vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
zaaknummer / rolnummer: C/10/623067 / KG ZA 21-665
Vonnis in kort geding van 24 augustus 2021
[naam eiseres]
,
wonende te [woonplaats eiseres],
eiseres,
advocaat mr. P.E. Epping te Rotterdam,
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[naam gedaagde]
handelend onder de naam: [naam bedrijf],
gevestigd te [vestigingsplaats gedaagde],
gedaagde,
niet verschenen.
Partijen worden hierna [naam eiseres] en [naam gedaagde] genoemd.
2. De feiten
2.1.
[naam eiseres] is op 14 juli 2020 in dienst getreden bij [naam gedaagde] in de functie van Allround medewerker backoffice tegen een salaris van € 2.600,00 bruto per maand exclusief 8% vakantiegeld.
2.2.
In mei 2021 heeft [naam eiseres] zich in overleg met de bedrijfsarts (arbo-arts) ziek gemeld.
2.3.
[naam eiseres] heeft in de maanden mei en juni 2021 geen salaris ontvangen. Ook het vakantiegeld over het jaar 2020 is niet uitbetaald.
2.4.
Bij e-mailbericht van 14 juni 2021 heeft [naam gedaagde] het dienstverband van [naam eiseres] opgezegd per 15 juli 2021. Het salaris over 1 tot en met 14 juli 2021, alsmede de transitievergoeding is niet aan [naam eiseres] uitbetaald.
4. De beoordeling
4.1.
Uit het door [naam eiseres] overgelegde originele exploot van de dagvaarding en het uittreksel van het Handelsregister van de Kamer van Koophandel is gebleken dat [naam gedaagde] correct en tijdig is opgeroepen voor de zitting van 13 augustus 2021. Aangezien ook de overige bij de wet voorgeschreven formaliteiten in acht zijn genomen is verstek verleend tegen [naam gedaagde].
4.2.
Voldoende is gebleken dat [naam eiseres] een spoedeisend belang heeft bij de door haar gevorderde voorzieningen, mede gelet op de aard daarvan.
4.3.
In dit kort geding dient, mede op basis van hetgeen naar voren is gebracht, te worden beoordeeld of de in deze zaak aannemelijk te achten omstandigheden een ordemaatregel vereisen dan wel of de vordering van [naam eiseres] in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van een voorziening zoals gevorderd. Nu het gevorderde mede een vordering tot betaling van een geldsom inhoudt is terughoudendheid bij toewijzing op zijn plaats. Bij de beoordeling speelt een rol of de vordering voldoende aannemelijk is, of een onmiddellijke voorziening vereist is en of er een restitutierisico is.
4.4.
Bij gebreke van verweer daartegen en op basis van de door [naam eiseres] overgelegde stukken wordt uitgegaan van de juistheid van de stellingen van [naam eiseres]. De vorderingen ten aanzien van het achterstallige loon en de wettelijke rente en wettelijke verhoging, zoals bedoeld in artikel 7:625 BW, over een netto bedrag van € 4.718,66, te weten het salaris over de maanden mei, juni en juli 2021 en het in mei 2021 te ontvangen vakantiegeld over het jaar 2020, zijn dan ook toewijsbaar, op de wijze zoals in het dictum vermeld, met dien verstande dat de wettelijke verhoging wordt toegewezen tot het maximum van 50%, aangezien geen gronden zijn gebleken voor matiging van dit percentage.
4.5.
[naam eiseres] heeft ter zitting te kennen gegeven dat zij de loonstroken over de maanden mei en juni 2021 reeds heeft ontvangen. Bij afgifte van de loonstroken heeft zij om die reden geen belang meer. Dat deel van de vordering wordt daarom afgewezen.
Het vakantiegeld over de periode juni tot en met 15 juli 2021
4.6.
Ter zitting heeft [naam eiseres] ten aanzien van deze vordering gesteld dat zij nog recht heeft op het vakantiegeld over juni en 1 tot 15 juli 2021, zijnde een netto bedrag (naar rato van het aantal dagen) van € 111,21, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente. Het gevorderde komt de voorzieningenrechter, gelet op artt. 7:625 jo. 673 BW, niet onrechtmatig of ongegrond voor en wordt daarom toegewezen. Daarbij wordt uitgegaan van opeisbaarheid per 15 juli 2021.
4.7.
[naam eiseres] heeft gesteld dat nu [naam gedaagde] haar contract niet heeft verlengd, zij recht heeft op een transitievergoeding van € 1.014,00 bruto. Ter zitting heeft zij aangegeven dat zij, mits een deugdelijke specificatie wordt bijgevoegd, akkoord gaat met netto uitkering van dit bedrag.
4.8.
Op grond van artikel 7:673 lid 1 BW is de werkgever aan de werknemer een transitievergoeding verschuldigd indien de arbeidsovereenkomst door de werkgever is opgezegd. Het gevorderde bedrag komt de voorzieningenrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor zodat dit wordt toegewezen zoals in het dictum vermeld, met dien verstande dat de gevorderde wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over het gevorderde bedrag wordt afgewezen. De transitievergoeding is immers geen “in geld vastgesteld loon” in de zin van genoemd artikel 7:625 BW. De transitievergoeding van art. 7:673 BW is een vergoeding die bedoeld is als compensatie voor het ontslag en om de overgang naar ander betaald werk te vergemakkelijken, geen loon; de wettelijke verhoging is slechts verschuldigd over het loon.
4.9.
Dat de vorderingen tot betaling van voormelde bedragen door de kantonrechter in een bodemprocedure zouden worden toegewezen is zeer aannemelijk. Tegen die achtergrond, en gelet op de omstandigheid dat de werknemer in de verhouding tot de werkgever in een afhankelijke positie verkeert en de gevorderde bedragen nodig zijn voor levensonderhoud en het vinden van een andere baan, is het bestaan van een restitutierisico niet zo belangrijk dat dat tot afwijzing van de vorderingen zou moeten leiden.
De afgifte van de eindafrekening
4.10.
Ter zitting heeft [naam eiseres] gesteld dat zij belang heeft bij een eindafrekening omdat zij nog wat spullen van het bedrijf in haar bezit heeft en dat zij behoefte heeft om te weten waar zij aan toe is. Nu het gevorderde niet ongegrond of onrechtmatig voorkomt wordt dat toegewezen.
4.11.
[naam gedaagde] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld. De kosten aan de zijde van [naam eiseres] worden begroot op:
- betekening oproeping € 119,21
- griffierecht € 85,00
- salaris advocaat € 656,00
Totaal € 860,21
4.12.
De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter:
5.1.
veroordeelt [naam gedaagde] om aan [naam eiseres] binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis te betalen een (netto) bedrag van € 4.718,66, ter zake achterstallig salaris over de maanden mei, juni en juli 2021 en het vakantiegeld over 2020, vermeerderd met de wettelijke verhoging op grond van artikel 7:625 BW van 50% en te vermeerderen met de wettelijke rente op grond van artikel 6:119 BW vanaf het moment van opeisbaarheid van de verschillende bedragen tot het moment van algehele betaling,
5.2.
veroordeelt [naam gedaagde] om aan [naam eiseres] binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis te betalen een nettobedrag van € 111,21, ter zake van het vakantiegeld over juni en juli 2021, vermeerderd met de wettelijke verhoging op grond van artikel 7:625 BW van 50%, en te vermeerderen met de wettelijke rente op grond van artikel 6:119 BW vanaf het moment van opeisbaarheid tot het moment van algehele betaling,
5.3.
veroordeelt [naam gedaagde] om aan [naam eiseres] binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis te betalen het netto-equivalent van een brutobedrag van € 1.014,00, ter zake de transitievergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente op grond van artikel 6:119 BW vanaf het moment van opeisbaarheid tot het moment van algehele betaling,
5.4.
veroordeelt [naam gedaagde] binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis tot afgifte van de eindafrekening aan [naam eiseres],
5.5.
veroordeelt [naam gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [naam eiseres] tot op heden begroot op € 860,21, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van 14 dagen na betekening van dit vonnis tot het moment van algehele betaling,
5.6.
veroordeelt [naam gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [naam gedaagde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,
5.7.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en in het openbaar uitgesproken op 24 augustus 2021.
2180/106