RECHTBANK ROTTERDAM
Team handel en haven
zaaknummer: C/10/531229 / HA ZA 17-700
vonnis van 10 februari 2021
[eiser]
,
wonende te [woonplaats eiser] ,
eiser,
advocaat mr. A.I. Keur te Amsterdam,
de publiekrechtelijke rechtspersoon
ERASMUS UNIVERSITAIR MEDISCH CENTRUM ROTTERDAM,
zetelend te Rotterdam,
gedaagde,
advocaat mr. T. Novakovski te Leiden.
Partijen worden ook in dit vonnis (prof.) [eiser] en Erasmus MC (vrouwelijk) genoemd.
2. De verdere beoordeling
rehabilitatieverklaring (vordering onder I)
2.1
In het tussenvonnis van 20 maart 2019 is ten aanzien van de vordering onder I overwogen dat Erasmus MC zal worden veroordeeld om de verklaring zoals weergegeven in zijn laatste akte onder 2.20 te doen uitgaan. Erasmus MC heeft gesteld dat zij daaraan inmiddels heeft voldaan.
2.2
Prof. [eiser] voert aan dat hij dat niet heeft kunnen vaststellen dat Erasmus MC aan haar verplichting heeft voldaan. De verklaring is volgens hem niet aan de huidige en voormalige hoogleraren van Erasmus MC gezonden, maar de hoogleraren zouden via het stafconvent zijn geïnformeerd. Dat laatste is niet hetzelfde als het verspreiden van een rehabiliterende verklaring. Dat in het stafconvent (met wisselende maar hoe dan ook doorgaans lage opkomst) wordt gemeld dat een poststuk is ontvangen is volstrekt onvergelijkbaar met het per post aanschrijven van individuele (oud) hoogleraren, aldus steeds prof. [eiser] . Volgens prof. [eiser] zijn verschillende oplossingen denkbaar, waarin Erasmus MC wel duidelijkheid geeft over aan wie de verklaringen zijn verzonden, bijvoorbeeld door een lijst onder geheimhouding ter inzage te verstrekken waarbij op de lijst geen andere informatie is opgenomen dan de naam van de medewerkers en de woonplaats.
2.3
Erasmus MC heeft op deze stellingname bij akte van 30 oktober 2019 gereageerd en erop gewezen dat de eis van [eiser] was de verspreiding onder ten minste de voormalige en huidige medewerkers van de afdeling Immunologie van het Erasmus MC. Hoewel verspreiding onder hoogleraren niet was geëist heeft Erasmus MC dat wel gedaan, door de verklaring als bijlage bij de agenda van het stafconvent te sturen. Voor verspreiding onder huidige en oud-medewerkers heeft Erasmus MC als peildatum genomen wie in dienst was op 1 maart 2013, de datum van uitdiensttreding van prof. [eiser] . Een lijst van adressen kan Erasmus MC niet geven vanwege verplichte privacybescherming, omdat daaruit blijkt wie wel en wie niet een dienstverband heeft met Erasmus MC.
2.4
Voor de duidelijkheid overweegt de rechtbank dat prof. [eiser] heeft gevorderd de verspreiding van een rehabiliterende verklaring op ten minste de afdeling Immunologie. De rechtbank heeft deze eis van prof. [eiser] begrepen als mede omvattend de voormalige en huidige hoogleraren van de afdeling Immunologie van het Erasmus MC: hoogleraren zijn immers, in deze context, ook aan te merken als medewerkers. Terecht heeft Erasmus MC als peildata 1 maart 2018 (voor de huidige medewerkers) en 1 maart 2013 (voor de vroegere medewerkers) gehanteerd. De toezending van de verklaring aan de leden van het stafconvent als bijlage bij de agenda acht de rechtbank voldoende.
2.5
Prof. [eiser] heeft een gerechtvaardigd belang te weten of de verklaring is verzonden aan degenen aan wie zij moest worden verzonden. Erasmus MC zal alsnog een lijst met daarop slechts namen, strikt vertrouwelijk en slechts ter inzage aan prof. [eiser] en zijn advocaat moeten verstrekken. De rechtbank ziet in een dergelijke verstrekking geen strijd met de verplichting van Erasmus MC om privacygevoelige informatie te beschermen. Het betreft hier immers informatie - de namen van de medewerkers - waarover prof. [eiser] reeds beschikt en zijn advocaat is tot geheimhouding verplicht.
2.6
De rechtbank ziet in het door prof. [eiser] aanvullend gestelde verder geen aanleiding om op de beslissing in het vonnis van 20 maart 2019 terug te komen.
afgifte privé-eigendommen (vordering onder III, primair)
2.7
In het tussenvonnis van 20 maart 2019 is ten aanzien van de vordering onder III overwogen dat het primair gevorderde zal worden toegewezen, in die zin dat prof. [eiser] in de gelegenheid zal worden gesteld de door Erasmus MC alsnog gevonden reprints op te halen. Voor zover prof. [eiser] heeft willen aanvoeren dat Erasmus MC thans nog over meer eigendommen van hem beschikt is dat standpunt als onvoldoende onderbouwd verworpen, waarbij de rechtbank van belang achtte dat niet in geschil is dat een aantal zaken is kwijtgeraakt.
2.8
Erasmus MC heeft in haar akte van 10 juli 2019 medegedeeld dat prof. [eiser] daartoe de gelegenheid is geboden op 29 juni 2018. Prof. [eiser] heeft in zijn akte van 2 oktober 2019 gesteld dat hij slechts enkele reprints en een klein gedeelte van zijn persoonlijk archief heeft ontvangen, en dat dat volgens Erasmus MC het enige was wat men had kunnen vinden. De opschriften op de enveloppen waarin hij de reprints ontving roepen de vraag op waar de andere reprints zijn gebleven. Ook zijn persoonlijk archief moet nog aanwezig zijn. In september 2018 heeft hij een stapeltje documenten uit het persoonlijke deel van het personeelsarchief van enkele medewerkers gekregen. Deze documenten betroffen uitsluitend medewerkers die de afdeling inmiddels hadden verlaten. Hij heeft echter vernomen dat in dezelfde periode enkele medewerkers van de afdeling van het huidige afdelingshoofd toegang hebben gekregen tot zijn volledige persoonlijke archief (over de jaren 1974 tot 2011) van de heer [naam persoon 1] die in oktober 2018 met pensioen zou gaan, om het afscheidsboek dat die medewerkers voor de heer [naam persoon 1] aan het voorbereiden waren, te illustreren. Hij concludeert dat ten minste een deel van zijn persoonlijk archief nog beschikbaar is bij Erasmus MC.
2.9
Erasmus MC heeft daarop gereageerd in haar akte van 30 oktober 2019 en erop gewezen dat de rechtbank in haar tussenvonnis van 20 maart 2019 niet heeft geoordeeld dat Erasmus MC deze zaken aan prof. [eiser] diende af te geven, en de vordering op dit punt heeft afgewezen (rechtsoverweging 4.27). Erasmus MC heeft herhaald wat zij bij akte na comparitie heeft aangevoerd, namelijk dat zij de fysiek beschikbare personeelsdossiers heeft doorzocht. Daaruit is gebleken dat de meeste stukken in het "persoonlijke deel" van de personeelsdossiers van zakelijke aard zijn. Het betreft onder meer berichten over aanstellingen, honoraria, gratificaties, promoties, proefschriften en onderzoeken. Deze kunnen, aldus Erasmus MC, vanwege hun zakelijke en vertrouwelijke karakter niet aan prof. [eiser] worden verstrekt. Persoonlijke berichten (kerstkaarten, geboortekaartjes, persoonlijke boodschappen in boeken die cadeau werden gegeven) en berichten van algemene aard (krantenknipsels) daarentegen zijn in een map verzameld en aan prof. [eiser] beschikbaar gesteld. Deze map heeft prof. [eiser] tezamen met de reprints op 29 juni 2018 opgehaald. Een groot deel van de personeelsdossiers is gedigitaliseerd, waarbij destijds is begonnen met de dossiers van zittend personeel. Dat verklaart waarom de aan prof. [eiser] afgegeven map alleen stukken met betrekking tot oud-medewerkers bevat. Alleen die personeelsdossiers waren op het moment van inventarisatie nog niet gearchiveerd en waren nog fysiek beschikbaar. Het personeelsdossier van de heer [naam persoon 1] was al gedigitaliseerd. Persoonlijke berichten zijn, zo is uit een steekproef gebleken, niet of nauwelijks digitaal opgeslagen, zodat de digitale dossiers niet verder zijn geïnventariseerd. De aan prof. [eiser] afgegeven stukken zijn dus niet uit de digitale dossiers afkomstig. Erasmus MC ziet niet welk belang prof. [eiser] heeft bij verstrekking van het persoonlijke deel van digitale personeelsdossiers. Het zou voor Erasmus MC een tijds- en arbeidsintensieve zoekactie betekenen, terwijl aan prof. [eiser] hooguit kopieën van berichten van persoonlijke en algemene aard zoals kerstkaarten, geboortekaartjes en krantenknipsels (voor zover digitaal opgeslagen) zouden kunnen worden verstrekt.
2.10
Prof. [eiser] roept de vraag op waar de reprints die in het andere ladeblok lagen zijn gebleven. Dat is niet te beschouwen als een nadere onderbouwing van zijn stelling op dit punt. Dat een deel van zijn persoonlijke archief nog aanwezig moet zijn, kan de rechtbank niet aannemen op basis van de veronderstelling van prof. [eiser] . Gelet op de tussen partijen vaststaande gang van zaken bij het ophalen moet het ervoor gehouden worden dat Erasmus MC niet (langer) over de door prof. [eiser] bedoelde stukken beschikt. In die situatie heeft prof. [eiser] geen rechtens te respecteren belang bij toewijzing van deze vordering, wat er ook zij van de wellicht slordige wijze waarop Erasmus MC met de eigendommen van prof. [eiser] is omgegaan. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding van haar beslissing terug te komen. Nu prof. [eiser] de bewuste eigendommen inmiddels heeft ontvangen zal de vordering op dit punt te zijner tijd worden afgewezen.
royalty’s (vordering onder IV)
2.11
In het vonnis van 20 maart 2019 hebben partijen de gelegenheid gekregen zich nader uit te laten. In dat vonnis heeft de rechtbank - onder meer - het volgende overwogen:
“4.37 Van Erasmus MC mocht worden verwacht dat zij de voor haar, naar zij niet weerspreekt, kenbare belangen van prof. [eiser] , als werknemer en uitvinder van de octrooien, in ogenschouw zou nemen en houden bij de onderhandelingen met Biotempt en daarop haar handelen mede zou afstemmen. Wanneer zij dat onvoldoende heeft gedaan, kan dat tot de conclusie leiden dat het tegenover prof. [eiser] onrechtmatig was om afstand te doen van haar rechten tegenover Biotempt. Naar het oordeel van de rechtbank is het debat op dit punt nog onvoldoende gevoerd. Partijen zullen daarom in de gelegenheid worden gesteld zich hierover nader uit te laten.
4.38
In dat verband wordt reeds het volgende opgemerkt. Beoordeeld dient te worden of Erasmus MC in de gegeven omstandigheden in redelijkheid de beslissing heeft kunnen nemen om afstand van haar recht op royalty’s te doen, waardoor ook prof. [eiser] zijn rechten verloor. In dat verband komt het aan op de aan alle zijden betrokken belangen, de beschikbare alternatieven en de op dat moment voor Erasmus MC en prof. [eiser] te verwachten opbrengsten van de octrooien alsmede de kosten waarmee zij rekening dienden te houden bij een voortzetting van de samenwerking met Biotempt. Daarbij geldt dat weliswaar Erasmus MC zich mede diende te laten leiden door de belangen van prof. [eiser] doch dat zij ook haar eigen belang in het oog mocht houden. Toelichting behoeft ook of en zo ja waarom prof. [eiser] bij het maken van die afspraken niet betrokken is geweest. Eveneens kan van belang zijn in hoeverre het aan Erasmus MC en/of prof. [eiser] is te wijten dat tussen Erasmus MC en Biotempt een conflict is ontstaan. Mogelijk zal voor de verwachte opbrengsten een deskundige benoemd moeten worden.
4.39
Niet in geschil is dat onderdeel van de overeenkomst van 12 april 2007 was dat prof. [eiser] zijn aandelen in Biotempt (aan Erasmus MC) zou overdragen. Prof. [eiser] heeft zijn aandelen op 7 november 2013 overgedragen aan Expolin B.V. Onduidelijk is in hoeverre de verplichting van Erasmus MC tot het betalen van een royaltyvergoeding en de verplichting van prof. [eiser] om afstand te doen van zijn aandelen in Biotempt tegenover elkaar staande verplichtingen betroffen. Erasmus MC gaat daar blijkbaar van uit, maar zij licht niet toe hoe zich dat verhoudt tot haar octrooibeleid, dat zij naar eigen zeggen tot uitgangspunt genomen heeft en dat voorshands geen aanknopingspunt voor een dergelijke verplichting omvat. Evenmin is duidelijk (in de tekst van het vonnis stond abusievelijk: “onduidelijk”, rechtbank) of prof. [eiser] deze verplichting is nagekomen. Erasmus MC heeft zich op het standpunt gesteld dat prof. [eiser] de aandelen op grond van de overeenkomst van 12 april 2007 aan haar had moeten overdragen en niet aan Expolin BV. Prof. [eiser] heeft op dat standpunt nog niet kunnen reageren.
4.40
Partijen dienen tevens in te gaan op de vraag op welk percentage van de door Erasmus MC behaalde netto winst van de octrooien prof. [eiser] in voorkomend geval recht zou hebben. Prof. [eiser] lijkt uit te gaan van 18% terwijl Erasmus MC uitgaat van 9% (gebaseerd op 9% voor dr. [naam persoon 2] ). Partijen dienen hun standpunt op dit punt te verduidelijken.”
2.12
De rechtbank hanteert als uitgangspunt dat het sluiten van de oorspronkelijke overeenkomst met Biotempt, inclusief de daarin vervatte hoogte van de vergoeding die aan Erasmus MC en dus aan prof. [eiser] zou toekomen, op zichzelf niet onrechtmatig was jegens prof. [eiser] . Voor de vraag of Erasmus MC onrechtmatig heeft gehandeld door afstand te doen van de royalty’s gaat het voorts om de te verwachten opbrengsten van de octrooien op het moment van het aangaan van de overeenkomst met Biotempt . Als Erasmus MC onrechtmatig heeft gehandeld jegens prof. [eiser] , dan is voor de vraag naar de daardoor veroorzaakte schade, in het bijzonder of te verwachten is dat prof. [eiser] daardoor schade wegens gemiste inkomsten uit die octrooien zal lijden, van belang wat op dit moment te verwachten valt aangaande de opbrengsten van die octrooien. De rechtbank acht het debat over deze twee vragen, ook thans nog, niet voldoende gevoerd. Prof. [eiser] dient zich daarover nog uit te laten en mogelijk zal nog nadere bewijslevering, deskundige voorlichting en/of een comparitie van partijen moeten plaatsvinden. Daarbij wordt reeds thans het volgende overwogen.
2.13
Erasmus MC heeft in haar akte van 10 juli 2019 (voor een groot deel voor het eerst) uitvoerig uiteengezet en toegelicht dat en waarom de te verwachten opbrengsten van de octrooien voor prof. [eiser] destijds, ten tijde van het sluiten van de overeenkomst, nihil waren en thans evenzeer nihil zouden zijn geweest, ook als zij geen afstand van recht had gedaan. Zij baseert dat op het volgende.
de afspraak met Biotempt en de kosten van Biotempt
2.13.1
Erasmus MC heeft er eerst op gewezen dat Biotempt pas een vergoeding aan Erasmus MC verschuldigd zou worden nadat Biotempt haar eigen investeringen van destijds € 38,7 miljoen, thans € 50 miljoen, zou hebben terugverdiend. Over het bedrag daarboven is Biotempt op grond van artikel 4.1 onder c en d van de PKARA vervolgens slechts 1,2% van 4%, dus 0,048%, verschuldigd in het geval Biotempt ervoor kiest om de exploitatierechten aan derden te verkopen. Gelet op de slechte verstandhouding tussen Erasmus MC is en was het zeer aannemelijk, aldus EMC, dat Biotempt voor deze constructie zou kiezen. Prof. [eiser] was van deze constructie op de hoogte en dit punt is in de onderhandelingen tussen Erasmus MC en Biotempt destijds ook aan de orde geweest.
de afspraken tussen prof. [eiser] en EMC en de kosten van EMC
2.13.2
Voordat prof. [eiser] recht heeft op vergoeding dient ook Erasmus MC eerst haar kosten te hebben terugverdiend. Tot op heden heeft Erasmus MC al € 700.000,00 aan kosten, welke kosten met name bestaan uit kosten voor juridische rechtsbijstand in de procedures met Biotempt, en indien Erasmus MC geen regeling met Biotempt zou zijn aangegaan zouden deze kosten waarschijnlijk nog hoger zijn geworden. Dat heeft tot gevolg dat prof. [eiser] - uitgaande van de tot op heden gemaakte kosten - pas recht heeft op een vergoeding wanneer met de octrooien € 1,46 miljard is verdiend. Over de opbrengst boven dit bedrag heeft prof. [eiser] bovendien slechts recht op 0.0043% (9% van 4% van 1,2%), zo stelt Erasmus MC.
de looptijd van de octrooien en het standpunt van Biotempt daarover
2.13.3
Erasmus MC wijst er tot slot op dat Erasmus MC (en dus prof. [eiser] ) slechts recht hebben op een deel van de opbrengst van de octrooien binnen de looptijd van de octrooien, zijnde 20 jaar. Het einde van de geldigheid van de oorspronkelijke octrooien is reeds in zicht en ten aanzien van de overige octrooien betwiste Biotempt dat deze onder de royaltyregeling vallen. Los van de vraag of dit standpunt van Biotempt juist is, zou het voeren van deze discussie leiden tot meer kosten voor Erasmus MC wat weer tot gevolg heeft dat de opbrengst van de octrooien nog hoger moet zijn voordat prof. [eiser] recht krijgt op enige vergoeding.
2.14
De rechtbank is van oordeel dat als bovenstaande uitgangspunten van Erasmus MC juist zijn, zij niet onrechtmatig heeft gehandeld en de kans op schade voor prof. [eiser] bovendien te klein is om in aanmerking te worden genomen.
Prof. [eiser] heeft echter nog niet kunnen reageren op de nieuwe stellingen van Erasmus MC. Hij mag daarom nog een akte nemen waarin hij –uitsluitend- ingaat op de stellingen van Erasmus MC zoals hierboven weergegeven onder 2.13. Prof. [eiser] zal daarbij in het bijzonder concreet moeten ingaan op de aspecten van de redenering en de berekening van Erasmus MC waarmee hij het niet eens is en hij zal - zoveel als mogelijk - moeten uitleggen waarop hij baseert dat het standpunt van Erasmus MC niet juist is. Indien prof. [eiser] van oordeel is dat de te verwachten opbrengsten aanzienlijk meer zullen zijn dan € 1,46 miljard dan dient hij eveneens aan te geven waarop hij die inschatting baseert.
2.15
Na de akte van prof. [eiser] zal - indien nodig - een comparitie van partijen worden bepaald en kan voorafgaand aan de zitting aan (één van) partijen worden opgedragen bepaalde specifieke stellingen voorafgaand aan de zitting nader met stukken te onderbouwen dan wel kunnen andere instructies worden gegeven.
2.16
Elke verdere beslissing wordt thans aangehouden.