vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
zaaknummer / rolnummer: C/10/600562 / KG ZA 20-632
Vonnis in kort geding van 9 september 2020
[eiser]
,
wonende te [woonplaats eiser] ,
eiser,
advocaat: mr. P.A. Visser te Rotterdam,
[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats gedaagde] ,
gedaagde,
advocaten: mr. K. Kasem en mr. M. el Allali te Amsterdam.
Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd.
2. De feiten
2.1.
[eiser] werkt als docent Mens en Maatschappij bij het [naam school] te Rotterdam (hierna: de School). Sinds kort is [eiser] ook teamleider.
2.2.
[gedaagde] is of was voorzitter van de medezeggenschapsraad (hierna: MR) van de School.
2.3.
Op 19 november 2019 heeft er op de School een vergadering van de MR plaatsgevonden, die een tumultueus verloop heeft gehad. Bij deze vergadering (hierna: de MR-vergadering) was een aantal docenten, niet-leden, aanwezig, onder wie [eiser] . Van deze vergadering is een geluidsopname gemaakt. Aan het begin van de vergadering heeft [eiser] gereageerd op een opmerking van [gedaagde] .
2.4.
Bij e-mail van 20 november 2019 heeft [gedaagde] aan de toenmalige directeur van de School medegedeeld dat zij vlak voor de MR-vergadering, in een klas vol met leerkrachten van de School door een van zijn werknemers met de dood is bedreigd.
2.5.
Op 6 december 2019 heeft [gedaagde] bij de politie aangifte gedaan van bedreiging door [eiser] . Ten overstaan van de verbalisant heeft [gedaagde] verklaard dat zij hoorde en zag dat [eiser] haar aankeek en schreeuwde: “Ik scheur haar hoofd eraf”.
2.6.
Bij brief van 20 december 2019 heeft de advocaat van [eiser] [gedaagde] verzocht en gesommeerd de mededeling dat zij zou zijn bedreigd te rectificeren en om de personen die zij van die beschuldiging in kennis heeft gesteld, over die rectificatie te informeren. In deze brief schrijft de advocaat dat collega’s van [eiser] unaniem verklaren dat hij geen bedreigingen heeft geuit en dat ook uit de geluidsopname blijkt dat hij een dergelijke mededeling niet heeft gedaan. Voorts kondigt de advocaat aan dat [eiser] bij het uitblijven van een reactie aangifte van laster en smaad zal doen.
2.7.
[gedaagde] heeft niet op de sommatie gereageerd en ook niet op de in januari 2020 gestuurde herinnering.
2.8.
Op of omstreeks 20 mei 2020 heeft [gedaagde] een reactie geplaatst onder een Facebookbericht van [naam persoon 1] met – voor zover hier van belang – de volgende inhoud:
“In mijn beleving is dit machtsmisbruik en staat haaks op alles wat de islam vertegenwoordigd. Deze bestuurder staat toe dat leerkrachten ouders met de dood bedreigen en leerkrachten leerlingen bedreigen. Dat is dus geen islamitische school. Mij heeft deze bestuurder (via het personeelslid wat mij publiekelijk met de dood bedreigd heeft) tot drie keer toe gewaarschuwd een rechtszaak wegens smaad te starten, ik hoop dat hij het eindelijk gaat doen, want ik kan alles bewijzen!”
2.9.
Eind mei 2020 werd er in de WhatsAppgroep van de klassenvertegenwoordigers van de School verwezen naar voormeld Facebookbericht. In deze WhatsAppgroep zijn onder meer de volgende berichten gepost:
“Mvr [gedaagde] in onze mr vergadering
Is bedreigd door de dood
Door een docent daar”
2.10.
In door [eiser] overgelegde ongedateerde verklaringen hebben [naam persoon 2] , [naam persoon 3] en [naam persoon 4] met betrekking tot de MR-vergadering verklaard dat zij [eiser] geen bedreigingen hebben horen uiten en dat hij juist zijn best deed om de boel te sussen.
2.11.
In een door [gedaagde] overgelegde verklaring van 28 juli 2020 verklaart [naam persoon 5] dat [eiser] tijdens de MR-vergadering het volgende heeft geschreeuwd:
“Dat wij wat? Dat wij wat?? Ik kan je hoofd wel scheuren!”
2.12.
In een door [gedaagde] overgelegde verklaring van 24 augustus 2020 verklaart [naam persoon 6] dat [eiser] tijdens de MR-vergadering het volgende heeft geschreeuwd:
“Ik ga je hoofd scheuren”.
4. De beoordeling
4.1.
[gedaagde] heeft uitlatingen gedaan waarin zij [eiser] ervan beschuldigt dat hij haar tijdens de MR-vergadering met de dood heeft bedreigd. Ook daar waar [gedaagde] de naam van [eiser] niet heeft genoemd, is het voor de betrokkenen duidelijk dat de beschuldigingen van [gedaagde] zich richten op [eiser] . Voorts staat vast dat deze beschuldiging is terug te voeren op de MR-vergadering en meer precies op wat er daar – in de vierde minuut van de opname – door [eiser] is gezegd.
4.2.
Aangezien [gedaagde] in mei 2020 nog heeft gerefereerd aan de door haar gestelde bedreiging, heeft [eiser] bij zijn vordering het voor deze procedure vereiste spoedeisend belang.
4.3.
In dit kort geding moeten de uitlatingen van [gedaagde] worden getoetst aan de vrijheid van meningsuiting en daarop te maken beperkingen. Aangezien beide partijen betrokken zijn of waren bij de School en de gewraakte uitlating is gedaan in een vergadering van de School, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de beschuldiging van een doodsbedreiging ernstige gevolgen kan hebben voor de geloofwaardigheid van [eiser] in zijn hoedanigheid van docent. [gedaagde] heeft dit ook niet weersproken. In dit kort geding gaat het om de vraag of [gedaagde] , mede met het oog op de belangen van [eiser] , voldoende zorgvuldig heeft gehandeld bij het uiten van deze beschuldiging. Hiertoe is in de eerste plaats van belang of de beschuldiging voldoende steun vindt in de (op dat moment bekende) feiten. In een kort geding zijn de regels omtrent bewijs niet van toepassing en kan worden volstaan met beantwoording van de vraag of op grond van het ter kennis van de rechter gebrachte bewijsmateriaal de stellingen waarop de gevraagde voorziening wordt gegrond voldoende aannemelijk zijn geworden.
4.4.
Op de geluidsopname is te horen dat [gedaagde] iets zegt, waarna [eiser] haar meerdere keren vraagt om haar zin af te maken. Dit staat tussen partijen niet ter discussie. Bij het beluisteren van de geluidsopname tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzieningenrechter geconstateerd dat [eiser] vervolgens zegt: “dan kun je wel je hoofd ..”. Het volgende woord is niet goed verstaanbaar. Volgens [eiser] heeft hij vervolgens gezegd “schudden”, volgens [gedaagde] heeft hij “scheuren” gezegd.
4.5.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is onvoldoende aannemelijk geworden dat [eiser] met de gewraakte uitlating [gedaagde] met de dood heeft bedreigd. Uit de opname volgt dat [eiser] in ieder geval niet heeft gezegd dat hij een handeling gaat verrichten met het hoofd van [gedaagde] . Hij zegt immers “dan kun je wel je hoofd”. Ook als [eiser] vervolgens het woord scheuren heeft gebruikt – wat de voorzieningenrechter overigens niet heeft gehoord – valt niet in te zien dat die uitlating redelijkerwijs als een bedreiging kan worden opgevat. Desgevraagd heeft [gedaagde] ook verklaard dat zij niet weet wat “ik ga je hoofd scheuren” betekent. Voorts heeft de voorzieningenrechter aan de hand van de geluidsopname geconstateerd dat [eiser] – anders dan [gedaagde] heeft verklaard – ook niet heeft geschreeuwd. In de context waarin [eiser] [gedaagde] meerdere keren heeft verzocht om haar zin af te maken, lijkt de uitleg van [eiser] dat [gedaagde] haar hoofd schudde en dat hij daar wat van zei, veel meer aannemelijk.
4.6.
Aangezien de beschuldiging onvoldoende steun vindt in de feiten, kunnen de uitlatingen waarin [gedaagde] [eiser] direct of indirect van bedreiging beschuldigt als onrechtmatig worden aangemerkt. Dit geldt temeer aangezien [gedaagde] deze uitlating – ook na de herhaalde sommatie – nog heeft herhaald. Na de sommatie, waarin de beschuldiging werd weersproken, had het minst genomen op haar weg gelegen om nader onderzoek te doen naar de beschuldiging, zeker nu er een geluidsopname van de vergadering beschikbaar was. Dat [gedaagde] volgens haar verklaring de uitlating van [eiser] als zeer bedreigend heeft ervaren, maakt dat niet anders.
4.7.
De kennelijke, algemenere onvrede van [gedaagde] over de gang van zaken binnen de School en haar opmerkingen over de voorbeeldfunctie van docenten, rechtvaardigen niet dat zij in het openbaar specifieke beschuldigingen uit, zoals zij dat heeft gedaan in het 2.8 vermelde Facebookbericht. Weliswaar heeft zij daarin de naam van [eiser] niet genoemd, maar zij heeft niet weersproken dat zij hiermee doelt op de uitlating van [eiser] tijdens de MR-vergadering. Haar opmerking dat zij “alles kan bewijzen” is niet anders te begrijpen dan dat zij vasthoudt aan haar lezing dat zij tijdens de MR-vergadering met de dood is bedreigd. Aangezien het betreffende Facebookbericht weer wordt aangehaald in de WhatsAppgroep van de klassenvertegenwoordigers en daar ook weer de link gelegd wordt met de MR-vergadering, acht de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk dat bij betrokkenen binnen de school (waaronder leerlingen) het bericht rondgaat dat [eiser] [gedaagde] tijdens de MR-vergadering met de dood heeft bedreigd. Dat [gedaagde] niet de afzender is van de betreffende WhatsApp-berichten, doet niet af aan de onrechtmatigheid van het Facebookbericht.
4.8.
Aangezien [gedaagde] de gewraakte uitlating – ook na de herhaalde sommatie en zonder enige nuancering – in mei 2020 nog op Facebook heeft herhaald, acht de voorzieningenrechter het gevorderde gebod om deze uitlatingen te staken – en daarmee een verbod om deze uitlating te doen – toewijsbaar. Het verbod zal evenwel worden beperkt tot de gestelde doodsbedreiging, aangezien andere (mogelijk onheuse) uitingen hier niet in het geding zijn. De toezegging van [gedaagde] om in de toekomst openbaarmaking van de beschuldiging achterwege te laten, acht de voorzieningenrechter onvoldoende, aangezien uit niets blijkt dat [gedaagde] afstand heeft genomen van haar beschuldiging.
4.9.
Gelet op het (geciteerde) Facebookbericht en het belang van [eiser] om gevrijwaard te worden van onterechte beschuldigingen, acht de voorzieningenrechter de rectificatie eveneens toewijsbaar, zij het met inachtneming van het volgende. Hoewel [gedaagde] geen zelfstandig verweer heeft gevoerd tegen de tekst van de rectificatie, acht de voorzieningenrechter afgedwongen excuses niet toewijsbaar. De rectificatie zal daarom worden toegewezen zoals in het dictum vermeld. Het staat [gedaagde] overigens wel vrij aan deze tekst excuses toe te voegen.
4.10.
Deze rectificatie dient gedurende zes weken te worden geplaatst op de Facebookpagina van [gedaagde] en te worden verzonden aan de School, en wel ter attentie van de leerkrachten en de MR. Het is niet nodig om alle docenten en leden van de MR afzonderlijk te berichten, waarbij de voorzieningenrechter ervan uitgaat dat [gedaagde] – zoals ter zitting aan de orde is geweest – thans geen voorzitter meer is van de MR. Daarnaast dient de rectificatie ter kennis te worden gebracht van de beheerder van de HR-mailbox, zodat het bericht kan worden opgenomen in de nieuwsbrief. Het is aan [gedaagde] om te beslissen of zij deze rectificaties per post of per e-mail verzendt. Indien het voor [gedaagde] onmogelijk is om zelf e-mails te verzenden aan het domein [domeinnaam] geeft de voorzieningenrechter haar in overweging om daarvoor een derde in te schakelen, bijvoorbeeld haar advocaat.
4.11.
Oplegging van een dwangsom is aangewezen. De gevorderde dwangsom wordt gematigd en gemaximeerd zoals in het dictum vermeld.
4.12.
[gedaagde] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:
- betekening oproeping € 100,89
- griffierecht € 304,00
- salaris advocaat € 980,00
Totaal € 1.384,89
4.13.
De nakosten worden toegewezen zoals in het dictum vermeld.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter:
5.1.
verbiedt [gedaagde] om berichten te verspreiden die inhouden dat [eiser] haar op de vergadering van de medezeggenschapsraad van het [naam school] van 19 november 2019 met de dood heeft bedreigd;
5.2.
gebiedt [gedaagde] binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis een rectificatie met de volgende inhoud gedurende zes weken te plaatsen op haar Facebookpagina en om deze te verzenden aan de docenten, de MR en aan (de beheerder van) de HR-mailbox:
“Ik heb bericht dat de heer [eiser] mij met de dood zou hebben bedreigd tijdens de MR-vergadering van 19 november 2019. Dat is nooit gebeurd, niet op 19 november en ook niet op een andere datum.”
5.3.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 250,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de in 5.1 en 5.2 uitgesproken hoofdveroordelingen voldoet, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt;
5.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.384,89;
5.5.
veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak;
5.6.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. Sikkel en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2020.
3077/1573