Uitspraken

Een deel van alle rechterlijke uitspraken wordt gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit gebeurt gepseudonimiseerd.

Deze uitspraak is gepseudonimiseerd volgens de pseudonimiseringsrichtlijn

ECLI:NL:RBROT:2021:11861

Rechtbank Rotterdam
30-11-2021
02-12-2021
10/997517-15
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig

Verordening 1013/2006 is van toepassing op schip [naam schip] en is aangemerkt als afvalstof als bedoeld in die kaderrichtlijn/EVOA.

Schip is op weg van Leer (Dld) naar Turkije nog binnen de EU gezonken, daarom is geen sprake van uitvoer.

Rechtspersonen als mededaders aangemerkt. Verdachte als bestuurder van rechtspersonen veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden voorwaardelijk, proeftijd 2 jaren en een taakstraf van 160 uren subsidiair 80 dagen vervangende hechtenis.

Rechtspraak.nl
JAF 2021/12
M en R 2022/21 met annotatie van W.Th. Douma
UDH:TvSO/17173 met annotatie van mr. R.M.J. de Rijck

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/997517-15

Datum uitspraak: 30 november 2021

Tegenspraak

Vonnis1 van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor economische strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte] ,

raadsman mr. H.G. Ruis te Meppel.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 21 september 2021 en van 16 november 2021.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. K. Broere heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een taakstraf van 240 uren en een gevangenisstraf van 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

4. Waardering van het bewijs

Aan de verdachte wordt – kort gezegd – verweten dat hij zich, al dan niet samen met een ander of anderen, schuldig heeft gemaakt aan, primair de uitvoer van een schip genaamd [naam schip] (“ [naam schip] ”) in strijd met de bepalingen van de Europese Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees parlement en de raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (“EVOA”), subsidiair het overbrengen van [naam schip] naar Turkije zonder dat dit is gebeurd met kennisgeving aan en/of toestemming door de bevoegde autoriteiten zoals vereist door de EVOA.

4.1.

Standpunt verdediging

De verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde omdat het schip niet kwalificeert als een afvalstof, omdat de rechthebbende zich er niet van wilde ontdoen, maar ook omdat het schip niet daadwerkelijk uit de Europese Gemeenschap is uitgevoerd, aangezien het in Engelse wateren is gezonken en deze wateren destijds nog tot de Europese Gemeenschap behoorden.

Voor zover de rechtbank niettemin tot bewezenverklaring zou komen, dient de verdachte te worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat het ten laste gelegde niet strafbaar is, omdat niet de ten laste gelegde Verordening 1013/2006 van toepassing is, maar de recentere Verordening 1257/2013 en het onder die Verordening toegestaan is om zeeschepen in Aliaga te laten slopen zonder dat kennisgeving krachtens de EVOA nog langer vereist is.

Het subsidiair tenlastegelegde kan evenmin bewezen worden verklaard, omdat [naam schip] geen afvalstof als bedoeld in de EVOA was, zodat er voor de overbrenging geen mededeling behoefde te worden gedaan in het kader van de EVOA.

4.2.

Beoordeling

4.2.1.

Inleiding

De rechtbank zal beginnen met een uiteenzetting van het toepasselijke juridische kader en daarna van de feiten. Vervolgens zal de rechtbank de vragen beantwoorden.

4.2.2.

Juridisch kader

- Ingevolge artikel 10.60, lid 2, Wet milieubeheer (hierna: Wm) is het verboden handelingen te verrichten als bedoeld in artikel 2, onder 35, van de EVOA.

Het overtreden van het verbod van artikel 10.60, lid 2, van de Wm is een economisch delict op grond van artikel 1a, onder 1°, van de Wet op de economische delicten (hierna: WED).

Indien opzettelijk gepleegd is dit economische delict op grond van artikel 2 van de WED een misdrijf.

- Ingevolge artikel 2, aanhef en onder 1 van de EVOA wordt onder afvalstoffen verstaan: afvalstoffen als omschreven in artikel 1, lid 1, onder a) van Richtlijn 2006/12/EG. Deze Richtlijn is vervangen door Richtlijn 2008/98/EG van 19 november 2008 (hierna: Richtlijn 2008). Ten tijde van de tenlastegelegde feiten in 2012 was Richtlijn 2008 van toepassing. Volgens artikel 3, aanhef en onder 1 van Richtlijn 2008 wordt onder ‘afvalstof’ verstaan: elke stof of elk voorwerp waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen.

- Voor de betekenis van de uitdrukking “zich ontdoen van” wijst de rechtbank op de vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie en in het bijzonder het arrest van 12 december 2013 (C-241/12 en C-242/12; Shell). Daaruit volgt dat bij de beoordeling van de vraag of de houder van een voorwerp of stof in kwestie daadwerkelijk voornemens was zich ervan te ontdoen, alle omstandigheden van het geval in aanmerking genomen dienen te worden. Daarbij moet de doelstelling van Richtlijn 2006/12 (thans Richtlijn 2008) voor ogen worden gehouden, te weten dat de nuttige toepassing of de verwijdering van afvalstoffen plaatsvindt zonder gevaar voor gezondheid van de mens en zonder dat procedés of methoden worden aangewend die nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. Dit leidt ertoe dat het begrip “zich ontdoen van” niet beperkt mag worden uitgelegd.

- Artikel 34 staat in Titel IV, onder hoofdstuk 1 van de EVOA, waarin de uitvoer van voor verwijdering bestemde afvalstoffen naar derde landen is geregeld. Volgens het eerste lid van dit artikel is de uitvoer van voor verwijdering bestemde stoffen uit de gemeenschap verboden. In lid 2 is een uitzondering geformuleerd voor uitvoer naar EVA-landen.

- Ingevolge artikel 2, aanhef en onder 31 van de EVOA is uitvoer, voor zover hier relevant, het doen verlaten van afvalstoffen van de Unie.

- Ingevolge artikel 2, aanhef en onder 34 van de EVOA is overbrenging, voor zover hier relevant, het vervoer van voor nuttige toepassing of verwijdering bestemde afvalstoffen dat plaatsvindt of gepland is plaats te hebben (…) tussen een land en een ander land.

- Volgens artikel 2, aanhef en onder 35 van de EVOA is illegale overbrenging de overbrenging van afvalstoffen:

a. a) zonder kennisgeving aan alle betrokken bevoegde autoriteiten, overeenkomstig deze verordening, of

b) zonder toestemming van de betrokken bevoegde autoriteiten, overeenkomstig deze verordening, of

(...)

f) dat in strijd is met de artikelen 34, 36, 39, 40 en 43, of

(...)

4.2.3.

De rechtspersonen in het onderzoek

In het onderzoek komt een aantal rechtspersonen voor. Teneinde enig inzicht te geven in de onderlinge verhoudingen, zal de rechtbank deze rechtspersonen hieronder – voor zover van belang – kort benoemen.

- [naam rechtspersoon 1] . (hierna: [naam rechtspersoon 1] )

Deze rechtspersoon naar Panamees recht is in 2004 opgericht op het verzoek van de verdachte. Zij staat nog steeds ingeschreven in Panama, zij is echter niet actief vanwege achterstallige betalingen. Het postadres is [postadres] . 2 De verdachte is procuratie- en pashouder van de bankrekeningen van [naam rechtspersoon 1] .3

- [naam rechtspersoon 2] .

Deze rechtspersoon naar Panamees recht is in 2004 opgericht op het verzoek van de verdachte in verband met de registratie van de sleepboot [naam sleepboot] De maatschappij staat nog steeds ingeschreven in Panama, zij is echter niet actief vanwege achterstallige betalingen.4

- [naam rechtspersoon 3] . (Hierna: [naam rechtspersoon 3] ).

[naam rechtspersoon 3] is gevestigd te Urk met hetzelfde postbusadres als [naam rechtspersoon 1] . Deze rechtspersoon voert activiteiten uit op het gebied van zee- en kustvaart en laad-, los- en overslagactiviteiten voor zeevaart. [naam bedrijf 1] stond als enig aandeelhouder en bestuurder ingeschreven. De verdachte was de bestuurder van [naam bedrijf 1] en vervulde de functie van directeur. Hij was bevoegd deze rechtspersoon te vertegenwoordigen.5

- [naam rechtspersoon 4] (hierna: [naam rechtspersoon 4] )

De eigenaar van [naam rechtspersoon 4] betreft [naam 1] .

- [naam rechtspersoon 5] (hierna: [naam rechtspersoon 5] )

[naam rechtspersoon 5] is een scheepsrecyclingbedrijf en is gevestigd te Aliaga (Turkije). De directeur buitendienst is [naam 1] .6

- [naam rechtspersoon 6] (Hierna: [naam rechtspersoon 6] )

Is een wereldwijde organisatie, met vier vestigingen in Duitsland, waaronder Hamburg. Is actief op het gebied van scheepsdienstverlening waaronder de aan- en verkoop van schepen.7

- [naam rechtspersoon 7] .

Deze rechtspersoon naar Panamees recht is in 2013 opgericht op het verzoek van [naam 2] woonachtig in [woonplaats] . Dit betreft een makelaar met betrekking tot de aan en verkoop van schepen. Hij werkte veel samen met [naam 1] .

- [naam rechtspersoon 8] (hierna: [naam rechtspersoon 8] )

Deze rechtspersoon naar Panamees recht is in 2003 opgericht op het verzoek van [naam 2] . De maatschappij staat nog steeds ingeschreven in Panama, echter is niet actief vanwege achterstallige betalingen.

Voor de drie hiervoor genoemde vennootschappen treedt op [naam 3] .

- [naam rechtspersoon 9]

Is gevestigd in Rotterdam en Panama. Treedt op als ‘lokale agent’ van nagenoeg alle in dit onderzoek voorkomende rechtspersonen.89

4.2.4.

Uiteenzetting van de feiten

De volgende feiten en omstandigheden kunnen op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben op de terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag. De rechtbank zal die feiten en omstandigheden hieronder in chronologische volgorde benoemen.

Oktober 2012

De verdachte krijgt een tip voor de aanschaf van een schip genaamd [naam schip] via [naam rechtspersoon 4] .

De verdachte inspecteert op 17 oktober 2012 [naam schip] en koopt op dezelfde datum het schip namens [naam rechtspersoon 2] voor een bedrag van € 190.000,- van [naam bedrijf 2] te [vestigingsplaats bedrijf] .10

[naam rechtspersoon 3] noteert eind oktober 2012 in een offerte dat zij [naam schip] heeft geïnspecteerd en aangekocht en dat het schip zeer geschikt is als accommodatieschip.11

[naam rechtspersoon 2] sluit, eveneens eind oktober 2012, een overeenkomst met [naam rechtspersoon 6] te Hamburg (Duitsland) die als broker zal bemiddelen bij de verkoop van [naam schip] .12

[naam schip] wordt op 30 oktober 2012 door [naam rechtspersoon 2] doorverkocht voor een bedrag van

€ 245.000,- aan [naam rechtspersoon 5] . De overdracht vindt plaats te Leer (Duitsland).13 [naam rechtspersoon 6] is wederom betrokken en ontvangt een bedrag van € 10.000,- als provisie.

Op 31 december 2012 tekent [naam rechtspersoon 2] een overeenkomst met de Griekse onderneming [naam bedrijf 3] (hierna: [naam bedrijf 3] ) om [naam schip] door de zeesleper [naam zeesleper] van Leer te slepen met als eindbestemming Aliaga (Turkije) en betaalt hiervoor alvast een bedrag van € 37.500,-.14

Januari 2013

Op 4 januari 2013 verkoopt [naam rechtspersoon 5] [naam schip] door aan [naam rechtspersoon 8] voor een bedrag van USD 400.000,- zijnde € 305.810,- (wisselkoers 4 januari 2013).15

Op 8 januari 2013 wordt in verband met de aankoop van [naam schip] door [naam rechtspersoon 2] een bedrag van € 71.000,- vanaf een Nederlandse rekening van [naam rechtspersoon 1] betaald aan [naam bedrijf 2] betaald.

Op 8 januari 2013 wordt voor de verkoop van [naam schip] door [naam rechtspersoon 2] aan [naam rechtspersoon 5] op rekening van [naam rechtspersoon 1] een bedrag ontvangen van € 220.410,-

Op 9 januari 2013 wordt voor de aankoop van [naam schip] door [naam rechtspersoon 2] een bedrag van

€ 100.000,- betaald aan [naam bedrijf 2] .16

Op 9 januari 2013 wordt begonnen met versleping van [naam schip] uit Leer naar Emden (beide in Duitsland) door riviersleepboten.

Op 10 januari 2013 om 12.00 uur komt [naam schip] aan in Emden (Duitsland). [naam schip] wordt aldaar namens [naam rechtspersoon 5] door [naam rechtspersoon 2] , daarbij vertegenwoordigd door de verdachte, geleverd aan [naam rechtspersoon 8] .17

De kapitein van de [naam zeesleper] wil de sleep in Emden echter niet overnemen omdat [naam schip] reeds slagzij maakte. Nadat de slagzij was verholpen, vertrekt de [naam zeesleper] alsnog met [naam schip] als sleep om 19.15 uur. Na vertrek uit Emden (Duitsland) was als bestemming Harlingen geregistreerd.

Op 11 januari 2013 om 02.59 uur bevinden de [naam zeesleper] en [naam schip] zich op de Noordzee ten noordwesten van Texel en Vlieland en varen in westelijke richting naar Het Kanaal. De bestemming wordt gewijzigd in Aliaga (Turkije).18

Op 11 januari 2013 stuurt [naam 4] , de zoon van de verdachte, namens [naam bedrijf 4] een e-mail naar [naam bedrijf 3] Operation met betrekking tot de weersverwachtingen.19

“Dear [naam 5] ,

Thanks for your quick reply.

Could you send me also the weather forecast reports?

We don't want that your tug will sail in bad weather, especially in the Gulf of Biscay.

Otherwise we lose the tow.

Please keep us strictly informed.

Thanks.

Met vriendelijke groet / Kind Regards,

[naam 4]

[naam bedrijf 4]

[adres]

Tel : [telefoonnummer]

Fax: [faxnummer]

e-mail: [e-mailadres] ”

Op 12 januari 2013 passeren de schepen het Nauw van Calais.

Op 13 januari 2013 varen de schepen noordwaarts richting de zuidkust van het Verenigd Koninkrijk. De kapitein meldt aan de directie van [naam zeesleper] dat [naam schip] slagzij maakte.

Op 14 januari 2013 zinkt [naam schip] aldaar voor de kust.20

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde

4.2.5.

Is [naam schip] uit de Europese Gemeenschap uitgevoerd?

Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat [naam schip] niet daadwerkelijk uit de Europese Gemeenschap is uitgevoerd zoals bedoeld in Verordening 1013/2006.Nu [naam schip] in Engelse wateren is gezonken en deze destijds nog tot de Europese Gemeenschapbehoorden heeft [naam schip] het territorium van de Gemeenschap niet verlaten. De verdachte zal hierom van het primair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Gelet hierop behoeven de overige vragen geen beantwoording in het kader van het primair ten laste gelegde,

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde

4.2.6.

Standpunt verdachte

De verdachte dient te worden vrijgesproken omdat geen opzet inzake de bestemming van [naam schip] als afvalstof bewezen kan worden.

4.2.7.

Beoordeling

In het kader van het subsidiair ten laste gelegde zijn de volgende vragen van belang:

1) Is [naam schip] een afvalstof in de zin van de EVOA? 2) Is Verordening 1013/2006 of Verordening 1257/2013 van toepassing? 3) Is [naam schip] overgebracht naar Turkije in strijd met de Verordening 1013/2006?

4.2.8.

Vraag 1) Is [naam schip] een afvalstof in de zin van de EVOA?

Kort samengevat heeft de verdediging aangevoerd dat de reden van de aankoop van [naam schip] door [naam rechtspersoon 2] niet was om zich van het schip te ontdoen, waarmee het als een afvalstof zou kunnen worden gekwalificeerd, maar om het schip als accommodatieschip te (doen) gebruiken.

De rechtbank volgt de verdediging niet in dit standpunt. Uit de hiervoor geschetste feiten blijkt dat [naam 1] reeds vanaf oktober 2012 betrokken was bij de aankoop van [naam schip] , toen hij, dan wel zijn bedrijf [naam rechtspersoon 4] , de verdachte informeerde over [naam schip] en hem verzocht het schip te inspecteren. Eerst kocht [naam rechtspersoon 2] het schip, om het door te verkopen aan [naam rechtspersoon 5] , waar [naam 1] directeur was, [naam rechtspersoon 5] verkocht het schip kort daarna door aan [naam rechtspersoon 8] , waar [naam 1] afspraken mee had gemaakt en namens welk bedrijf hij instructies over de verdere koers en bestemming kon geven. De prijs van het schip werd bij iedere doorverkoop aanzienlijk opgehoogd waarbij de aan- en verkoopbedragen de rechtbank onlogisch voorkomen en waar geen plausibele verklaring voor is. Deze bedragen bestempelt de rechtbank daarom als onlogisch, omdat [naam 1] het schip in oktober 2012 al voor € 190.000,- had kunnen kopen, maar dit om niet duidelijk geworden motieven naliet. Wel was hij steeds in meer of minder actieve mate betrokken bij iedere doorverkoop, waarbij hij, dan wel [naam rechtspersoon 5] , ook nog opdraaide voor sleep- en verzekeringskosten zonder dat hiervoor een redelijke verklaring is gegeven. Ook de verdachte speelde bij deze transacties steeds een rol, alsmede [naam 3] , die bij de transacties steeds optrad voor zowel [naam rechtspersoon 8] als [naam rechtspersoon 2] als [naam rechtspersoon 1] . De rechtbank ziet hierin reeds duidelijke aanwijzingen om te twijfelen aan het door de verdachte geschetste scenario waarin hij, al dan niet met [naam rechtspersoon 2] voornemens was [naam schip] als accommodatieschip te gebruiken.

Bovendien volgt uit de hiervoor geschetste feiten dat de bestemming van [naam schip] reeds op 30 oktober 2012, ten tijde van de verkoop aan [naam rechtspersoon 5] , Aliaga (Turkije) is geweest. [naam rechtspersoon 5] is in Aliaga gevestigd en heeft als kernactiviteit het slopen en recyclen van schepen. Afgezien van de in een sleepplan opgegeven bestemming van Harlingen, bieden de stukken in het dossier onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat de werkelijke bestemming van [naam schip] niet Aliaga (Turkije), maar Harlingen was.

De verdediging heeft aangevoerd dat er een offerte bestaat, waaruit zou kunnen blijken dat [naam schip] daadwerkelijk als accommodatieschip werd aangeboden en derhalve niet voor de sloop bestemd was. Uit het document waarnaar de verdachte in dit verband heeft verwezen blijkt echter slechts van een algemene prijsopgave. Specifieke gegevens zoals datum en naam van de gegadigde ontbreken. Daarmee is het document onvoldoende concreet om daaruit de conclusie te trekken dat dit een offerte betreft.

Voorts heeft de verdediging betoogd dat er geen motief bestond voor het overbrengen naar Turkije voor sloop of recycling omdat het niet kostendekkend laat staan winstgevend zou zijn. De verdediging beroept zich in dit verband op de verklaring van de getuige [naam getuige]21 alsook op berekeningen van de verbalisanten22, waaruit afgeleid zou kunnen worden dat de kosten van aankoop, sleep en verzekering substantieel hoger zouden zijn dan mogelijke opbrengsten van sloop en ontmanteling. De rechtbank is van oordeel dat aan deze berekeningen geen doorslaggevende betekenis toe kan komen ter duiding van het motief van de verdachte, in het licht van de hiervoor besproken feiten en omstandigheden alsook gelet op het feit dat deze berekeningen gebaseerd zijn op aannames die in hoge mate afhankelijk zijn van sterk fluctuerende prijzen voor materialen.

Gelet op deze omstandigheden houdt de rechtbank het ervoor dat het reeds in oktober 2012 de bedoeling was dat [naam schip] zou worden gesloopt en dat dit in Aliaga zou gaan plaatsvinden. Van reële plannen om het schip als accommodatieschip in de vaart te houden is de rechtbank onvoldoende gebleken, reden waarom de rechtbank het door de verdachte geschetste scenario als ongeloofwaardig terzijde schuift.

De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat de verdachte zich van het schip heeft ontdaan. Overeenkomstig de uitleg die volgens het Hof van Justitie aan het begrip “zich ontdoen van” moet worden gegeven was [naam schip] daarom op dat moment een afvalstof in de zin van de EVOA.

Het verweer van de verdediging komt er op neer dat het naar maatschappelijke opvattingen onbegrijpelijk is dat een zeewaardig geoordeeld schip dat ook zonder goed functionerende motoren geschikt is om te worden ingezet als hotelschip, niet als afvalstof kan worden aangemerkt. Dit verweer doet aan deze conclusie niet af. Hoewel op zichzelf die gestelde inzetbaarheid als hotelschip een aanwijzing kan vormen dat geen sprake is van een afvalstof, is dat onder de gegeven omstandigheden echter niet doorslaggevend voor het antwoord op de vraag of sprake is van een afvalstof.

Zoals door het Hof van Justitie in het eerder genoemde Shell arrest is overwogen, moet doorslaggevende betekenis worden toegekend aan de ware intentie van de houder en zoals blijkt uit hetgeen hiervoor is uiteengezet was het hier de intentie om zich van het schip te ontdoen.

4.2.9.

Vraag 2) Is Verordening 1013/2006 of Verordening 1257/2013 van toepassing?

Door de verdediging aangevoerd dat niet Verordening 1013/2006 van toepassing is, maar de latere Verordening 1257/2013, omdat een compleet schip niet als afvalstof kan worden aangemerkt, omdat een schip niet op enige lijst behorende bij de oude verordening voorkomt en omdat de latere Verordening specifiek is toegesneden op het recyclen van schepen. Dit moet naar de mening van de verdediging leiden tot vrijspraak dan wel ontslag van rechtsvervolging.

De rechtbank verwerpt deze standpunten als volgt.

Blijkens de considerans bij de Verordening 1257/2013 worden schepen die de vlag van een lidstaat voeren en die onder het toepassingsgebied van deze verordening vallen, uitgesloten van het toepassingsgebied van Verordening 1013/2006. In het geval van [naam schip] staat vast dat dit schip geen vlag voerde en dus niet om die reden buiten het toepassingsbereik van Verordening 1013/2006 valt.23

Uit overweging 35 van de considerans bij de Verordening 1013/2006 blijkt voorts dat met deze Verordening tevens is beoogd te zorgen voor een veilig en milieuvriendelijk beheer van het slopen van schepen teneinde de menselijke gezondheid en het milieu te beschermen. Hieruit mag geconcludeerd worden dat de verordening ook betrekking heeft op schepen, hetgeen overigens ook volgt uit het feit dat schepen als afvalstof worden genoemd in een van de bijlagen bij de Verordening 1013/2006. Uit de overwegingen bij de Verordening inzake scheepsrecycling volgt expliciet dat de grensoverschrijdende overbrenging, met het oog op recycling van schepen die als afval zijn aangemerkt, wordt gereguleerd door het verdrag van Bazel en de Verordening 1013/2006, behoudens voor zover het schepen betreft die vallen onder de werking van de Verordening inzake scheepsrecycling zoals gedefinieerd onder artikel 2 van die Verordening. Zoals hierboven reeds is vastgesteld, voldoet [naam schip] hier niet aan.

Bezien tegen deze achtergrond ziet de rechtbank geen aanleiding om schepen uit te zonderen van het toepassingsbereik van de Verordening 1013/2006, dan wel het toepassingsbereik daarvan ten aanzien van schepen in te perken door een engere interpretatie van het afvalstofbegrip. Indachtig de doelstelling van de Verordening 1013/2006 en de Richtlijn 2008, te weten dat de nuttige toepassing of de verwijdering van afvalstoffen plaatsvindt zonder gevaar voor gezondheid van de mens en zonder

dat procedés of methoden worden aangewend die nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu, mag het begrip “zich ontdoen van” niet beperkt worden uitgelegd en er zijn geen redenen geboden op grond waarvan moet worden aangenomen dat daarover ten aanzien van schepen anders moet worden gedacht.

De rechtbank oordeelt dan ook dat de Verordening 1013/2006 van toepassing is en [naam schip] als een afvalstof kwalificeert.

4.2.10. :

: Vraag 3) Is [naam schip] overgebracht naar Turkije in strijd met de Verordening?

Door de verdediging is gesteld dat een zeeschip alleen kwalificeert als een afvalstof indien het zijn het zijn bruikbaarheid heeft verloren en de rechthebbende heeft besloten zich ervan te ontdoen. Aangevoerd is dat hiervan geen sprake is.

De rechtbank verwerpt dit standpunt. De vraag of de verdachte zich van [naam schip] heeft willen ontdoen, is hierboven reeds aan de orde geweest net als de vraag of een schip als afvalstof kan worden gekwalificeerd. Beide vragen zijn bevestigend beantwoord. Nu het subsidiair tenlastegelegde ziet op overbrenging van een afvalstof voor nuttige toepassing, resteert de vraag of in deze zaak sprake is van overbrenging van een afvalstof voor nuttige toepassing.

Ten aanzien van de vraag naar het doel van de overbrenging overweegt de rechtbank als volgt. Uitgangspunt is dat het doel van de overbrenging moet worden bepaald aan de hand van de eerste handeling die de afvalstof na de overbrenging moet ondergaan. Verwezen wordt in dat verband naar de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 21 februari 2007 inzake de Otapan (ECLI:NL:RVS:2007:AZ9048). Omdat, alvorens tot de ontmanteling van het staal van het schip over te kunnen gaan, eerst het asbest en overige gevaarlijke stoffen uit het schip verwijderd moeten worden, is de eerste handeling een verwijderingshandeling.

Voor de beoordeling of sprake is van een overbrenging ter verwijdering of nuttige toepassing is, gaat de rechtbank uit van het volgende.

- Definities

In artikel 3 van de Richtlijn 2008 worden onder randnummers 15. en 19. de definities gegeven van respectievelijk ‘nuttige toepassing’ en ‘verwijdering’.

15.“nuttige toepassing”: elke handeling met als voornaamste resultaat dat afvalstoffen een nuttig doel dienen door hetzij in de betrokken installatie, hetzij in de ruimere economie andere materialen te vervangen die anders voor een specifieke functie zouden zijn gebruikt, of waardoor de afvalstof voor die functie wordt klaargemaakt. Bijlage II bevat een niet-limitatieve lijst van nuttige toepassingen.

19.“verwijdering”: Iedere handeling die geen nuttige toepassing is zelfs indien de handeling er in tweede instantie toe leidt dat stoffen of energie worden teruggewonnen. Bijlage I bevat een niet-limitatieve lijst van verwijderingshandelingen.

- Beoordelingscriteria

In arresten van het Hof van Justitie zijn met betrekking tot de beantwoording van de vraag of sprake is van een verwijderingshandeling of een handeling van nuttige toepassing, twee verschillende uitgangspunten geformuleerd waarbij aanknoping gezocht kan worden.

I. In zijn arrest van 3 april 2003 in de zaak C-116/01 heeft het Hof van Justitie voor recht verklaard dat in het geval van een verwerkingsproces van afvalstoffen dat uit meerdere afzonderlijke fases bestaat, voor de toepassing van de Verordening, de kwalificatie als verwijderingshandeling of als nuttige toepassing in de zin van de Richtlijn dient te geschieden door alleen rekening te houden met de eerste handeling die de afvalstoffen na hun overbrenging moeten ondergaan.

II. In zijn arrest van 27 februari 2002 in de zaak C-6/00 en in zijn beschikking van februari 2003 in de gevoegde zaken C-307/00 tot en met C-311/00 heeft het Hof van Justitie voor recht verklaard dat teneinde te bepalen of het gaat om een verwijderingshandeling of om een handeling van nuttige toepassing in de zin van de Richtlijn, van geval tot geval moet worden nagegaan of het belangrijkste doel van de betrokken handeling is dat de afvalstoffen een nuttige functie kunnen vervullen doordat zij in de plaats komen van andere materialen die anders voor deze functie hadden moeten worden gebruikt, in welk geval de handeling als een nuttige toepassing moet worden aangemerkt.

Door het Hof van Justitie is geen maatstaf gegeven wanneer welk uitgangspunt heeft te gelden.

- Oordeel van de rechtbank

Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank aanleiding om in deze zaak, bij de beoordeling van de vraag of sprake is een verwijderingshandeling of een handeling van nuttige toepassing, aanknoping te zoeken bij het tweede door het Hof van Justitie geformuleerde uitgangspunt. Het belangrijkste doel van de handelingen die aan de schepen worden verricht is het terugwinnen van de vele tonnen staal voor hergebruik/recycling. Deze handeling, genoemd onder code R4 van Bijlage II bij de Richtlijn 2008, is een handeling van nuttige toepassing en daaraan kan doorslaggevende betekenis worden toegekend. Weliswaar bevonden zich in [naam schip] ook aanzienlijke hoeveelheden gevaarlijke afvalstoffen, waaronder asbest die verwijderd dienden te worden, maar dat kan niet opwegen tegen de overweldigende hoeveelheid staal die vrijkomt voor hergebruik. Bovendien kan ten aanzien van [naam schip] , anders dan in de door de officier van justitie aangehaalde Otapan zaak waar sprake was van een sloopplan waarin de volgorde van handelingen was beschreven, niet worden vastgesteld wat de eerste handeling is die [naam schip] na overbrenging zou hebben ondergaan. Overigens ook naar maatschappelijke opvattingen wordt het slopen van schepen in de regel niet anders begrepen dan dat dit tot doel heeft om het staal te recyclen, terwijl eveneens in relevante wet- en regelgeving het slopen van schepen rechtstreeks in verband wordt gebracht met recycling.24

De rechtbank concludeert dat [naam schip] in de onderhavige zaak is aan te merken als een afvalstof die bestemd is voor nuttige toepassing.

Ten aanzien van de overbrenging naar Turkije stelt de rechtbank voorop dat aan het begrip “overbrenging” een andere betekenis toekomt dan aan het begrip “uitvoeren” zoals primair ten laste gelegd. De definitie van het begrip “overbrenging” zoals bedoeld in de Verordening 1013/2006, omvat naast het vervoer van voor nuttige toepassing of verwijdering bestemde afvalstoffen ook het vervoer dat gepland is plaats te hebben. Op grond van de stukken in het dossier, zoals hiervoor reeds is overwogen, kan worden geconcludeerd dat reeds in oktober 2012 Aligia (Turkije) de bestemming was van [naam schip] . De rechtbank stelt dan ook vast dat de overbrenging zoals bedoeld in de Verordening 1013/2006 heeft plaatsgevonden.

Ten aanzien van het gegeven dat de bestemming van [naam schip] pas is gewijzigd van Harlingen naar Turkije toen de sleep op volle zee voer en aldus reeds onderweg was, overweegt de rechtbank dat dit niet wegneemt dat [naam schip] zich op dat moment in de wateren van de Europese Gemeenschap bevond, welk gebied onder de werkingssfeer van de Verordening 1013/2006 valt. Hieruit volgt dat ook op dat moment voorafgaande kennisgeving aan, dan wel toestemming van alle bevoegde autoriteiten voor overbrenging naar Turkije noodzakelijk was. Nu gesteld noch gebleken is dat de verdachte heeft voldaan aan de op hem rustende verplichting, is het subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

4.2.11.

Medeplegen

Uit de reeds geschetste omstandigheden blijkt dat de verdachte, samen met [naam 1] rechtstreeks betrokken is geweest bij de besluitvorming tot aan- en verkoop van [naam schip] , alsmede het verslepen ervan en dat hij met betrekking tot de financiële afwikkeling daarvan gebruik heeft gemaakt van de Nederlandse bankrekeningen van [naam rechtspersoon 1] van welke rechtspersoon hij bestuurder en 100% aandeelhouder was.

De rechtspersonen [naam rechtspersoon 1] en [naam rechtspersoon 2] zijn opgericht op verzoek van de verdachte. Hij was ook de gevolmachtigde van deze rechtspersonen en beschikte als enige over een bankpas van [naam rechtspersoon 1] . De betrokkenheid van de verdachte vond plaats in zijn hoedanigheid van bestuurder en gemachtigde en in de sfeer van die rechtspersonen. Daarom kunnen de gedragingen van de verdachte aan de rechtspersonen worden toegerekend, zodat de rechtspersonen [naam rechtspersoon 1] en [naam rechtspersoon 2] als mededaders worden aangemerkt.

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij

in de periode van 9 januari 2013 tot en met 14 januari 2013 te Duitsland en/of te Nederland,

tezamen en in verenging met (een) ander(en), althans alleen,

opzettelijk,

(een) handeling(en) heeft verricht als bedoeld in artikel 2 onder 35, sub a en/of b van de EG-verordening overbrenging afvalstoffen, door (een) afvalstof(fen) bestemd voor nuttige toepassing, te weten een schip genaamd [naam schip] , in welk schip aanwezig was (onder andere) asbest en/of (lood)accu's en/of bilge-olie en/of stook- en/of dieselolie en/of sludge en/of staal,

zijnde, dat schip, een afvalstof die niet in bijlage III, IV of IVA van die verordening onder één code is ingedeeld,

over te brengen naar Turkije, terwijl die overbrenging geschiedde zonder kennisgeving aan en/of toestemming van alle bevoegde betrokken autoriteiten overeenkomstig genoemde verordening.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feit

5.1.1. Conclusie

Het bewezen feit levert op:

(subsidiair)

medeplegen van overtreding van voorschrift gesteld bij artikel 10.60, tweede lid, van de Wet milieubeheer.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straffen

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden en de draagkracht van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft samen met anderen, in strijd met de bepalingen van de EVOA een schip naar Turkije overgebracht om het daar te laten slopen zonder voorafgaande kennisgeving. De verdachte heeft daarbij een rol van wezenlijke betekenis vervuld. Hij was rechtstreeks betrokken bij de afwikkeling van de verkoop ter sloop, de inspectie en heeft de praktische uitvoering van de overbrenging van het schip door medewerkers van [naam bedrijf 3] Operation aangestuurd.

De geschonden bepalingen in de EVOA beogen internationale transporten van afvalstoffen te volgen en te reguleren teneinde ongewenste gevolgen dan wel risico’s voor het milieu te vermijden. Het doel van de EVOA is namelijk te voorkomen dat (verontreinigde) afvalstoffen de internationale grenzen passeren. Immers naast het staal en apparatuur aan boord, is in de regel ook een grote hoeveelheid gevaarlijke stoffen aan boord, zoals asbest en accu’s. De bevoegde autoriteiten hebben zich daardoor niet goed op de hoogte kunnen stellen en niet alle nodige maatregelen kunnen treffen voorafgaand en tijdens het transport en bij aankomst op de bestemming van het schip, ter bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu.

De verdachte heeft met zijn handelen de integriteit van het controlesysteem van de EVOA geschonden en de bij de milieuvoorschriften betrokken belangen van bescherming van het milieu ondermijnd.

De verdachte heeft geen oog gehad voor deze problematiek en heeft zich slechts laten leiden door zakelijke belangen. Het handelen van de verdachte werkt bovendien concurrentievervalsend ten opzichte van ondernemers die zich wel aan de voorschriften houden.

De rechtbank heeft er acht op geslagen dat de verdachte geen strafblad heeft.

Ook is rekening gehouden met een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van de EVRM. De verdachte is op 14 december 2015 voor het eerst als verdachte gehoord. De redelijke termijn is dan ook aangevangen op 14 december 2015. Wat betreft de berechting van de zaak in eerste aanleg heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bepaalde bijzondere omstandigheden. Nu de rechtbank van dergelijke bijzondere omstandigheden niet is gebleken en er heden, 16 november 2021, vonnis wordt gewezen, stelt zij vast dat de redelijke termijn met ruim vier jaar is overschreden.

Het voorgaande maakt dat de rechtbank zal afzien van het opleggen van een gevangenisstraf, hoewel zij van oordeel is dat een dergelijk feit op zich een gevangenisstraf van geruime tijd rechtvaardigt. In plaats daarvan zal aan de verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf worden opgelegd alsmede een taakstraf van na te noemen duur.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straffen passend en geboden.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen:

- 14 a, 14b, 22c, 22d en 47 van het Wetboek van Strafrecht;

- 1 a en 6 van de Wet op de economische delicten;

- 10.60 van de Wet milieubeheer;

- 2 onder 35 sub a van de Verordening (EG) Nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen.

9. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10. Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vier (4) maanden;

bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft;

stelt als algemene voorwaarde:

de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 160 (honderd en zestig) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 80 (tachtig) dagen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. V.M. de Winkel, voorzitter,

en mrs. A. Bonder en P.C. Tuinenburg, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H.P. Eekhout, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 november 2021.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij in de periode van 9 januari 2013 tot en met 14 januari 2013 te Duitsland en/of te Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

opzettelijk,

(een) handeling(en) heeft verricht als bedoeld in artikel 2 onder 35, sub f van de EG-verordening overbrenging afvalstoffen, door in strijd met artikel 34 lid 1 van voornoemde verordening,

een schip genaamd [naam schip] , zijnde (een) voor verwijdering bestemde afvalstof(fen),

uit de Europese Gemeenschap uit te voeren;

Subsidiair, voor zover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij in de periode van 9 januari 2013 tot en met 14 januari 2013 te Duitsland en/of te Nederland,

tezamen en in verenging met (een) ander(en), althans alleen,

opzettelijk,

(een) handeling(en) heeft verricht als bedoeld in artikel 2 onder 35, sub a en/of b van de EG-verordening overbrenging afvalstoffen, door (een) afvalstof(fen) bestemd voor nuttige toepassing, te weten een schip genaamd Erasstrom, in welk schip aanwezig was (onder andere) asbest en/of (lood)accu's en/of bilge-olie en/of stook- en/of dieselolie en/of sludge en/of staal,

zijnde, dat schip, een afvalstof die niet in bijlage III, IV of IVA van die verordening onder één code is ingedeeld,

over te brengen naar Turkije, terwijl die overbrenging geschiedde zonder kennisgeving aan en/of toestemming van alle bevoegde betrokken autoriteiten overeenkomstig genoemde verordening.

1 Voor de voetnoten geldt, tenzij anders aangegeven, het volgende. (i) Wanneer is verwezen naar een proces-verbaal (ook afgekort als PV) is bedoeld een ambtsedig proces-verbaal van politie, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, inclusief de bijlagen daarbij. (ii) Wanneer is verwezen naar een e-mail, een overeenkomst, kamer van koophandel uittreksel of een Marine Accident Investigation Branch-rapport wordt bedoeld een ander geschrift, zijnde een (Nederlandstalige vertaling van) een mail, een overeenkomst, een kamer van koophandel uittreksel of een Marine Accident Investigation Branch-rapport. (iii) verwijzingen naar verhoren door de rechter-commissaris betreffen steeds verhoren afgenomen in deze strafzaak. (iv) Verwijzingen naar paginanummers zijn verwijzingen naar de doorlopend genummerde bijlagen bij het proces-verbaal [naam 6] .

2 proces-verbaal van bevindingen documentcode [nummer 1] , pagina 527 en verder.

3 Proces-verbaal van bevindingen documentcode [nummer 2] , pagina 533 en verder.

4 proces-verbaal van politie documentcode [nummer 3] (pagina 450 en verder), inhoudende Analyse Statuten [naam rechtspersoon 2] .

5 Uittreksel Kamer van Koophandel documentnummer [nummer 4] (pagina 14 en 15).

6 Het proces-verbaal van verhoor bij de rechter-commissaris, door deze in de wettelijke vorm opgemaakt op 19 september 2019, inhoudende de verklaring van de getuige [naam 1] .

7 Proces-verbaal politie documentcode [nummer 5] (pagina 496 en verder), inhoudende onderzoek [naam rechtspersoon 6] Shipping.

8 Proces-verbaal van politie, documentcode [nummer 6] (pagina 762 en verder), inhoudende onderzoek naar [naam rechtspersoon 9]

9 Proces-verbaal van politie documentcode [nummer 7] (pagina 1 en verder van aanvullend onderzoek Hubel Marine), inhoudende ontvangst gevorderde documenten [naam rechtspersoon 9]

10 Memorandum of Agreement [nummer 8] (pagina 371 en verder).

11 Offerte [nummer 9] (pagina 755 en 756).

12 Commission Agreement [nummer 10] (pagina 406).

13 Memorandum of Agreement [nummer 11] (pagina 400 en verder).

14 Towage Agreement [nummer 12] (pagina 407 en verder).

15 Memorandum of Agreement, documentcode [nummer 13] , als bijlage bij proces-verbaal van ambtshandeling in onderzoek [naam 6] (pagina 1 en verder).

16 Analyse bankafschriften [naam rechtspersoon 1] met betrekking tot [naam schip] , documentcode [nummer 14] (pagina 666 en verder).

17 Protocol of Delivery and Acceptance, documentcode [nummer 15] , als bijlage bij proces-verbaal van ambtshandeling (pagina 1 en verder).

18 Onderzoek gevaren route [naam zeesleper] , documentcode [nummer 16] (pagina 221 en verder).

19 De e-mails met documentcode [nummer 17] (pagina 427 en 428).

20 Onderzoek gevaren route [naam zeesleper] , documentcode [nummer 16] (pagina 221 en verder).

21 Proces-verbaal van politie, documentcode [nummer 18] (pagina 805 en verder), inhoudende de verklaring van de getuige [naam getuige] .

22 Proces-verbaal van politie, documentcode [nummer 19] (pagina 292 en verder), inhoudende nader onderzoek offerte asbestsanering.

23 Zie overweging 1 en 10 bij verordening EU Nr.1257/2013 Van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 inzake scheepsrecycling, en tot wijziging dan de Verordening (EG) nr. 1013/2006 en van de Richtlijn 2009/16/EG.

24 Zie onder meer overweging 35 bij de EVOA, overweging 2 bij de Verordening inzake scheepsrecycling en het Internationaal verdrag van Hongkong voor het veilig en milieuvriendelijk recyclen van schepen 2009.

De gegevens worden opgehaald

Hulp bij zoeken

Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over:

Selectiecriteria

De Rechtspraak, Hoge Raad der Nederlanden en Raad van State publiceren uitspraken op basis van selectiecriteria:

  • Uitspraken zaken meervoudige kamers
  • Uitspraken Hoge Raad en appelcolleges
  • Uitspraken met media-aandacht
  • Uitspraken in strafzaken
  • Europees recht
  • Richtinggevende uitspraken
  • Wraking

Weekoverzicht

Selecteer een week en bekijk welke uitspraken er in die week aan het uitsprakenregister zijn toegevoegd.