Beëindigingsovereenkomst ex art. 7:670b BW. Discussie over de vraag of wn'er die overeenkomst (tijdig) heeft ontbonden. Wn'er stelt de ontbindingsverklaring persoonlijk in de brievenbus te hebben gedeponeerd; wg'er ontkent. Loonvordering wn'er afgewezen.
vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [woonplaats eiser] ,
eiser,
thans procederend in persoon (gemachtigde voorheen: mr. R. Pril te Enschede),
tegen
de besloten vennootschap
Röhlig Nederland B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
gedaagde,
gemachtigde: mr. M.H. Stekelenburg te Amsterdam.
Partijen worden hierna [eiser] en Röhlig genoemd.
1 Het verloop van de procedure
1.1
Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:
-
het exploot van dagvaarding van 9 januari 2019, met producties;
-
de conclusie van antwoord, met producties;
-
het tussenvonnis van 28 februari 2019, waarbij een comparitie van partijen is bepaald;
-
het proces-verbaal van de op 3 april 2019 gehouden comparitie van partijen;
-
de beide filmopnames die mr. Stekelenburg namens Röhlig in het geding heeft gebracht;
-
de akte uitlating n.a.v. proces-verbaal van de comparitie van 3 april 2019 zijdens Röhlig.
1.2
Bij faxbrief van 16 mei 2019 heeft mr. Pril zich als gemachtigde van [eiser] onttrokken. Vervolgens heeft de griffie zich rechtstreeks tot [eiser] gericht. Bij brief van 24 mei 2019 is [eiser] een laatste uitstel verleend om te reageren op het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 3 april 2019. [eiser] heeft niet meer gereageerd.
1.3
De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis vervolgens, na aanhouding ter rolle van 16 augustus 2019, nader bepaald op heden.
2 De vaststaande feiten
Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.
2.1
[eiser] , geboren op [geboortedatum eiser] , is op 1 januari 2018 in dienst getreden bij Röhlig in de functie van Sea freight manager Rotterdam. De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor de duur van één jaar en eindigt van rechtswege op 31 december 2018.
2.2
Röhlig heeft [eiser] een vaststellingsovereenkomst aangeboden die is gedateerd op 30 augustus 2018. Daarin is onder meer opgenomen dat de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 oktober 2018 eindigt en dat [eiser] vanaf 14 september 2018 wordt vrijgesteld van het verrichten van werkzaamheden, waarbij hij de bedrijfseigendommen aan Röhlig ter beschikking moet stellen. Röhlig wijst [eiser] in de vaststellingsovereenkomst op de mogelijkheid om de overeenkomst binnen 14 dagen nadat deze is gesloten door een schriftelijke aan de werkgever gerichte verklaring te ontbinden.
2.3
Partijen hebben de vaststellingsovereenkomst op 13 september 2018 ondertekend.
2.4
Op 21 september 2018 heeft Röhlig de eindafrekening opgesteld en aan [eiser] ter beschikking gesteld. Op 24 september 2018 heeft Röhlig, naast het reguliere salaris, het verschuldigde bedrag van de eindafrekening aan [eiser] overgemaakt.
2.5
Op 19 oktober 2018 heeft [eiser] een e-mail gestuurd aan Röhlig. Die e-mail luidt - voor zover van belang - als volgt:
“Op vrijdag 14 september jl. heb ik persoonlijk bijgaande brief (ondertekend) ’s avonds in de brievenbus van Röhlig Nederland BV gedaan.
De brief betreft ontbinding van de vaststellingsovereenkomst welke ik op donderdag 13 september jl. onder dwang van u moest tekenen.
Op deze brief heb ik echter nog géén reactie gekregen, waardoor ik ervan uitga dat Röhlig Nederland BV de ontbinding heeft geaccepteerd en mijn contract dat op 31 december as. afloopt, netjes uitdient.
Graag zie ik nog een bevestiging tegemoet. (…)”
2.6
Bij brief van 24 oktober 2018 heeft Röhlig het volgende aan [eiser] laten weten:
“wij hebben geen schrijven van u ontvangen, zoals u aangeeft in de e-mail dd. vrijdag 19 oktober 2018.
De termijn van 14 dagen zoals aangegeven in artikel 19 van de vaststellingsovereenkomst is verstreken. De vaststellingsovereenkomst wordt niet ontbonden. (…)”
2.7
Bij e-mail van 25 oktober 2018 heeft [eiser] de volgende e-mail aan Röhlig gestuurd:
“(…) Omdat er op het kantoor van Röhlig Nederland BV in Rotterdam wel vaker post zogenaamd niet werd ontvangen, had ik deze reactie van u al verwacht.
Ik ben dan ook blij dat ik op vrijdag 14 september jl. direct een kopie van de brief naar mijn advocaat heb gestuurd, én dat ik een getuige heb dat ik de brief die dag persoonlijk in de brievenbus van Röhlig Nederland heb gedeponeerd.
Van mijn kant is de vaststellingsovereenkomst dan ook nog steeds ontbonden en stel ik me dan ook nog steeds beschikbaar voor werk. (…)”
2.8
Vervolgens is tussen de gemachtigden gecorrespondeerd, maar dit heeft niet tot een oplossing geleid.
3 De vordering
3.1
[eiser] heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Röhlig te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting en onder verstrekking van deugdelijke specificaties aan [eiser] te betalen:
het loon en vakantiegeld over de maanden oktober tot en met december 2018 van in totaal € 16.200,00 bruto en een bedrag van € 1.379,34 bruto aan opgebouwde, maar niet genoten vakantiedagen;
de maximale wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over de onder a gevorderde bedragen, zijnde een bedrag van € 8.789,67;
de wettelijke rente over een bedrag van € 22.759,34 vanaf de dag van dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;
e buitengerechtelijke kosten van € 1.164,02 inclusief btw;
de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2
Aan zijn vordering heeft [eiser] - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - ten grondslag gelegd dat hij de vaststellingsovereenkomst overeenkomstig het bepaalde in artikel 7:670b lid 2 BW tijdig heeft ontbonden.
3.2.1
Op 14 september 2018 heeft [eiser] , in het bijzijn van zijn buurman de heer [naam] die daarover schriftelijk heeft verklaard, een brief in de brievenbus van Röhlig gedeponeerd. In die brief heeft [eiser] - voor zover thans van belang - het volgende geschreven:
“(…) Ik heb de vaststellingsovereenkomst dus onder dwang getekend en wil de overeenkomst op basis van artikel 19 bij deze per direct ontbinden. Omdat u mij gisteren (13 september 2018, toevoeging kantonrechter) de overeenkomst heeft laten tekenen met datum 30 augustus 2018, stuur ik u deze brief binnen de gestelde 14 dagen.
Ik stel me dan ook weer per direct beschikbaar voor werk. Mocht u hiervan gebruik willen maken, dan zal ik mij op de door u aangegeven dag weer op kantoor Rotterdam melden. (…)”
3.2.2
Aangezien [eiser] zich beschikbaar heeft gehouden om arbeid te verrichten, bestaat recht op doorbetaling van het salaris tot en met 31 december 2018, aldus [eiser] .
4 Het verweer
4.1
Het verweer van Röhlig strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [eiser] in de proces- en nakosten.
4.2
Ter onderbouwing van haar verweer heeft Röhlig - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende aangevoerd.
4.2.1
[eiser] heeft meerdere malen en na herhaalde waarschuwingen de geldende regelingen binnen Röhlig overtreden. Zo heeft [eiser] gehandeld in strijd met het nevenwerkzaamhedenbeding uit de arbeidsovereenkomst. Daarmee heeft hij Röhlig financieel benadeeld, ten gunste van zijn eigen vennootschap. Nadat Röhlig hem bij e-mailbericht van 26 juli 2018 op de ernst van zijn handelen had gewezen en hem gewaarschuwd had, heeft Röhlig op 12 september 2018 nieuwe onregelmatigheden geconstateerd in de dossiers die behandeld waren door [eiser] . Röhlig stelt dat zij toen voldoende redenen had om [eiser] op staande voet te ontslaan, doch dat zij er toen, mede in verband met zijn privésituatie, voor gekozen heeft om hem een vaststellingsovereenkomst aan te bieden, waarbij hij de rest van de maand zou worden vrijgesteld van werk en waarbij de kans op een WW-uitkering een stuk groter zou zijn dan bij een ontslag op staande voet.
4.2.2
De verklaring waarvan [eiser] stelt dat hij deze op 14 september 2018 in de brievenbus van Röhlig heeft gedaan, heeft Röhlig nooit bereikt, althans pas op 19 oktober 2018, en dus na het verstrijken van de bedenktermijn. Röhlig plaatst haar vraagtekens bij de stellingen van [eiser] en de schriftelijke getuigenverklaring van zijn buurman. Röhlig beschikt niet over een brievenbus, maar over een postbus die slechts geopend kan worden met een sleutel. De receptie heeft een sleutel en kan de post in de brievenbus leggen. Na 18.00 uur is de receptie gesloten, na die tijd is het niet mogelijk post in de brievenbus te laten deponeren. Dat [eiser] de brief zelf heeft gedeponeerd kan onmogelijk juist zijn.
4.2.3
Bovendien is het gebruikelijk dat berichtenverkeer binnen Röhlig per e-mail wordt verstuurd. Vanuit zijn functie is [eiser] er bovendien mee bekend hoe belangrijke documenten worden verzonden: per aangetekende post. Dat [eiser] voor deze manier van verzending heeft gekozen is zeer onwaarschijnlijk, zeker nu hij in zijn e-mail van 25 oktober 2018 schrijft dat hij al verwacht had dat de post niet zou zijn ontvangen.
4.2.4
[eiser] heeft vijf weken gewacht met het versturen van een e-mail terwijl hij geen ontvangstbevestiging van de ontbindingsverklaring of een bevestiging van het doorlopen van de arbeidsovereenkomst heeft ontvangen. [eiser] heeft ook naar aanleiding van de eindafrekening eind september ook niet geverifieerd of de ontbindingsverklaring was ontvangen, terwijl de bedenktermijn op dat moment nog niet was verstreken.
4.2.5
Zou [eiser] de vaststellingsovereenkomst wel tijdig hebben vernietigd, dan zou Röhlig hem alsnog op staande voet hebben ontslagen, gezien de door Röhlig geconstateerde onregelmatigheden.
5 De beoordeling
5.1
Vaststaat dat partijen op 13 september 2018 een vaststellingsovereenkomst zijn aangegaan waarin zij de tussen hen geldende arbeidsovereenkomst hebben beëindigd. Op grond van artikel 7:670b lid 2 BW heeft de werknemer het recht om deze overeenkomst zonder opgaaf van redenen, binnen veertien dagen na de datum waarop de overeenkomst tot stand is gekomen, door een schriftelijke, aan de werkgever gerichte, verklaring te ontbinden (hierna: de bedenktermijn). De verklaring heeft het gewenste rechtsgevolg alleen als die door de werkgever binnen de bedenktermijn is ontvangen.
5.2
Partijen twisten over de vraag of [eiser] de beëindigingsovereenkomst tijdig binnen de bedenktermijn heeft ontbonden.
5.3
Tijdens de comparitie van partijen heeft [eiser] toegelicht dat hij de ontbindings-verklaring op 14 september 2018, en dus tijdens de bedenktermijn, onder in de postbus van Röhlig heeft geschoven. Röhlig heeft aangevoerd dat het heel onwaarschijnlijk is dat [eiser] de brief in de postbus heeft kunnen schuiven. De kantonrechter heeft partijen toegestaan na afloop van de comparitie van partijen gezamenlijk en in elkaars bijzijn een filmpje te maken van het posten van een brief in de gesloten postbus van Röhlig. Partijen hebben vervolgens twee filmopnames gemaakt die zijn toegevoegd aan het procesdossier.
5.4
Uit de filmopnames heeft de kantonrechter afgeleid dat het mogelijk is om een enveloppe met een A4-tje in de postbus van Röhlig te deponeren, zij het dat dat alleen lukt aan de bovenzijde van de postbus en niet aan de onderzijde. Dat is ook zo vermeld in het proces-verbaal van de comparitie van partijen, waarbij partijen in de gelegenheid zijn gesteld zich desgewenst bij akte uit te laten over die conclusie. Röhlig heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt, waarbij zij gesteld heeft dat zij het eens is met de conclusie van de kantonrechter. Daarbij heeft Röhlig benadrukt dat [eiser] ter zitting meerdere malen heeft verklaard dat hij de ontbindingsverklaring via de onderzijde in de postbus heeft gedeponeerd. [eiser] heeft, hoewel daartoe naar behoren in de gelegenheid gesteld, niet meer gereageerd en hij heeft de conclusies die de kantonrechter getrokken heeft uit de beide filmopnames onweersproken gelaten, nadat zijn advocaat zich aan de behandeling van de zaak had onttrokken.
5.5
Naar het oordeel van de kantonrechter is de beëindigingsovereenkomst niet door [eiser] ontbonden, nu niet is komen vast te staan dat de ontbindingsverklaring door Röhlig binnen de bedenktermijn is ontvangen.
[eiser] verklaring over het deponeren van de ontbindingsverklaring en de filmopnames gaan niet samen. Uit de filmopnames blijkt immers duidelijk dat een enveloppe niet aan de onderzijde van de postbus kan worden gedeponeerd, terwijl [eiser] dat ter zitting wel heeft verklaard. De stelling van [eiser] vindt ook geen steun in de schriftelijke getuigenverklaring van zijn buurman. Weliswaar verklaart de buurman dat hij heeft gezien dat [eiser] de brief in de brievenbus deponeerde, maar hij gaat niet nader in op de wijze waarop dat is gegaan. Hij stelt in die verklaring, voor zover thans van belang:
“(…) Wij zijn samen aan de kant van het Weena-Zuid het A-gebouw ingegaan en ik heb gezien dat de heer [eiser] de brief persoonlijk in de brievenbus (no.342) van Röhlig Nederland BV heeft gedeponeerd.”
Die verklaring kan niet juist zijn, omdat op de beide filmopnames duidelijk te zien is dat geen sprake is van een brievenbus, maar van een postbus, waarbij met enige moeite aan de bovenzijde een dunne enveloppe naar binnen gefrommeld kan worden. Als [eiser] op die wijze de ontbindingsverklaring in die postbus gedeponeerd had, is aannemelijk dat de buurman van [eiser] dat nadrukkelijk in zijn verklaring vermeld had. Onder die omstandigheden komt aan de verklaring van de buurman van [eiser] onvoldoende betekenis toe, nog daargelaten dat die verklaring niet onder ede is afgelegd.
5.6
Gesteld noch gebleken is dat [eiser] binnen de bedenktermijn op andere wijze de ontbindingsverklaring aan Röhlig heeft toegezonden. Gelet op de inhoud van zijn e-mail van 25 oktober 2018 (zie hiervoor onder 2.7) is dat onbegrijpelijk. [eiser] schrijft in die e-mail immers dat hij wel had verwacht dat Röhlig de ontvangst van de ontbindingsverklaring zou betwisten om dat er ‘wel vaker post zogenaamd niet werd ontvangen’. [eiser] heeft ter zitting toegelicht dat er sprake was van ‘paniekvoetbal’ omdat 14 september 2018 mogelijk de laatste dag van de bedenktermijn was, gerekend vanaf de datum van datering van de vaststellingsovereenkomst. Dat [eiser] als gevolg daarvan de ontbindingsverklaring niet ook per e-mail of per aangetekende post heeft verzonden, mag dan zo zijn, maar strookt overigens ook niet met zijn opmerking, eveneens in de e-mail van 25 oktober 2018 dat hij de brief wel direct op die vrijdag aan zijn advocaat heeft gestuurd.
Ook nadat Röhlig was overgaan tot eindafrekening van het dienstverband, nog tijdens de bedenktermijn, is [eiser] niet nagegaan of de ontbindingsverklaring door Röhlig is ontvangen, hetgeen wel op zijn weg had gelegen.
5.7
De slotsom is dat de arbeidsovereenkomst als gevolg van de door partijen ondertekende vaststellingsovereenkomst is geëindigd per 1 oktober 2018. [eiser] heeft geen gebruik gemaakt van de hem geboden mogelijkheid om zich uit te laten over de conclusies van de kantonrechter over de filmopnames en [eiser] heeft het in dat opzicht processueel laten afweten. Onder die omstandigheden bestaat er onvoldoende aanleiding om hem tot bewijslevering toe te laten.
De vorderingen van [eiser] worden dan ook afgewezen.
5.8
Als de in het ongelijk gestelde partij wordt [eiser] veroordeeld in de proceskosten, die tot op heden aan de zijde van Röhlig worden begroot op € 960,00 aan salaris voor de gemachtigde (2 punten van € 480,00 per punt). De apart gevorderde nakosten worden toegewezen als hierna vermeld, nu de proceskostenveroordeling hiervoor reeds een executoriale titel geeft en de kantonrechter van oordeel is dat de nakosten zich reeds vooraf laten begroten.
6 De beslissing
De kantonrechter:
wijst de vordering van [eiser] af;
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Röhlig vastgesteld op € 960,00 aan salaris voor de gemachtigde en indien [eiser] niet binnen veertien dagen na aanschrijving vrijwillig aan dit vonnis heeft voldaan, begroot op € 120,00 aan nasalaris. Indien daarna betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, dient het bedrag aan nasalaris nog te worden verhoogd met de kosten van betekening;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad voor wat betreft de proceskostenveroordeling.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.J. Wetzels en uitgesproken ter openbare terechtzitting.
28356
De gegevens worden opgehaald
Hulp bij zoeken
Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over: