Uitspraken

Een deel van alle rechterlijke uitspraken wordt gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit gebeurt gepseudonimiseerd.

Deze uitspraak is gepseudonimiseerd volgens de pseudonimiseringsrichtlijn

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA5765

Rechtbank 's-Gravenhage
04-05-2000
04-05-2000
AWB 99/11015
Vreemdelingenrecht
Bodemzaak,Voorlopige voorziening+bodemzaak

-

Rechtspraak.nl
RV20000010 met annotatie van Red. Rechtspraak Vreemdelingenrecht

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 'S-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Rechtseenheidskamer Vreemdelingenzaken

________________________________________________________

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht

juncto artikel 33a Vreemdelingenwet

________________________________________________________

Reg.nr.: AWB 99/11015 VRWET

Inzake: A, wonende te B, eiser, gemachtigde

mr. M.J.A. Leijen, advocaat te Alkmaar,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder, gemachtigde mr. A.W. van Leeuwen, advocaat te 's-Gravenhage.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Eiser, geboren op [...] 1975, bezit de Afghaanse nationaliteit.

Hij verblijft, volgens zijn verklaring, sedert 9 maart 1999 als vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet (Vw) in Nederland. Op 11 maart 1999 heeft hij te Zevenaar een aanvraag ingediend om toelating als vluchteling. Bij besluit

van 12 juli 1999 heeft verweerder deze aanvraag niet ingewilligd wegens kennelijke ongegrondheid ervan ingevolge artikel 15c, eerste lid, aanhef en onder a, Vw. Dit besluit is op 22 juli 1999 aan eiser uitgereikt. Eiser heeft

daartegen bezwaar gemaakt bij bezwaarschrift van 18 augustus 1999, bij verweerder ingekomen op 19 augustus 1999. De gronden van het bezwaar zijn ingediend bij faxbericht van 2 september 1999.

Bij besluit van 10 september 1999 heeft verweerder het bezwaar (kennelijk) ongegrond verklaard. Dit besluit is op dezelfde datum verzonden naar de gemachtigde van eiser.

2. Tegen het besluit van 10 september 1999 heeft eiser bij beroepschrift van 22 september 1999 beroep ingesteld bij deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam. De gronden van het beroep zijn ingediend op 15 oktober 1999.

3. Bij brief van 7 december 1999 is aan eiser meegedeeld dat zijn beroep zal worden behandeld door de Rechtseenheidskamer.

4. In het verweerschrift van 12 januari 2000 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

5. Bij brief van 27 januari 2000 heeft eiser gerepliceerd. Verweerder heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om schriftelijk te dupliceren.

6. Bij brief van 28 januari 2000 heeft de rechtbank verweerder vragen ten aanzien van het beleid voorgelegd. Deze vragen zijn bij brief van 8 februari 2000 beantwoord.

7. Het beroep is behandeld ter zitting van 10 februari 2000. Eiser is aldaar verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Het beroep is ter zitting gevoegd behandeld met de beroepen onder de nummers AWB 99/11065 VRWET en AWB 99/11066 VRWET.

II. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

2. Eiser legt aan zijn aanvraag en het beroep primair ten grondslag dat hij in aanmerking komt voor toelating als vluchteling en subsidiair voor een vergunning tot verblijf zonder beperking wegens klemmende redenen van humanitaire

aard. Meer subsidiair stelt eiser in aanmerking te komen voor een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (hierna vvtv).

Daartoe heeft eiser het volgende gesteld.

3. Eiser is moslim en hij behoort tot de Tadzjiekse bevolkingsgroep.

Eiser heeft in geldwisselkantoortjes gewerkt. De vader van eiser was tijdens het bewind van Najibullah werkzaam bij de politie als directeur/ hoofd Strafzaken van de provincie Takhar en vervolgens als onderdirecteur/plaatsvervangend

hoofd van de afdeling Inlichtingen van het directoraat van Strafzaken in Kabul. De vader van eiser verzamelde informatie over strafzaken. Volgens eiser heeft de Taliban om die reden eiser en zijn vader in februari/maart 1998

opgepakt. Eiser en zijn vader zijn door de Taliban van elkaar gescheiden. Eiser heeft tien maanden gevangen gezeten in (de buurt van) Jalalabad. De eerste twee dagen is eiser mishandeld. Eiser is gedurende twee maanden ondervraagd

over de werkzaamheden en over de wapens van zijn vader. Ook is hij ondervraagd over zijn eigen werk. Eiser kwam tijdens zijn werk in aanraking met rijke mensen. De Taliban wilde informatie over deze mensen. Eiser is zo lang

vastgehouden omdat de Taliban mankracht en strijders nodig had.

Eiser denkt dat hij niet zo lang zou zijn vastgehouden als hij een Pashtun was geweest. Tijdens zijn gevangenhouding moest eiser allerlei (huishoudelijke) werkzaamheden voor de Taliban verrichten. Na tien maanden, eind december

1998, is eiser ontsnapt met behulp van Farid, een medegevangene die tot de Taliban behoorde. Nadat eiser in de tweede helft van januari 1999 Afghanistan had verlaten, heeft hij voor zijn aankomst in Nederland anderhalve maand in

Ashkhabad, Turkmenistan verbleven. In het bezwaarschrift is gesteld dat eiser door de Taliban een onjuiste Islamitische opstelling wordt toegedicht vanwege zijn werkzaamheden als geldwisselaar (mede vanwege de positie van zijn

vader). De bestraffing daarvan kan, zo de bestraffing al niet tot een van de gronden van het Vluchtelingenverdrag is te herleiden, in ieder geval als onmenselijk in de zin van artikel 3 EVRM betiteld worden.

Ten aanzien van de weigering van de vvtv stelt eiser zich op het standpunt dat het verblijf van anderhalve maand in Turkmenistan hem ten onrechte is tegengeworpen. Het beleid in TBV 1998/30 is innerlijk tegenstrijdig nu voor de

reden van het beleid wordt verwezen naar de wetsgeschiedenis. Daarin wordt gesteld dat, voordat een gedoogaanbod wordt gedaan, altijd wordt nagegaan of wedertoelating tot een derde land gewaarborgd is. In TBV 1998/30 wordt echter

vermeld dat niet van belang is of wedertoelating tot het land van eerder verblijf verzekerd is. Nu op geen enkele wijze gewaarborgd is dat eiser tot Turkmenistan zal worden toegelaten, behoort dit hem niet tegengeworpen te worden.

Voorts leidt het beleid van TBV 1998/30 uiteindelijk tot een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM indien aan het beleid niet wordt vastgekoppeld dat wedertoelating tot het derde land gewaarborgd moet zijn. Het zonder titel

iemand jarenlang gedogen c.q. moedwillig in de illegaliteit dumpen terwijl vaststaat dat verwijdering naar zijn land van herkomst strijd met artikel 3 EVRM zou kunnen opleveren, levert een onmenselijke bejegening op van de persoon

in kwestie.

Eiser heeft voorts gesteld dat hij ten onrechte niet is gehoord naar

aanleiding van zijn bezwaarschrift.

4. Verweerder heeft zich primair op het standpunt gesteld dat aanleiding bestaat om aan de geloofwaardigheid van de verklaringen van eiser te twijfelen daar eiser geen documenten ter staving van zijn reisroute heeft overgelegd.

Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat het ontbreken van de documenten niet aan hem is toe te rekenen. Niet is gebleken dat eiser gegronde redenen had om zich van zijn documenten te ontdoen. Eiser heeft derhalve het onderzoek naar

zijn reisroute gefrustreerd. Voorts wekken de verklaring omtrent de arrestatie door de Taliban, met name over de scheiding van eiser en eisers vader, en de verklaring omtrent de ontsnapping uit detentie ten zeerste bevreemding. Ten

aanzien van zijn werkzaamheden voor het geldwisselkantoor heeft eiser tegenstrijdige verklaringen afgelegd. Een en ander doet volgens verweerder afbreuk aan de geloofwaardigheid van het relaas op dit punt en geeft aanleiding om te

twijfelen aan de verklaringen ten aanzien van de gestelde detentie.

Voorzover eiser in zijn verklaringen moet worden gevolgd, is verweerder van oordeel dat deze verklaringen ontoereikend zijn voor een gegrond beroep op vluchtelingschap. Daartoe heeft verweerder, onder meer onder verwijzing naar het

algemene ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 3 november 1998, overwogen dat niet aannemelijk is dat eiser vanwege de functie van zijn vader nu nog vervolging van de zijde van de Taliban te vrezen heeft daar

eisers vader zijn functie reeds zes jaar geleden heeft neergelegd en eiser noch zijn vader problemen hebben ondervonden met de autoriteiten vanwege deze functie.

Bovendien is niet gebleken dat de vader van eiser zich gemanifesteerd heeft als een politiek opposant van de Taliban. Ten aanzien van eisers stelling dat hem door de Taliban een onjuiste Islamitische opstelling wordt toegedicht,

heeft verweerder verwezen naar zijn standpunt omtrent de gestelde detentie. Er bestaat geen aanleiding om eiser in het bezit te stellen van een vergunning tot verblijf zonder beperkingen. Vanwege zijn verblijf van anderhalve maand

in Turkmenistan kan eiser evenmin aanspraak maken op verlening van een vvtv.

Omdat het bezwaarschrift kennelijk ongegrond is, kan op grond van artikel 7:3 Awb worden afgezien van het horen van eiser. Evenmin bestaat er volgens verweerder aanleiding om eiser te doen horen door de Adviescommissie voor

vreemdelingenzaken.

Ter zitting heeft verweerder opgemerkt dat het ontbreken van documenten is tegengeworpen, maar dat artikel 15c, eerste lid, aanhef en onder f, Vw (Wijziging van de Vreemdelingenwet (ongedocumenteerden) in werking getreden op 1

februari 1999) niet is toegepast. Onder artikel 15c, eerste lid, aanhef en onder f, Vw wordt een asielaanvraag niet zonder meer als kennelijk ongegrond afgewezen. Het artikellid wordt uitsluitend toegepast na een inhoudelijke

beoordeling van de asielaanvraag. In die zin verschilt een beoordeling van een asielaanvraag onder artikel 15c, eerste lid, aanhef en onder a, Vw niet van een beoordeling onder artikel 15c, eerste lid, aanhef en onder f, Vw. In deze

zaak is artikel 15c, eerste lid, aanhef en onder a, Vw, toegepast en is het ontbreken van de documenten een bijkomend argument voor de ongeloofwaardigheid van het relaas.

5. De rechtbank overweegt het volgende.

Ingevolge artikel 7:2 Awb stelt een bestuursorgaan een belanghebbende in de gelegenheid te worden gehoord, voordat het op het bezwaarschrift beslist. In artikel 32, tweede lid, Vw is een uitzondering op artikel 7:2 Awb opgenomen. De

uitzonderingssituatie van artikel 32, tweede lid, Vw doet zich in deze zaak echter niet voor nu verweerder niet heeft bepaald dat eiser de behandeling van zijn bezwaarschrift niet in Nederland mag afwachten. Als gevolg daarvan is

thans de vraag aan de orde of verweerder het bezwaar op goede gronden kennelijk ongegrond heeft verklaard en op grond van artikel 7:3 Awb heeft kunnen afzien van het horen van eiser.

6. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval geen sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaarschrift. De rechtbank wijst daarbij op het volgende.

Uit de primaire beschikking blijkt dat verweerder twijfelt aan de geloofwaardigheid van het relaas vanwege het ontbreken van documenten inzake de reisroute, vanwege de gestelde ontsnapping uit de detentie en vanwege de scheiding

tussen eiser en zijn vader na de arrestatie.

Subsidiair heeft verweerder geoordeeld dat, voorzover uitgegaan wordt van de verklaringen van eiser, eiser geen gegrond beroep op vluchtelingschap heeft gedaan. In dat verband heeft verweerder expliciet aandacht besteed aan de

detentie. De detentie wegens de werkzaamheden als geldwisselaar kan volgens verweerder niet leiden tot een gegrond beroep omdat sprake zou zijn van normale strafvervolging wegens een commuun delict. In het bezwaarschrift heeft eiser

gemotiveerd gereageerd op het standpunt en de ondersteunende argumenten van verweerder. Uit de bestreden beschikking blijkt dat verweerder zijn standpunt niet alleen heeft gehandhaafd, maar ook (ten dele) heeft aangescherpt. Er

worden eiser in de bestreden beschikking tegenstrijdige verklaringen tegengeworpen. Verder wordt door verweerder afstand genomen van de overweging dat de detentie betiteld dient te worden als normale strafvervolging. Naar aanleiding

hiervan wordt in de bestreden beschikking opgemerkt dat deze overweging in de beschikking in primo `geschrapt' dient te worden omdat -zakelijk weergegeven- eiser nimmer gesteld heeft dat zijn werk door de Taliban verboden was en

omdat de detentie niet geloofwaardig is.

Naar aanleiding van dit alles overweegt de rechtbank in de eerste plaats dat in dit geval geen sprake van evidente ongeloofwaardigheid van het relaas. In de tweede plaats oordeelt de rechtbank dat, nu de detentie een essentieel

onderdeel van eisers vluchtrelaas vormt, verweerder niet tot (een aanscherping van) zijn standpunt kon komen zonder eiser in de gelegenheid te stellen zijn visie mondeling toe te lichten.

Gelet op het vorenstaande heeft verweerder ten onrechte afgezien van horen.

7. Gelet op de stukken en op het verhandelde ter zitting, merkt de rechtbank inzake de weigering van de vvtv het volgende op.

8. Ingevolge artikel 12b Vw, zoals dit luidde ten tijde van het bestreden besluit, kan verweerder een vvtv verlenen aan een vreemdeling die zich in Nederland bevindt en een aanvraag om toelating heeft ingediend, indien naar het

oordeel van verweerder gedwongen verwijdering naar het land van herkomst van bijzondere hardheid voor de vreemdeling zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar.

9. De rechtbank overweegt dat de wetgever blijkens de tekst van artikel 12b Vw aan verweerder beoordelingsvrijheid heeft gelaten ten aanzien van de beantwoording van de vraag of gedwongen verwijdering naar het land van herkomst van

bijzondere hardheid voor de vreemdeling zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar. Uit de tekst van dit artikel blijkt voorts dat de wetgever verweerder -bij een positieve beantwoording van voornoemde vraag- de

beleidsvrijheid heeft toegekend al dan niet een vvtv te verlenen.

10. Ten aanzien van de beoordelings- en beleidsvrijheid heeft de toenmalige staatssecretaris in een brief van 18 december 1997 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer (TK 1997-1998, 19 637, nr. 308) aangegeven welke indicatoren hij

betrekt bij zijn besluitvorming omtrent het voeren van een vvtv-beleid. In genoemde brief is onder meer aangegeven dat artikel 12b Vw de staatssecretaris ruimte geeft om bepaalde personen tijdelijk te beschermen tegen uit humanitair

oogpunt onverantwoorde risico's. Voorts is in deze brief aangegeven dat een vvtv op basis van individuele omstandigheden kan worden geweigerd. De staatssecretaris wijst in dit verband onder meer op de parlementaire geschiedenis,

waarin wordt aangegeven dat de beoordeling van de algehele situatie in het land van herkomst cruciaal, maar niet doorslaggevend is.

In de persoon of de achtergrond van de vreemdeling kunnen duidelijke kenmerken zijn gelegen waardoor vrijwel is uit te sluiten dat uitzetting humanitaire risico's met zich brengt. Een factor die bij deze beslissing een rol kan

spelen, is de duur van het verblijf buiten het land van herkomst.

11. Verweerder heeft aanleiding gezien om de hiervoor genoemde `in de persoon van de vreemdeling gelegen redenen' in een beleidsregel neer te leggen. Bij brief van 20 november 1998 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer (TK

1998-1999, 19 637, nr. 395) heeft verweerder beleidsvoornemens bekendgemaakt. Deze zijn op 16 december 1998 met de vaste commissie voor Justitie van de Tweede Kamer besproken. Vervolgens heeft verweerder in TBV 1998/30 van 21

december 1998, op dezelfde dag gepubliceerd in de Staatscourant en in juli 1999 ongewijzigd opgenomen in de Vreemdelingencirculaire 1994 B7/15.4.1., het volgende vastgesteld:

"In de Memorie van Antwoord (22 735, blz. 9-11) is aangegeven dat de duur van het verblijf van de vreemdeling buiten het land van herkomst een factor is die wordt meegewogen bij de beoordeling van de vraag of een vvtv wordt

verleend. In de brief aan de Tweede Kamer van 20 november 1998 is aangegeven dat vreemdelingen, die voor hun komst naar Nederland in een ander land dan het land van herkomst hebben verbleven, bij terugkeer naar het land van eerder

verblijf niet de risico's lopen, die wel zouden bestaan bij terugkeer naar het land van herkomst. Dit leidt tot de volgende contra-indicatie.

Indien een asielzoeker, afkomstig uit een land waarheen om beleidsmatige redenen niet wordt verwijderd, voorafgaand aan de komst naar Nederland in een ander (derde) land heeft verbleven, wordt aan hem geen voorwaardelijke vergunning

tot verblijf verleend.

Deze contra-indicatie wordt toegepast indien de vreemdeling langer dan twee weken in het derde land heeft verbleven, ongeacht zijn intentie om (uiteindelijk) naar Nederland te reizen. Bij het stellen van deze termijn is aansluiting

gezocht bij het zogenoemde doorreiscriterium.

Bij de toepassing van deze contra-indicatie is het niet van belang of de Nederlandse overheid de verzekering heeft dat de vreemdeling opnieuw zal worden toegelaten tot het derde land. Op de vreemdeling rust de rechtsplicht om

Nederland te verlaten. (...)"

12. In het verweerschrift heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het beleid zoals verwoord in TBV 1998/30 volstrekt in overeenstemming is met de gedachte dat de vvtv slechts een aanvullende functie heeft. Slechts indien

de asielzoeker geen andere mogelijkheden had de facto bescherming te verkrijgen tegen de in zijn land van herkomst heersende onveiligheid -die heeft geleid tot het in het leven roepen van een vvtv-beleid-, komt een asielzoeker in

beginsel voor een vvtv in aanmerking.

13. Voorts heeft verweerder, daarnaar gevraagd, in de brief van 8 februari 2000, aan de rechtbank -zakelijk weergegeven- het volgende meegedeeld. Naar het oordeel van verweerder heeft de wetgever met de in artikel 12b Vw vervatte

beleidsvrijheid beoogd dat verweerder kan reageren op actuele en/of onvoorziene ontwikkelingen. Een van die ontwikkelingen is dat vvtv-gerechtigde asielzoekers die in een aantal derde landen bescherming tegen de in hun land

heersende onveiligheid (hadden) kunnen verkrijgen (en die dat gezien hun verblijf van minimaal twee weken ook daadwerkelijk hebben verkregen) toch in grote getale - om doorgaans economische redenen - besluiten naar Nederland te

reizen. Voor die situatie is het vvtv-instrument niet in het leven geroepen. Het is, volgens verweerder, in overeenstemming met de geest en strekking van artikel 12b Vw om vreemdelingen in dergelijke gevallen een vvtv te weigeren.

Bij het tegenwerpen van de contra-indicatie gaat het om de vraag of de vreemdeling in het derde land een verblijfsalternatief heeft gehad.

Daarbij gaat het dus om het verleden en niet om de toekomst. De contra-indicatie wordt tegengeworpen als de vreemdeling (de facto)

bescherming tegen een uitzetting naar zijn land van herkomst had kunnen genieten. Slechts als een vreemdeling aannemelijk kan maken dat voor hem in het derde land een humanitaire noodsituatie bestond, zal verblijf in het derde land

niet worden tegengeworpen. Terzake van de termijn van het verblijf in het derde land wordt in beginsel geen rekening gehouden met persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling. Bij de toepassing van de contra-indicatie speelt de

wedertoelating tot het derde land geen rol.

Ter zitting is dit laatste zo uitgelegd dat ook indien in een individueel geval zou blijken dat terugkeer naar het derde land feitelijk niet (meer) mogelijk is, geen nieuwe situatie ontstaat in die zin dat dan alsnog een vvtv wordt

verleend. De vreemdeling had de facto bescherming (kunnen genieten). De vreemdeling had geen asielrechtelijke reden om naar Nederland te komen. De gevolgen van zijn keuze om vanuit het derde land naar Nederland te reizen, dienen

voor zijn rekening en risico te komen.

14. De rechtbank overweegt het navolgende.

Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit de rechterlijke toets kan doorstaan en dan met name of verweerder bij de invulling van het beleid zoals hierboven omschreven binnen de grenzen van een redelijke beleidstoepassing is

gebleven. In dit kader moet worden bezien of de voor de belanghebbende nadelige gevolgen die uit deze beleidsregel voortvloeien niet onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen (art. 3:4, tweede lid,

Awb jo. art. 1:3, vierde lid, Awb).

15. De rechtbank is van oordeel dat het door verweerder met TBV 1998/30 nagestreefde doel niet kennelijk onredelijk is te achten in zoverre verweerder zich (meer) ruimte wil verschaffen om die vreemdelingen, die afkomstig zijn uit

een land ten aanzien waarvan verweerder een vvtv-beleid voert -en die niet als vluchteling kunnen worden erkend en toegelaten dan wel in het bezit kunnen worden gesteld van een vergunning tot verblijf wegens een dreigende schending

van artikel 3 EVRM- geen toelating te verlenen indien zij niet rechtstreeks naar Nederland zijn gekomen.

16. Met dit oordeel staat, mede gelet op het bepaalde in artikel 3:4, tweede lid, Awb, evenwel niet zonder meer vast dat de in TBV 1998/30 neergelegde beleidsregel aan dat doel evenredig is. De rechtbank komt - marginaal toetsend-

tot het oordeel dat, gezien de (concrete) invulling van de beleidsregel, van onevenredigheid sprake is. Daartoe is het volgende redengevend.

17. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de wetgever met de invoering van de Wet van 23 december 1993 tot wijziging van de Vreemdelingenwet en van het Wetboek van Strafrecht beoogd om de rechtspositie van bepaalde niet

verwijderbare vreemdelingen, die geen zelfstandige gronden voor onvoorwaardelijke toelating konden aanvoeren, waar mogelijk te versterken, en aan hen in beginsel een verblijfsrecht te verlenen. Met het creƫren van de vvtv heeft de

wetgever willen voorzien in situaties waarin (al dan niet asielzoekende) vreemdelingen die niet tot Nederland kunnen worden toegelaten, maar die evenmin op beleidsmatige gronden verwijderd worden naar hun land van herkomst, niet

(meer) `titelloos' worden gedoogd en in beginsel in het bezit worden gesteld van een vvtv.

18. Tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel is - in dit kader - voorts meerdere malen aandacht besteed aan de positie van de asielzoeker, die onderdaan is van een `gedoogdenland', en niet rechtstreeks vanuit dat

land naar Nederland is gevlucht, maar eerst in een (ander) land van eerste opvang heeft verbleven. De regering heeft meerdere malen aangegeven dat wanneer een asielzoeker direct voor zijn komst naar Nederland langdurig in een derde

land heeft verbleven, altijd wordt nagegaan of wedertoelating tot dat land technisch en/of beleidsmatig mogelijk is en dat toelating hier te lande wordt geweigerd indien wedertoelating in het derde land gewaarborgd is (verwezen

wordt

naar: TK 1992-1993, 22 735, nr. 5 blz. 9 en Algemene beraadslagingen Tweede Kamer op 2 september 1993, TK 89-6661). De rechtbank leidt hieruit af dat de wetgever inzake het al dan niet verlenen van een vvtv rekening heeft willen

houden met een mogelijk verblijfsalternatief in een ander land en begrijpt deze uitlatingen voorts als een onderstreping van het belang dat wordt nagegaan of een verondersteld aanwezig verblijfsalternatief in concreto (nog steeds)

beschikbaar is voordat op basis daarvan aan de vreemdeling een vvtv kan worden onthouden.

19. Weliswaar heeft de wetgever - zoals ook namens verweerder in de brief van 8 februari 2000 en tevens ter zitting is benadrukt - verweerder een ruime beoordelings- en beleidsvrijheid gegeven, doch dit laat naar het oordeel van de

rechtbank onverlet dat aan de hiervoor genoemde aard en strekking van het vvtv-beleid alsmede aan de in r.o. 18 aangehaalde uitlatingen in het parlementaire debat een richtinggevende betekenis niet kan worden ontzegd. De rechtbank

is van oordeel dat, ondanks het feit dat in TBV 1998/30 wordt verwezen naar de hiervoor aangehaalde passage in de Memorie van Antwoord, in de kenbare afweging die tot de in TBV 1998/30 neergelegde beleidsregel heeft geleid en de

invulling daarvan ten aanzien van de duur van het verblijf in het derde land en de wedertoelating tot dat land, deze richtinggevende betekenis onvoldoende is terug te vinden.

20. Ook overigens is niet gebleken van een zorgvuldige, van evenredigheid getuigende belangenafweging.

In de eerste plaats overweegt de rechtbank daartoe dat, blijkens de beleidsregel en de daarop gegeven toelichting, een verblijf van langer dan twee weken in een derde land volgens verweerder voldoende is om het de facto verblijf als

een `verblijfsalternatief' aan te merken en tegen te werpen, terwijl ten aanzien van dit verblijfsalternatief in de visie van verweerder geen rekening wordt gehouden of behoeft te worden gehouden met de aard en aanleiding van het

verblijf, de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling en/of de omstandigheden waaronder hij in het land van eerder verblijf heeft verbleven. Door deze invulling van het begrip `verblijfsalternatief' - waarbij verweerder enkel

oog heeft voor het verleden - roept verweerder een abstractie in het leven ten gevolge waarvan onderzoek naar de vraag of de facto sprake is van een verblijfsalternatief achterwege blijft. Mede in het licht van de ratio van het

vvtv-beleid heeft verweerder, door feitelijk (slechts) de duur van het verblijf in het derde land van doorslaggevend belang te achten, met de beleidskeuze onvoldoende blijk gegeven van een zorgvuldige weging van de betrokken

belangen van de vreemdelingen in verhouding tot het door verweerder nagestreefde doel. De rechtbank wijst er op dat het zeer wel denkbaar is dat enerzijds ook bij een voorafgaand verblijf in een derde land van (korter dan) twee

weken van een aan de vreemdeling tegen te werpen verblijfsalternatief kan worden gesproken, terwijl het anderzijds niet steeds op voorhand uitgesloten kan worden geacht dat bij een verblijf van langer dan twee weken - nog ongeacht

de vraag of zijn wedertoelating is gewaarborgd - toch niet van de vreemdeling kan worden gevergd dat hij naar dat land terugkeert. Voorts heeft verweerder onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom hij in TBV 1998/30 alleen ten aanzien

van de periode van het verblijf in het derde land aansluiting bij het doorreiscriterium heeft gezocht. De rechtbank merkt in dit verband overigens nog op dat `het hebben van een verblijfsalternatief' - zoals de contra-indicatie

uitdrukkelijk is genoemd in het beleidsvoornemen, te weten de brief van 20 november 1998 - kennelijk is veranderd in een `gehad hebben van een verblijfsalternatief'. Eveneens terzijde zij opgemerkt dat de strekking van TBV 1998/30

in inhoudelijk opzicht in vergaande mate afwijkt van - en veel restrictiever is dan - het beleidsvoornemen zoals dat in de brief van

20 november 1998 is neergelegd en op 16 december 1998 in de Tweede Kamer

is gepresenteerd. Dit laatste staat naar het oordeel van de rechtbank op gespannen voet met de in de brief van 8 februari 2000 namens verweerder betrokken stelling dat de in de brief van 20 november 1998 uiteengezette gedachtegang

in TBV 1998/30 `als het ware wordt geƫxpliciteerd'.

21. In de tweede plaats overweegt de rechtbank het volgende. Blijkens het standpunt van verweerder speelt wedertoelating tot het derde land (in het geheel) geen rol. Aan verweerder kan worden toegegeven dat wanneer een aanvraag om

toelating niet is ingewilligd, op een vreemdeling ingevolge artikel 15d, tweede lid, Vw de rechtsplicht rust om Nederland te verlaten. Door echter de vraag naar de wedertoelating noch de eventuele gevolgen van een

niet-mogelijk-gebleken terugkeer naar het derde land binnen het beoordelingskader een rol te laten spelen, gaat verweerder onder meer volstrekt voorbij aan de omstandigheid dat op het land van eerder verblijf in beginsel geen

(volkenrechtelijke) rechtsplicht rust om een niet-onderdaan terug te nemen. Door hiermee op geen enkele wijze rekening te houden en de gevolgen zonder voorbehoud in de risicosfeer van de vreemdeling te laten, kan het beleid evenmin

op dit punt de toets der redelijkheid doorstaan.

22. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet in redelijkheid het beleid, als verwoord in TBV 1998/30, heeft kunnen vaststellen. Als gevolg hiervan mist de bestreden beschikking haar grondslag en

behoeft de stelling van eiser dat dit beleid in strijd is met artikel 3 EVRM, geen bespreking meer.

23. Op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen is het beroep gegrond.

De bestreden beschikking dient te worden vernietigd.

24. De rechtbank ziet aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten

bestuursrecht vastgesteld op f 1420,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting op 10 februari 2000; waarde per punt f 710,- en wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is

verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, Awb de betaling aan de griffier te geschieden.

25. De rechtbank wijst met toepassing van artikel 8:74, eerste lid, Awb de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon die aan eiser het betaalde griffierecht ad f 50,- dient te vergoeden.

III. BESLISSING:

De Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit van 10 september 1999;

3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten ad f 1420,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten dient te vergoeden en aan de griffier dient te betalen;

5. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ad f 50,-.

Aldus gedaan door mrs. A.C.J. van Dooijeweert, A.H. Schotman en W.J. van Bennekom en in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2000 door mr. A.C.J. van Dooijeweert, in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.M. Dorgelo.

griffier voorzitter

afschrift verzonden op: 4 mei 2000

De gegevens worden opgehaald

Hulp bij zoeken

Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over:

Selectiecriteria

De Rechtspraak, Hoge Raad der Nederlanden en Raad van State publiceren uitspraken op basis van selectiecriteria:

  • Uitspraken zaken meervoudige kamers
  • Uitspraken Hoge Raad en appelcolleges
  • Uitspraken met media-aandacht
  • Uitspraken in strafzaken
  • Europees recht
  • Richtinggevende uitspraken
  • Wraking

Weekoverzicht

Selecteer een week en bekijk welke uitspraken er in die week aan het uitsprakenregister zijn toegevoegd.