatie niet klopt, omdat er bijvoorbeeld werkdagen zijn opgegeven waarop [gedaagde] niet aanwezig kán zijn geweest op het werk. Dat wijst er niet meteen op dat de specificatie van [gedaagde] deugdelijk is.
Maar dat de specificatie niet deugt wil nog niet zeggen dat de rekening te hoog is. [gedaagde] is, zo bleek ter zitting, geen man die alles deugdelijk administreert. Overeenkomsten worden mondeling gesloten door [gedaagde] en alles gaat in goed vertrouwen. [gedaagde] heeft vaak onvoldoende tijd om het werk snel af te ronden. [gedaagde] heeft altijd nog wel meer projecten lopen, maar als de nood aan de man is komt hij wél direct langs. Uiteindelijk komt het karwei altijd wel af en volgens [gedaagde] weet iedereen in de regio dat hij op deze manier werkt. De voorzieningenrechter acht mogelijk dat de specificatie van [gedaagde] niet deugdelijk is, maar dat zijn rekening tegelijkertijd wel deugdelijk is. Eisers konden overigens weten dat [gedaagde] zo werkt want ze hebben hem ook al twee keer eerder ingeschakeld voor ander werk, zo bleek ter zitting.
4.6.
Het gaat hier om een kort gedingprocedure en die leent zich niet (goed) voor bewijslevering. De voorzieningenrechter moet het doen met de - karige- gegevens die voorhanden zijn en die wijzen er niet direct op dat [gedaagde] ongelijk heeft met het bedrag dat hij in rekening brengt. Daarom acht de voorzieningenrechter het plaatsen van de tekstborden niet onrechtmatig, althans voor zover daar op staat dat eisers niet (alles) betaald hebben. Die mededeling is immers feitelijk juist en heeft betrekking op een zakelijk geschil. Dit valt naar voorlopig oordeel onder de vrijheid van meningsuiting. Eisers zullen begrijpelijkerwijs ongemak ervaren door deze tekstborden maar dat maakt de mededelingen nog niet zonder meer onrechtmatig. In dit oordeel wordt meegewogen dat de vrijheid van meningsuiting juist is bedoeld voor die gevallen waarin de uitlatingen (kunnen) schrijnen. Het recht op vrije meningsuiting zal gewoonlijk niet ingeroepen hoeven te worden bij een eenvoudig praatje over het weer. Voorts wordt meegewogen dat eisers ook de mogelijkheid hebben om in de - kleine gemeenschap - hun eigen visie op het geschil te verspreiden.
4.7.
Wel onrechtmatig acht de voorzieningenrechter de mededelingen dat sprake is van oplichting. Daar is geen enkel bewijs van voorhanden. De voorzieningenrechter heeft [gedaagde] ter zitting gevraagd of hij bewijzen had en het antwoord was: ja, maar die heb ik niet bij me. Dat is niet voldoende. [gedaagde] had die bewijzen moeten tonen aan de voorzieningenrechter toen hij daar de kans voor had maar dat heeft hij niet gedaan. Het woord oplichting, of woorden van gelijke strekking, mogen dan ook niet meer gebruikt worden door [gedaagde] jegens eisers.
4.8.
Ook onrechtmatig acht de voorzieningenrechter dat [gedaagde] in zijn elektronische berichtgeving wil suggereren dat hij de veranda zal (laten) afbreken. De voorzieningenrechter tekent aan dat [gedaagde] en de personen die hij daarvoor inschakelt niet zonder toestemming van eisers hun erf mogen betreden en dat eigenrichting in Nederland verboden is. De veranda behoort aan eisers in eigendom toe en [gedaagde] moet daar van af blijven. Als [gedaagde] in zijn berichtgeving waarschuwt dat het uit de hand zou kunnen gaan lopen, dan zit daar een onmiskenbare dreiging met geweld in. Dit zijn bedreigende berichten en die mogen natuurlijk niet. [gedaagde] kan er ook voor kiezen om de gebruikelijkere route te kiezen om zijn vordering aan de kantonrechter voor te leggen.
4.9.
Een vordering tot een algemeen verbod aan [gedaagde] om zich niet langer smadelijk uit te laten, of uitlatingen te doen die ‘op andere wijze onrechtmatig zijn’ kan niet worden toegewezen. De vordering is te onbepaald en kan niet ten uitvoer worden gelegd.
4.10.
Het gaat hier om een kort gedingprocedure en het te wijzen vonnis heeft een voorlopig karakter. De verboden zullen daarom worden opgelegd voor een periode van 12 maanden.
4.11.
Een dwangsom komt wenselijk voor, mede omdat [gedaagde] ter zitting heeft verklaard niet (vrijwillig) met zijn acties te willen stoppen. De dwangsom zal worden beperkt en gemaximeerd op na te melden wijze.
4.12.
Als over en weer deels in het ongelijk gesteld zullen de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd.
5 De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1.
verbiedt [gedaagde] om zich in de periode van twaalf maanden na de datum van dit vonnis nog langer smadelijk, lasterend, of bedreigend uit te laten jegens eisers door:
- hen te beschuldigen van oplichting of woorden van gelijke strekking,
- te dreigen langs te zullen komen om de veranda af te (laten) breken, of woorden van gelijke strekking,
steeds op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,- per keer met een maximum van € 3.200,- in totaal (en dus niet 3 x € 3.200,- omdat het drie eisers zijn);
5.2.
verbiedt [gedaagde] om in een periode van twaalf maanden na de datum van dit vonnis sms-berichten, e-mails en andere berichten, op schrift dan wel elektronisch, te sturen van dreigende aard en/of waarbij de strekking is dat eisers tot betaling worden gedwongen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,- per keer met een maximum van € 3.200,- in totaal (en dus niet 3 x € 3.200,- omdat het drie eisers zijn);
5.3.
verklaart het vonnis tot zover zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af;
5.5.
bepaalt dat ieder der partijen de eigen proceskosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Boer en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2018.
2517/1629
De gegevens worden opgehaald
Hulp bij zoeken
Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over: