Tussen partijen heeft naast hetgeen hierboven reeds is opgenomen - voor zover thans van belang - de volgende correspondentie plaatsgevonden.
I. Op 16 augustus 2012 heeft prof. [naam 3] aan prof. [eiser] geschreven:
“Beste [naam 5] ,
De drukker is Haveka en niet Ridderprint. Mocht je het Herinneringsboek bij een andere drukker dan Haveka laten drukken zijn de kosten voor jou, inclusief de al gemaakte kosten door Haveka.
Haveka heeft de bestanden van het Herinneringsboek.
Er zijn met deze drukker afspraken gemaakt dat zij de drukproef gaan verzorgen, wat is gebeurd, waarna nog (kleine) wijzigingen mogelijk zijn. Daarna zuilen zij de opdracht voltooien voor 450 exemplaren.”
II. Op 1 november 2012 heeft [naam 6] namens Erasmus MC aan prof. [eiser] geschreven:
“(…) Voor wat betreft het door u gestelde op pagina 2 van uw brief, deelt de Raad van Bestuur uw mening dat, nu er een akkoord tussen belde partijen is bereikt, de afdeling op een juiste wijze dient te worden ingelicht over het bereikte akkoord. Uw voorstel om tot een gezamenlijke schriftelijke verklaring te komen, nemen wij dan ook graag over. Graag ontvangen wij gelijktijdig met het getekende verslag een concepttekst voor deze gezamenlijke verklaring (…)”
III. Bij brief van 3 december 2012 heeft [naam 7] namens prof. [eiser] aan Erasmus MC geschreven:
“(…) De Raad van Bestuur heeft vervolgens, met de Commissie Ad Hoc, vastgesteld dat er geen reden is om vraagtekens bij de integriteit van Prof. [eiser] te plaatsen. Op het weerwoord van Prof. [eiser] op andere punten - wijze van leiding geven, communicatie - is door de Raad van Bestuur niet gereageerd. Ook dat is onzorgvuldig jegens Prof. [eiser] .
Onzorgvuldig is ook de wijze waarop vanaf augustus 2011 met de interne huisvesting van Prof. [eiser] is omgegaan en waarbij hem geen adequate faciliteiten zijn verstrekt, en het onthouden aan Prof. [eiser] van voor hem bestemde post. Zeker tegen die achtergrond is ook onzorgvuldig de wijze waarop Prof. [eiser] vanaf het lopende collegejaar alsnog, zonder enig overleg met hem buiten het onderwijs van de afdeling [naam 1] is gehouden, terwijl nota bene over de rol van Prof. [eiser] in dit onderwijs voorafgaand aan het collegejaar voor de Raad van Bestuur toezeggingen zijn gedaan.
Met dat alles is de reputatie van Prof. [eiser] ernstig geschaad. Zijn mogelijkheden op de arbeidsmarkt nadat hij 65 zal zijn, zijn daarmee praktisch vernietigd. Die mogelijkheden waren tot het voorjaar van 2011 groot.
Het is zaak dat de Raad van Bestuur (…) en (b) aangeeft hoe hij zich voorstelt de opgetreden onzorgvuldigheid te herstellen en Prof. [eiser] tegemoet te komen in de geleden materiële en immateriële schade. In dat kader dient tevens tekst en uitleg te worden gegeven van de - onaanvaardbaar lange - periode waarin de Commissie Ad Hoc heeft gefunctioneerd. Een dergelijk onderzoek behoort immers zeker niet meer dan een maand of drie te duren. Juist de (te lange duur van het onderzoek heeft bijgedragen aan de situatie waarin Prof. [eiser] inmiddels meer dan een jaar op non-actief staat als afdelingshoofd. De onduidelijkheid die daardoor is opgeroepen en die zeker binnen de afdeling [naam 1] nog steeds bestaat, heeft de schade voor Prof. [eiser] onherstelbaar gemaakt. (…)”
IV. Op 20 december 2012 heeft [naam 7] namens prof. [eiser] aan Erasmus MC geschreven:
“(…) Voor Prof. [eiser] spelen twee punten met name een rol. Voor hem is eerherstel van grote betekenis. Dat zou een financiële vorm kunnen krijgen, maar daarom is het Prof. [eiser] zeker niet in de eerste plaats te doen. Redelijk zou zijn dat dat eerherstel hieruit zou blijken dat hij weer normaal toegang heeft tot zijn afdeling en de daarop werkzame medewerkers. (…) Verder acht Prof. [eiser] het redelijk dat zijn inmiddels met onaanzienlijke kosten van rechtsbijstand, waarvan het MC tot nu toe slechts een klein deel heeft gedragen, niet te zijnen laste blijven. (…)”
V. Op 21 december 2012 heeft de heer [naam 6] namens Erasmus MC aan prof. [eiser] geschreven:
“(…) Wat betreft uw verzoek betreffende de kosten voor rechtsbijstand ben ik van mening dat, zolang door partijen op de reeds ingeslagen weg geen resultaat is bereikt en zolang het op uw verzoek aangepaste verslag van onze bespreking van 4 september jl. niet door uw cliënt getekend retour is ontvangen, ik geen aanleiding zie om Prof. [eiser] verder tegemoet te komen in zijn kosten voor rechtsbijstand. (…)”
VI. Op 17 oktober 2013 heeft de heer [naam 8] [hierna: [naam 8] ] namens prof. [eiser] aan Erasmus MC geschreven:
“(…) Na zijn op non-actief stelling is de kamer van em. Prof [eiser] ontruimd door Prof [naam 3] en zijn archief en persoonlijke eigendommen naar onbekende bestemming afgevoerd.
Vanmorgen zijn een deel van deze zaken onbeheerd gevonden in de niet afgesloten ruimte Ee 818, op de verder lege 8e verdieping.
Afgezien van het punt dat normaliter niet op deze manier met het archief en privébezit van medewerkers met een lange en goede staat van dienst hoort om te worden gegaan, geeft dit nijpend ook aan de door u gestarte procedure tegen em. Prof [eiser] nooit is beëindigd. In zoverre dat voor geen enkele aanklacht enige harde gronden konden worden gevonden in het langdurig onderzoek door de commissie moet de conclusie worden getrokken dat geen van de aanklachten ooit enige basis in feitelijkheden heeft gehad. De naam en reputatie van em. Prof [eiser] zijn dus onnodig belasterd waardoor het normaal afsluiten van een roemrijke loopbaan onmogelijk is gemaakt.
Het feit dat Prof. [eiser] de pensioen gerechtigde leeftijd bereikte gedurende het onderzoek betekent niet dat het niet moet worden afgerond.
De significante schade aan het gezag en de reputatie van em. Prof [eiser] die het door U gestarte onderzoek, dat geen enkele grond voor een onderzoek heeft kunnen vinden, heeft veroorzaakt is iets dat een goed werkgever zou moeten herstellen en compenseren. Indien dit niet mogelijk blijkt te zijn zal em. Prof [eiser] andere routes moeten overwegen.
Ik zou graag op korte termijn met U in gesprek gaan om mogelijkheden tot volledig eerherstel en compensatie te bespreken alsmede duidelijk afspraken te maken over het archief en privébezit van em. Prof [eiser] dat nu door U slordig wordt beheerd.”
VII. Op 18 november 2013 heeft Erasmus MC aan prof. [eiser] geschreven:
“Bij brief van 17 oktober jl. informeert u de Raad van Bestuur namens em. prof. [eiser] over een aantal zaken. (…)
Uit deze navraag is mij gebleken dat over de nog aanwezige bezittingen van em. prof. [eiser] kort na de pensionering van em. prof. [eiser] , dat wil zeggen kort na 1 april 2013, contact is geweest tussen de heer [naam 9] en em. prof. [eiser] . De heer [naam 9] heeft voor dit contact het initiatief genomen en em. prof. [eiser] aangeboden deze nog aanwezige bezittingen langs te laten brengen en gevraagd wanneer deze door het Erasmus MC op het huisadres van em. prof. [eiser] konden worden bezorgd. Em. prof. [eiser] heeft in dat gesprek aangegeven thuis over onvoldoende ruimte te beschikken om de spullen te kunnen herbergen en heeft verzocht de spullen nog voor een korte tijd te bewaren op de afdeling. Door de heer [naam 9] is em. prof. [eiser] vervolgens ingelicht waar zijn bezittingen zich in de faculteit bevonden.
Op 17 oktober 2013 zou em. prof. [eiser] de bewuste ruimte niet-afgesloten hebben aangetroffen.
Na uw verzoek van 31 oktober jl. aan drs. [naam 10] , secretaris van Bestuur, tot afsluiting van de bewuste ruimte heeft [naam 11] , Manager Juridische Zaken, u ingelicht dat hij diezelfde ochtend poolshoogte is gaan nemen in het Faculteitsgebouw. Daaruit is gebleken dat de deur naar locatie Ee-818 weldegelijk was afgesloten, maar dat deze ruimte nog via een naastgelegen ruimte kan worden bereikt. Onder toeziend oog van de heer [naam 11] is ook deze indirecte toegang gesloten. Ik vertrouw er hiermee op dat de bezittingen van em. prof. [eiser] in voldoende mate zijn veilig gesteld en, gezien uw reactie aan de heer [naam 11] van 1 november 2013, deze zaak als gesloten.
Voor beide partijen lijkt het mij evenwel wenselijk dat - nu het dienstverband tussen het Erasmus MC en em. prof. [eiser] al sinds 1 april jl. is beëindigd en em. prof. [eiser] ook niet meer binnen het Erasmus MC resideert - ook deze laatste bezittingen zo spoedig mogelijk door em. prof. [eiser] worden opgehaald, dan wel dat wij deze spullen op een door hem gewenst adres laten bezorgen. Met het verstrijken van de tijd is al meer dan een korte periode verstreken.
Ik verzoek u hierbij mij op een zo kort mogelijke termijn doch uiterlijk vóór 1 december 2013 te laten weten waar de gedachten van em. prof. [eiser] naar uitgaan. Mocht ik uiterlijk maandag 2 december 2013 niet van u vernomen hebben, dan ga ik ervan uit dat uw cliënt geen prijs meer stelt op zijn bezittingen en zullen deze ter vernietiging worden aangeboden.
Het door u gestelde over de aanleiding tot het onderzoek en de bevindingen van de Commissie Ad Hoc deel ik niet. Over het gestelde door de Commissie Ad Hoc heeft em. prof. [eiser] eerder, in 2012, in ruime mate gelegenheid gehad zijn zienswijze te geven. In meerdere gesprekken daarna is toen door de toenmalige Raad van Bestuur uitvoerig stilgestaan bij het besluit om ondanks deze zienswijze de conclusies en adviezen van de Commissie Ad Hoc te handhaven en dat een terugkeer als afdelingshoofd op de afdeling [naam 1] niet meer tot de mogelijkheden behoorde. Deze gesprekken zijn in het bijzijn van de toenmalig gemachtigde van em. prof. [eiser] , [naam 7] , gevoerd. Tijdens deze gesprekken is eveneens gesproken over hoe aan de periode tot aan de pensionering van em. prof. [eiser] vorm zou kunnen worden gegeven en is em. prof. [eiser] uitgenodigd hier voorstellen voor te doen. Door em. prof. [eiser] is hier evenwel nimmer inhoudelijk op gereageerd anders dan met een feitelijke terugkeer als afdelingshoofd op de afdeling, ik verwijs hierbij naar de brieven die door mijn voorganger, prof. dr. [naam 6] , in dit verband aan em. prof. [eiser] zijn geschreven. Uit deze brieven kan gevoeglijk niet worden afgeleid dat het Erasmus MC niet heeft willen meewerken aan een eervol en waardig afscheid van em. prof. [eiser] .
Met het op dat moment uitblijven van een reactie als vorenstaand bedoeld en het vervolgens door em. prof. [eiser] zelf aangevraagde ontslag wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, heeft em. prof. [eiser] deze handschoen wegens hem moverende redenen niet op willen pakken en beschouwt ook de Raad van Bestuur deze kwestie als afgedaan. Ik zie dan ook geen aanleiding meer om het door u verzochte gesprek met u aan te gaan.”
VIII. Op 4 december 2013 heeft [naam 8] namens prof. [eiser] geschreven aan Erasmus MC:
“Naar aanleiding van uw brief dd. 18-11-2013 kenmerk 13-P000306, teken ik namens em. Prof R. [eiser] bezwaar aan tegen het besluit vervat in bovengenoemd schrijven, bijgevoegd als bijlage 1, inzake de weigering tegemoet te komen aan mijn verzoek dd. 18 oktober 2013 waaruit ik citeer:
(…)
Uw weigering in deze is een weigering tegemoet te komen aan eerherstel en compensatie van geleden schade van/aan em. Prof [eiser] , dus een besluit in termen van de algemene wet bestuursrecht, waarbij em. Prof [eiser] een duidelijk belang heeft.”
IX. Op 6 december 2013 heeft [naam 8] namens prof. [eiser] aan Erasmus MC geschreven:
“Namens em. Prof [eiser] verzoek ik U de kosten gemaakt voor juridische bijstand in casu de door U ingestelde onderzoeksprocedure door de commissie Ad Hoc te vergoeden. Dit binnen een termijn van 4 weken.
Dit bedraagt 34.986,37 euro aan directe kosten zoals aangegeven in de bijlagen. Daarnaast zijn er nog indirecte kosten zoals em. Prof [eiser] 's reiskosten en kantoor kosten tbv deze zaak. Deze zullen later worden opgegeven zodra deze volledig onderbouwd zijn.
(…)
Indien U dit verzoek weigert verzoek ik U om een gemotiveerd voor beroep vatbaar besluit zoals vereist door de algemene wet bestuursrecht. (…)”
X. Op 3 maart 2014 heeft prof. [eiser] aan Erasmus MC geschreven:
“Bijgaand zend ik u het jubileumboek ‘25 jaar [naam 1] Rotterdam’, alsmede de factuur voor het drukken van dit boek. Deze factuur bedraagt € 13.997,30 waarvan initieel € 5.750,00 is betaald door diverse sponsors (zie bijlage), en later nog € 2.500. De overige productiekosten en de verzendkosten tezamen € 6.650,00 zijn door mij betaald. Ik verzoek u vanuit mijn resterende budget functie gebonden kosten (zie bijlage) € 4.394,36 hiervan te vergoeden. Bijgaand vindt u tevens het daartoe ingevulde declaratieformulier functie gebonden kosten.”
XI. Op 10 maart 2014 heeft J. Verweij namens Erasmus MC aan prof. [eiser] geschreven:
“Bij brief van 6 december 2013 heeft u namens uw cliënt, professor [eiser] , de Raad van Bestuur verzocht om een vergoeding van door professor [eiser] gemaakte kosten voor juridische bijstand. (…) In het door u gestelde zie ik geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden die mij aanleiding geven om terug te komen op het standpunt van de vorige Raad van Bestuur, dat op 21 december 2012 aan de toenmalig gemachtigde, [naam 7] , kenbaar is gemaakt:
(…)
Onder verwijzing naar het besluit van 21 december 2012 wijs ik uw verzoek tot vergoeding van gemaakte advocaatkosten dan ook af op grond van artikel 4:6, lid 1 jo lid 2 Algemene wet bestuursrecht.
Teneinde uw aanvraag voor vergoeding van door professor [eiser] gemaakte reis- en verblijfkosten in behandeling te kunnen nemen, stel ik u op grond van artikel 4:5, lid 1, sub c van de Algemene wet bestuursrecht tot 3 weken na datum van deze brief in de gelegenheid uw aanvraag aan te vullen. (…)”
XII. Op 9 april 2014 heeft [naam 8] namens prof. [eiser] aan Erasmus MC geschreven:
“Naar aanleiding van uw besluit dd. 10 maart 2014, kenmerk 14.p00058, teken ik namens em. Prof. R. [eiser] , bezwaar aan tegen dit besluit.”
XIII. Op 14 april 2014 heeft Erasmus MC aan prof. [eiser] geschreven:
“Aanvraag vergoeding functie gebonden kosten
(…)
Uw verzoek tot vergoeding van een bedrag van € 4.394,30 neem ik niet in behandeling aangezien de regeling als verwoord in artikel 15.9.1. cao UMC niet geldt voor kosten gemaakt na beëindiging van het dienstverband en de “functie gebonden kosten" dus na een verleend ontslag niet meer kunnen worden aangewend:
Daarnaast zijn de door u opgevoerde kosten niet als functie gebonden aan te merken. Zij waren immers afdelingsgebonden. Over vergoeding door de afdeling van deze kosten heeft prof. [naam 3] u reeds op 16 augustus 2012 per e-mail laten weten hiertoe niet over te zullen gaan, aangezien het drukken van het jubileumboek in handen was van Haveka en het drukproces zich al in een afrondende fase bevond. Wijzigingen op de door de afdeling geaccordeerde drukproef van Haveka waren slechts nog beperkt mogelijk, van welk feit u op de hoogte was. Daarnaast is in voornoemde e-mail door prof. [naam 3] aangegeven dat het wijzigen van drukker voor uw eigen rekening zou komen.”.
XIV. Op 14 april 2014 heeft Erasmus MC het volgende geschreven aan prof. [eiser] :
“In reactie op mijn brief 10 maart jl. heeft u bij e-mail van 17 maart jl. het verzoek van prof. [eiser] om vergoeding van in het kader van het onderzoek door de Commissie Ad Hoc gemaakte reis- en verblijfkosten nader onderbouwd. (…).
Aangezien ik op 10 maart 2014 onder verwijzing naar het besluit van 21 december 2012 uw verzoek tot vergoeding van gemaakte advocaatkosten op grond van artikel 4:6, lid 1 jo lid 2 Algemene wet bestuursrecht heb afgewezen, zie ik mede gezien de onlosmakelijke verbondenheid van de gevorderde reis- en verblijfkosten met deze voormelde advocaat kosten, geen aanleiding om de thans door u opgevoerde kosten voor het bezoeken van de advocaat te vergoeden.
Evenmin is sprake van een dienstreis op grond waarvan vergoeding dient plaats te vinden.
Ik moet het verzoek van prof. [eiser] tot vergoeding van reis- en verblijfkosten ad € 219,20 dan ook afwijzen onder verwijzing naar het besluit van 21 december 2012.”
XV. Op 21 mei 2014 heeft [naam 8] namens prof. [eiser] het volgende aan Erasmus MC geschreven:”
“Naar aanleiding van uw besluit dd. 10 maart 2014, kenmerk 14.p00058 lever ik namens em. Prof. R. [eiser] , verder aangeduid als bezwaarde, de gronden voor het eerder aangeleverde bezwaar tegen dit besluit. (…) Tevens wordt bezwaar gemaakt tegen het besluit van 14 april 2014 bijgevoegd als productie 2.
(…)
Verweerder heeft zonder gronden bezwaarde op non-actief gesteld, buiten de cao procedure om. Verweerder heeft bezwaarde nooit de klachten die aanleiding waren tot deze procedure verstrekt. De door verweerder ingestelde onderzoekscommissie heeft geen bij nader inzien houdbare gronden voor de oorspronkelijke aanklacht of voor latere verdere aanklachten kunnen vinden. Gezien de ernst van de ongefundeerde klachten en de tegen hem genomen disciplinaire maatregelen heeft bezwaarde noodgedwongen juridische bijstand moeten zoeken.
In zoverre dat verweerder ernstig gefaald heeft door buiten de door de cao voorgeschreven procedure en termijnen een langlopend onderzoek te starten waarbij duidelijk is geworden dat er geen basis voor het onderzoek was, is bezwaarde ernstig en disproportioneel getroffen door de handelingen van verweerder. Het weigeren in de bestreden besluiten van verweerder om de kosten die bezwaarde noodzakelijk heeft moeten maken is dus volstrekt onredelijk. Verweerder negeert hier de verantwoordelijkheid voor de keuzes die hij heeft gemaakt en verzaakt zijn plicht als een goed werkgever te handelen.
Bezwaarde eist vergoeding van de als noodzakelijk gevolg van ongefundeerde keuzes van verweerder gemaakte juridische kosten alsmede reis en verblijfkosten, vermeerderd met wettelijke rente. ”
XVI. Op 2 december 2014 heeft Erasmus MC het volgende aan prof. [eiser] geschreven:
“Bij brief van 4 december 2013 heeft de heer dr. ir. FA. [naam 8] namens u bezwaar gemaakt tegen een besluit van 18 november 2013 van de Raad van Bestuur. Daarnaast heeft uw gemachtigde bij brief van 9 april 2014 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 10 maart 2014 en is op 21 mei 2014 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 10 april 2014.
(…)
In navolging van het advies van de Bezwarencommissie heeft de Raad van Bestuur besloten om uw bezwaren tegen de bovengenoemde besluiten ongegrond te verklaren.
Ten aanzien van de overwegingen ten overvloede neemt de Raad van Bestuur de eerste overweging over en stelt de Raad van Bestuur u hierbij in de gelegenheid om de Raad van Bestuur een voorstel voor een verklaring als onder punt 3.16 te doen, uitgaande van de rechtens vaststaande besluitvorming over de conclusies en adviezen van de Commissie Ad Hoc.
Ten aanzien van de tweede overweging ten overvloede overweegt de Raad van Bestuur als volgt. Een aanzienlijk gedeelte van de door u ingediende rekeningen ter onderbouwing van uw vordering, betreffen de bijstand van [naam 7] in de Biotempt-aangelegenheid. Deze ondersteuning heeft de Raad van Bestuur reeds in meerdere of mindere mate vergoed. In die zin is hiermee al voldaan aan het advies van de Bezwarencommissie.
Hoewel u eerder, in december 2012, om voor u moverende redenen, heeft afgezien van het pakket, waar een vergoeding in de kosten voor rechtsbijstand in de arbeidsrelatie (Commissie Ad Hoc) integraal onderdeel van uitmaakte, herhaalt de Raad van Bestuur voor de laatste maal zijn eerdere intentie van januari 2014, dat de Raad van Bestuur tot een vergoeding in meerdere of mindere mate bereid is onder de voorwaarde dat partijen tot een finale kwijting komen.
De Raad van Bestuur verstaat onder finale kwijting, dat partijen nadien – zowel in deze kwestie, als in andere kwesties - in het geheel niets meer van elkaar te vorderen hebben en u tegen dit besluit geen verdere rechtsmiddelen aanwent. Mocht u toch in beroep gaan tegen de bovenstaande beslissing op bezwaar, dan komt onze intentie tot een redelijke vergoeding van de kosten van rechtsbijstand per datum beroepschrift te vervallen.”
XVII. Op 15 oktober 2015 heeft prof. [eiser] het volgende aan Erasmus MC geschreven:
“Naar aanleiding van het advies van de Bezwarenadviescommissie van 20 oktober 2014 betreffende mijn bezwaren inzake de tegen mij ingestelde integriteitsprocedure heeft u op 2 december 2014 deze bezwaren afgewezen. Deze bezwaren betreffen het niet afsluiten van de procedure tegen mij met een besluit in de zin van Awb Art. 3:45-1 en/of Art. 3:45-2, het niet teruggeven van mijn persoonlijke eigendommen en archieven, het niet vergoeden van de door mij gemaakte advocaatkosten, en het niet informeren van mijn voormalige collega's en medewerkers dat de tegen mij ingestelde integriteitsprocedure geen voor mij belastende feiten heeft opgeleverd. Daarnaast heb ik bezwaar gemaakt tegen bet niet vergoeden van de door mij gemaakte kosten voor het drukken en verzenden van het jubileumboek '25 Jaar [naam 1] Rotterdam'.
(…)
Waar de Bezwarencommissie stelt dat de brief van de heer [naam 6] van 1 november 2012 bedoeld is geweest als een afrondend besluit in de zin van Awb Art. 3:45-1 en/of Art. 3:45-2, is daarvoor dus geen enkele grond. Bovendien is tegen de inhoud van deze brief door mijn raadsman wel degelijk bewaar gemaakt, en zijn deze bezwaren door de Raad van Bestuur en haar juristen als zodanig herkend, zonder daaraan tegemoet te komen. Daarmee vervalt de basis voor uw besluit van 2 december 2014.
Dit zo zijnde, stel ik vast dat de procedure tegen mij nog steeds niet is beëindigd met een daartoe strekkend besluit dat voldoet aan Awb. Art 3:45-1 en/of Awb Art. 3:45-2. In verband hiermee heb ik mevr. [naam 12] in januari 2015 bij herhaling laten weten dat de Raad van Bestuur aan zet is. Niettemin heb ik de afgelopen negen maanden niets van u mogen vernemen.
Ik neem een en ander zeer hoog op, vooral in verband met de ernstige schade aan mijn wetenschappelijke en maatschappelijke positie als gevolg van de onterechte aan mijn adres geuite beschuldigingen en de door de RvB tegen mij genomen maatregelen. Schade, die als gevolg van uw handelen als huidige Raad van Bestuur steeds groter wordt.
Ik verzoek u nogmaals om op korte termijn
- de procedure tegen mij af te sluiten met een besluit dat voldoet aan het gestelde in Art, 3:45-1 en/of Art 3:45-2 van de Awb;
- mijn nog niet overgedragen eigendommen en persoonlijke archieven terug te geven, en mij onbeperkte toegang te verlenen tot de overige door mij aangelegde archieven;
- de door mij gemaakte kosten voor juridische ondersteuning (€ 35.205,57, incl. € 219,20 reis- en verblijfkosten) te vergoeden, alsmede de wettelijke rente;
- de door mij gemaakte kosten voor het drukken en verzenden van het jubileumboek '25 Jaar [naam 1] Rotterdam' (€ 6.650,00) te vergoeden, alsmede de wettelijke rente;
en
- mijn voormalige collega’s en de huidige en voormalige medewerkers van de afdeling [naam 1] erover te informeren dat de integriteitsprocedure en de tegen mij getroffen disciplinaire maatregelen ongegrond en onterecht waren, en dat het onderzoek naar mij geen aanwijzingen voor belastende feiten heeft opgeleverd.
Wanneer ik binnen drie weken van u geen voor mij bevredigende reactie heb ontvangen, zal ik andere stappen overwegen.”
XVIII. Op 7 december 2015 heeft Erasmus MC het volgende aan prof. [eiser] geschreven:
“Uw brief van 15 oktober gericht aan de leden van de Raad van Bestuur van het Erasmus MC, heb ik in goede orde ontvangen. Ik hecht er waarde aan u als voorzitter van de Raad hier als volgt op te antwoorden.
In deze brief verzoekt u de Raad van Bestuur, verkort weergegeven, om op zo kort mogelijke termijn:
a. de procedure die tegen u is ingesteld af te sluiten met een voor bezwaar vatbaar besluit;
b. u uw nog niet overgedragen eigendommen en persoonlijke archieven terug te geven, en toegang te verlenen tot de overige door u aangelegde archieven;
c. u, de door u gemaakte kosten voor juridische ondersteuning (€ 35.205,67 incl. € 219,20 reis- en verblijfkosten), te vergoeden met wettelijke rente;
d. de door u gemaakte kosten voor het drukken en verzenden van het jubileumboek ‘25 Jaar [naam 1] Rotterdam' (€ 6.650,-) te vergoeden met wettelijke rente;
e. uw voormalige collega's en de huidige en voormalige medewerkers van de afdeling [naam 1] er over te informeren dat de integriteitsonderzoek en de tegen u getroffen disciplinaire maatregelen ongegrond en onterecht waren, en dat het onderzoek naar u geen aanwijzingen voor belastende feiten heeft opgeleverd.
Ad a.)
Ten aanzien van uw eerste verzoek stel ik vast dat met de beslissing op bezwaar van 2 december 2014 reeds een appellabel besluit genomen is, zodat in die zin al aan uw verzoek is voldaan. Het door u gestelde in uw brief van 15 oktober jl. biedt voor mij, wegens het ontbreken van nieuwe feiten en omstandigheden, geen aanknopingspunten om op het eerste besluit van 2 december 2014 terug te komen.
Ad c.)
Ook ten aanzien van uw herhaalde verzoek om vergoeding van advocaat-, reis- en verblijfkosten voert u geen nieuwe feiten en omstandigheden aan op grond waarvan de Raad van Bestuur terug zou moeten komen op zijn eerdere overweging ten overvloede in de beslissing op bezwaar van 2 december 2014. Immers, uit de na 2 december 2014 met u en uw gemachtigde, de heef [naam 8] , gevoerde correspondentie blijkt zonneklaar dat u geenszins wilde voldoen aan de voorwaarde van de Raad van Bestuur om tot één finale kwijting te komen. Alleen in dat geval was het Erasmus MC, als geste, bereid om in meerdere of mindere mate u tegemoet te komen in deze kosten.
Ad d.)
Op uw verzoek tot vergoeding van de drukkosten is van het Jubileumboek (ad. d) is al eerder, te weten per e-mail van prof. [naam 3] van 16 augustus 2012 en bij brief van de Raad van Bestuur van 14 april 2014 afwijzend beslist. Verwezen wordt naar deze correspondentie. De Raad van Bestuur ziet in de inhoud van uw brief van 15 oktober 2015 geen aanleiding om op (een van) deze beide beslissingen terug te komen. Ook de thans door u opgevoerde verzendkosten zullen u niet worden vergoed, aangezien uit navraag is gebleken dat u de tekst van het jubileumboek zonder ruggenspraak met het Erasmus MC, derhalve naar eigen inzicht, heeft aangepast, de boeken door een andere drukker heeft laten drukken en deze vervolgens uit eigen beweging, dus zonder opdracht daartoe vanuit het Erasmus MC, heeft verzonden.
Ad b.)
Aan de door u op 8 januari 2014 opgestelde lijst van eigendommen die nog in het bezit van het Erasmus MC zouden zijn, is door de gemachtigden van de Raad van Bestuur aandacht besteed tijdens een van de overleggen in januari 2014 in Delft met uw toenmalig gemachtigde, de heer [naam 8] . Bij deze gelegenheid zijn de navolgende zaken aan de heer [naam 8] overhandigd; de rode magneetjes, de reprints van uw publicaties (in een doos), de bekers van het jubileum, een zwarte bakelieten pennenbakje, een viergaatsperforator, een blauwe Erasmus Universiteitsparaplu, een Ikea krukje.
Met de heer [naam 8] is besproken dat - voor zover deze aanwezig waren - alle mappen en boeken met een privé karakter (privé correspondentie, kopieën uitspraken, stripboek en managementboeken) waren opgeslagen in kamer Ee-818.
Tijdens het overleg is benoemd, dat de volgende zaken niet zijn getraceerd; een groen nietapparaatje. cadeaupapier, paaseitjes, twee grillplaten met bakplaat, een poster van Albert Einstein, een Terschellinger prullenmand, twee perspex schrijfbladen met daarop ‘Erasmus Universiteit’;
Ten aanzien van alle overige door u opgevoerde zaken is het privé eigendom door het Erasmus MC, vanwege het zakelijke karakter daarvan, betwist.
Ad e.)
Als overweging ten overvloede heeft de Raad van Bestuur u in de gelegenheid gesteld een voorstel te doen voor een verklaring als bedoeld onder punt 8.16 van het advies van de Bezwarencommissie, uitgaande van de rechtens vaststaande besluitvorming over de conclusies en adviezen van de Commissie Ad Hoc. Op 22 december 2014 heeft u een voorstel gedaan voor een verklaring aan voormalige collega's en voormalig en zittend personeel van de afdeling [naam 1] . De inhoud en strekking van uw concept was dat u in het geheel niets te verwijten viel, hetgeen niét strookt met de conclusies van de Commissie Ad Hoc. Zoals reeds bij herhaling eerder aangegeven, kan een dergelijk uiting onmogelijk door de Raad van Bestuur worden uitgedragen.”