RECHTBANK ROTTERDAM
zaaknummer: 9627993 VZ VERZ 22-237
beschikking van de kantonrechter
[verzoeker]
,
die woont in [woonplaats verzoeker] ,
verzoeker,
gemachtigde: mr. F. Özer,
[verweerder 1]
,
gevestigd in [vestigingsplaats verweerder 1] ,
en haar vennoten: [verweerder 2] en [verweerder 3],
die wonen in [woonplaats verweerders] ,
verweerders,
die procederen zonder juridische bijstand.
Verzoeker wordt hierna ‘ [verzoeker] ’ genoemd, verweerders gezamenlijk ‘ [verweerders] ’. Als de verweerders afzonderlijk worden bedoeld blijkt dit uit de tekst.
4. De beoordeling
kwalificatie arbeidsovereenkomst
4.1
[verzoeker] stelt en onderbouwt in zijn verzoekschrift dat hij een uitzendovereenkomst zonder uitzendbeding met [verweerders] heeft. Het is de kantonrechter echter niet duidelijk waartoe hetgeen hierover wordt gesteld moet leiden. [verzoeker] verzoekt bijvoorbeeld niet voor recht te verklaren dat hij een uitzendovereenkomst zonder uitzendbeding heeft. Wat [verzoeker] wat dit betreft stelt hoeft dan ook niet besproken te worden. In deze beschikking wordt ervan uitgegaan dat [verzoeker] een arbeidsovereenkomst met [verweerders] heeft, zonder te benoemen wat voor soort arbeidsovereenkomst dit dan precies is.
einde arbeidsovereenkomst
4.2
Een werkgever kan op verschillende manieren een arbeidsovereenkomst beëindigen. De werknemer ( [verzoeker] ) kan bijvoorbeeld instemmen met een voorstel tot beëindiging door in dit geval [verweerders] . [verweerders] kan [verzoeker] op staande voet ontslaan en [verweerders] kan aan het UWV of de kantonrechter vragen de arbeidsovereenkomst te beëindigen.
4.3
Dat [verweerders] haar arbeidsovereenkomst met [verzoeker] (al dan niet rechtmatig) beëindigd heeft blijkt echter uit niets. Feit is dat er rond, of beter gezegd vanaf, 24 november 2021 een geschil tussen partijen bestaat over de (uitvoering van de) arbeidsovereenkomst, maar dat [verweerders] daar formeel een einde aan heeft gemaakt blijkt dus niet. De arbeidsovereenkomst bestaat dus nog. Omdat de arbeidsovereenkomst nog bestaat, kan niet voor recht verklaard worden dat [verweerders] deze onrechtmatig heeft opgezegd. Een opzegging die er niet is geweest, kan ook niet vernietigd worden.
4.4
[verweerders] schrijft in haar brief van 14 december 2021 (zie 2.3) weliswaar dat zij besloten heeft de arbeidsovereenkomst te beëindigen, maar de kantonrechter ziet deze opmerking meer in het licht van het onder 4.3 genoemde geschil dat vanaf 24 november 2021 bestond, niet als erkenning van [verweerders] dat zij de arbeidsovereenkomst daadwerkelijk beëindigd heeft.
4.5
De arbeidsovereenkomst loopt nog, maar [verzoeker] heeft na 24 november 2021 niet meer gewerkt voor [verweerders] . Het uitgangspunt, verwoord in artikel 7:628 lid 1 Burgerlijk Wetboek, is dat [verweerders] verplicht is [verzoeker] zijn loon te betalen als hij (deels) niet werkt, tenzij het (deels) niet werken in redelijkheid voor rekening van [verzoeker] moet komen. Voor de vraag of recht op doorbetaling van loon bestaat maakt de kantonrechter onderscheid tussen de periode voor en de periode na (zondag) 19 december 2021.
4.6
[verweerders] stelt dat [naam 2] , de werkgever waar [verzoeker] voor [verweerders] werkte, niet tevreden meer was met [verzoeker] . [verzoeker] betwist weliswaar dat [naam 2] daar enige reden voor had, maar hij betwist niet dat als [naam 2] zoiets tegen [verweerders] zegt, dit [verweerders] ook voor een voldongen feit plaatst. [verweerders] zegt dat zij [verzoeker] op 24 november 2021 aangeboden heeft naar een andere opdrachtgever te gaan ( [naam 3] ), maar over wat er nu precies gebeurd is op en kort na 24 november 2021 verschillen partijen van mening. Er staat niets (duidelijk) over op papier, terwijl van de werkgever ( [verweerders] ) in zo’n situatie verwacht mag worden dat zij de gang van zaken duidelijk naar een werknemer ( [verzoeker] ) communiceert. Dit is echter niet gebeurd. Dat kort na 24 november 2021 niet meer is gewerkt door [verzoeker] komt dus in redelijkheid niet voor zijn rekening.
4.7
De kwestie is door [verzoeker] vervolgens in de handen van zijn advocaat gelegd en deze schrijft op 8 december 2021 (zie 2.2) aan [verweerders] dat [verzoeker] bereid en beschikbaar is de bedongen arbeid te hervatten. [verweerders] deelt daarop op 14 december 2021 (zie 2.3) mee dat als [verzoeker] zijn werk wil hervatten, hij contact op moet nemen om kennis te maken met de nieuwe opdrachtgever. [verzoeker] had naar aanleiding van deze brief, als hij echt zoals in de brief van 8 december 2021 staat weer aan het werk wilde, contact op moeten nemen met [verweerders] . De kwestie, in ieder geval wat het werken betreft, had dan in die week nog opgelost kunnen worden en [verzoeker] had dan op maandag 20 december 2021 weer aan het werk kunnen gaan. [verzoeker] heeft echter geen contact opgenomen naar aanleiding van de brief van 14 december 2021. In de brief van de advocaat van 20 december 2021 (zie 2.4) wordt slechts de bal weer teruggekaatst naar [verweerders] door de mededeling dat hij (de advocaat) graag schriftelijk verneemt waar en wanneer [verzoeker] zijn werk kan hervatten. [verweerders] had echter al gezegd dat [verzoeker] contact op moest nemen. De kantonrechter begrijpt niet waarom daar dan nog een keer naar gevraagd moet worden op 20 december 2021. Het kan zijn dat in de brief van [verweerders] 14 december 2021 niet duidelijk staat met wie [verzoeker] dan contact moet opnemen, met [verweerders] zelf of met de nieuwe opdrachtgever, maar als naar [verweerders] gebeld was na 14 december 2021 had dit opgehelderd kunnen worden. In de brief van de advocaat van [verzoeker] van 20 december 2021 staat weliswaar dat hij gebeld heeft, maar dat niet werd opgenomen. Als één keer niet opgenomen wordt, had vaker gebeld kunnen worden. Kortom, dat [verzoeker] sinds 20 december 2021 niet meer werkt voor [verweerders] , en dat is zo tot op de dag van vandaag, komt gelet op het voorgaande in redelijkheid voor zijn eigen rekening, niet voor die van [verweerders] .
4.8
Het voorgaande betekent dat [verzoeker] recht heeft op betaling over de weken tussen (maandag) 22 november 2021 en (vrijdag) 17 december 2021. Het gaat, en dit staat bij nummer 9 in het verzoekschrift, om € 487,50 netto per week, met 8% vakantiegeld, bij elkaar dus € 526,50 netto, met € 75,00 reiskosten, per week dus € 601,50. [verweerders] betwist de berekening van dit bedrag niet. In totaal gaat het om € 2.406,00 netto. In dit bedrag zit ook het loon en de reiskosten over de dagen dat [verzoeker] nog wel gewerkt heeft (zie 3.1 onder 4). [verzoeker] vraagt dus ook reiskosten over dagen dat hij niet gewerkt heeft. Omdat [verweerders] daar geen verweer tegen voert, is dat verzoek toewijsbaar.
wettelijke verhoging en rente
4.9
In het toe te wijzen bedrag van € 2.406,00 netto zit € 2.106,00 netto aan loon, de rest zijn reiskosten. Over het te laat betaalde loon moet [verweerders] de wettelijke verhoging van 50% betalen. [verweerders] heeft niets aangevoerd om dit percentage te matigen. Over het totaalbedrag van dan € 3.159,00 netto moet [verweerders] rente betalen, uit praktische overwegingen over het hele bedrag vanaf de dag dat het verzoekschrift is ingediend (13 januari 2022), en dus niet vanaf de verschillende data waarop de verschillende bedragen betaald hadden moeten zijn, tot aan de dag dat dit bedrag volledig is betaald.
nakoming arbeidsovereenkomst
4.10
De arbeidsovereenkomst bestaat dus nog en loopt tot 1 april 2022. Op de mondelinge behandeling gaf [verweerders] aan dat [verzoeker] contact op kan nemen om weer te komen werken maar uit de reactie van [verzoeker] kan opgemaakt worden dat hij dit niet wil. Gelet op deze houding, moet aangenomen worden dat [verzoeker] geen nakoming van de overeenkomst meer wil. Een arbeidsovereenkomst houdt immers verplichtingen in voor zowel de werkgever als de werknemer. Als een van de twee niet meer wil ( [verzoeker] in dit geval), houdt het voor de ander ook op.
4.11
[verzoeker] vraagt om loonspecificaties. [verweerders] voert geen verweer tegen dit verzoek. Dit verzoek wordt daarom toegewezen, wat de gevraagde dwangsom betreft zoals hierna onder de beslissing vermeld.
4.12
De verzoeken van [verzoeker] zijn weliswaar niet allemaal toewijsbaar, maar voor een deel ook wel: [verweerders] moet in ieder geval nog een bedrag aan hem betalen. [verweerders] is daarom naar het oordeel van de kantonrechter de in het ongelijk gestelde partij en wordt daarom veroordeeld in de kosten van de procedure. De kantonrechter sluit wat het salaris van de gemachtigde van [verzoeker] betreft aan bij het salaris voor een gemiddeld kort geding (niet eenvoudig, niet complex), namelijk € 747,00.
4.13
[verweerder 2] en [verweerder 3] zijn vennoten van [verweerders] . De vennoten van een vennootschap onder firma zijn ‘hoofdelijk’ aansprakelijk voor de schulden van een vennootschap. [verweerders] , [verweerder 2] en [verweerder 3] worden daarom, zoals [verzoeker] vraagt, hoofdelijk veroordeeld. Dit betekent dat [verzoeker] bij ieder van de drie betaling van het geheel af kan dwingen.
4.14
Deze beschikking wordt zoals [verzoeker] vraagt ‘uitvoerbaar bij voorraad’ verklaard. Dit betekent dat als deze zaak aan een hogere rechter wordt voorgelegd, [verzoeker] in afwachting van de uitspraak van die hogere rechter, wel alvast kan afdwingen dat [verweerders] voldoet aan waartoe zij in deze beschikking wordt veroordeeld.
5. De beslissing
De kantonrechter:
- veroordeelt [verweerders] , [verweerder 2] en [verweerder 3] hoofdelijk om [verzoeker] over de werkweken tussen (maandag) 22 november 2021 en (vrijdag) 17 december 2021 € 2.106,00 netto aan loon, € 1.053,00 aan wettelijke verhoging en € 300,00 aan reiskosten te betalen, met rente op grond van artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over € 3.159,00 vanaf de dag dat het verzoekschrift is ingediend (13 januari 2022) tot aan de dag van de algehele betaling;
- veroordeelt [verweerders] , [verweerder 2] en [verweerder 3] hoofdelijk om [verzoeker] loonspecificaties te verstrekken van (1) wat over de periode tussen 10 augustus 2020 tot en met week 46 van 2021 aan hem is betaald en (2) wat op grond van deze beschikking aan hem moet worden betaald, met een dwangsom van € 100,00 voor iedere dag dat [verweerders] , [verweerder 2] en [verweerder 3] vanaf 15 april 2022 niet aan deze veroordeling voldoen, met een maximum van € 1.500,00;
- veroordeelt [verweerders] , [verweerder 2] en [verweerder 3] hoofdelijk in de kosten van de procedure, tot aan deze uitspraak aan de kant van [verzoeker] vastgesteld op € 86,00 aan griffierecht en € 747,00 aan salaris voor zijn gemachtigde;
- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad en wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. I.K. Rapmund en uitgesproken ter openbare terechtzitting.
686