beschikking
RECHTBANK UTRECHT
Sector handel en kanton
Handelskamer
zaaknummer / rekestnummer: 319452 / HA RK 12-87
Beschikking van 4 april 2012
in de zaak van
[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
verzoeker,
advocaat mr. C.J. de Boer te Amsterdam,
tegen
de stichting
DE STICHTING NIJMEEGS INTERCONFESSIONEEL ZIEKENHUIS CANISIUS-WILHELMINA,
gevestigd te Nijmegen,
verweerster,
advocaat prof. mr. J.G. Sijmons te Zwolle.
1. Verloop van de procedure
1.1. Op 26 januari 2012 is ter griffie van deze rechtbank (onder depotnummer 24/2012) een tussen partijen op 5 januari 2012 te Utrecht gewezen arbitraal vonnis van het Scheidsgerecht Gezondheidszorg (hierna: het Scheidsgerecht) neergelegd. Een gewaarmerkt afschrift van dit vonnis is aan deze beschikking gehecht.
1.2. Verzoeker heeft op 14 februari 2012 ter griffie van deze rechtbank een verzoekschrift met bijlagen ingediend. Het verzoek strekt tot het verlenen van verlof om voormeld arbitraal vonnis ten uitvoer te leggen, met veroordeling van verweerster in de kosten die op de afgifte van het verlof vallen.
1.3. Verweerster heeft een informeel verzoek ingediend om te worden gehoord en dit verzoek is toegestaan.
1.4. Verweerster heeft op 13 maart 2012 ter griffie van deze rechtbank een verweerschrift met bijlagen ingediend. Het verweer strekt tot het afwijzen van het door verzoeker ingediende verzoek tot tenuitvoerlegging.
1.5. Partijen zijn door de griffier van deze rechtbank opgeroepen tegen de terechtzitting van 20 maart 2012.
1.6. Ter zitting zijn verschenen:
- dhr. [verzoeker], verzoeker;
- mr. C.J. de Boer, advocaat van verzoeker;
- mr. M. van den Eeckhout, advocaat van verzoeker;
- dhr. [X], lid van de Raad van Bestuur van verweerster;
- mr. J.G. Sijmons, advocaat van verweerster.
1.7. Tenslotte is de uitspraak bepaald op heden.
2. Vaststaande feiten
2.1. Verzoeker heeft op 25 augustus 2011 een geding aanhangig gemaakt bij het Scheidgerecht Gezondheidszorg met betrekking tot de opzegging van de toelatingsovereenkomst van verzoeker en zijn op non-actiefstelling door verweerster.
2.2. Bij het Scheidsgerecht heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarop beide partijen verschenen zijn en in de gelegenheid zijn gesteld om hun standpunten toe te lichten.
2.3. Het Scheidsgerecht heeft op 5 januari 2012 een arbitraal eindvonnis gewezen. Dit vonnis is gedeponeerd bij de Rechtbank Utrecht onder depotnummer 24/2012. Van dit vonnis staat geen arbitraal hoger beroep open.
2.4. Overweging 4.1. van het arbitraal vonnis luidt:
“Het beroep van verweerster op niet-ontvankelijkheid van eiser in diens vordering wordt verworpen. Weliswaar is deze bodemprocedure, op zichzelf bezien, aanhangig gemaakt na afloop van de in artikel 24 lid 4 van de toelatingsovereenkomst opgenomen termijn van een maand, maar eiser heeft binnen deze termijn het kort geding aangespannen en daarmee op niet voor misverstand vatbare wijze te kennen gegeven zich niet bij de jegens hem genomen maatregelen te zullen neerleggen. Ook overigens kan bij verweerster in redelijkheid niet de gedachte hebben postgevat dat eiser van verdere actie zou afzien. Gelet op dit een en ander is het beroep van verweerster op de termijnregeling van de toelatingsovereenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.”
2.5. Verzoekster heeft een verzoek ingediend bij de Rechtbank Utrecht dat strekt tot het verlenen van verlof om voormeld arbitraal vonnis ten uitvoer te leggen. Dit verzoek is gebaseerd op artikel 1062 Rv.
3. Verzoek en verweer
3.1. Verzoeker vraagt om aan hem verlof te verlenen tot tenuitvoerlegging van het voormelde arbitrale vonnis van 5 januari 2012, met veroordeling van verweerster in de kosten van deze procedure. Verzoeker onderbouwt zijn verzoek door te stellen dat het verzoek voldoet aan de eisen die de wet aan een dergelijk verzoek stelt en er geen sprake is van een van de gronden voor weigering die genoemd worden in artikel 1063 Rv.
3.2. Er is verweer gevoerd.
Volgens verweerder is er sprake van strijd met de openbare orde (genoemd in artikel 1063 Rv) waardoor het verzoek tot tenuitvoerlegging afgewezen dient te worden.
Daarnaast stelt verweerster dat verzoeker geen dringend belang heeft bij verlof tot tenuitvoerlegging van het arbitrale vonnis. Tot slot stelt verweerster dat de zorgvuldige procesgang dient te prevaleren en zij wijst dan op de door haar ingestelde vordering tot vernietiging van het arbitrale vonnis en het restitutierisico dat zij loopt indien het arbitrale vonnis, nadat dit uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, ten uitvoer zal worden gelegd voordat de rechter zich heeft uitgelaten over de vordering tot vernietiging.
Bij de mondelinge behandeling heeft verweerster aangevoerd dat het arbitraal vonnis geacht moet worden zonder geldige arbitrageovereenkomst tot stand te zijn gekomen. Dit is in strijd met de openbare orde en de goede zeden.
Verzoekster onderbouwt deze stelling door te verwijzen naar de beslissing van het Scheidsgerecht om verzoeker, ondanks het te laat (namelijk na de termijn die artikel 24 lid 4 van de toelatingsovereenkomst hiervoor stelt) aanhangig maken van de bodemprocedure door verzoeker, ontvankelijk te verklaren ten aanzien van zijn vorderingen. Deze beslissing is volgens verzoekster in strijd met de goede procesorde en daarmee in strijd met de openbare orde zoals genoemd in artikel 1065 lid 1 sub e Rv.
Voorts stelt verweerster dat de enige grond voor het Scheidsgerecht om aan verzoeker een schadevergoeding van ruim € 300.000,- toe te kennen, erin gelegen is dat verzoeker is overvallen door het voorgenomen besluit tot opzegging van de toelatingsovereenkomst en schorsing van verzoeker door verweerster, dat verzoeker dit werd meegedeeld en hij daarop werd gehoord op korte termijn zonder dat hij zijn rechtsbijstand in orde had weten te brengen. Nu de advocaat van verzoeker daarna nog de gelegenheid heeft gehad om alsnog schriftelijk te reageren voordat het definitieve besluit genomen werd door verweerster en er volgens verweerster door het scheidsgerecht niet de gevolgtrekking is gemaakt dat verzoeker in zijn verdediging geschaad, vormt deze motivering van het scheidsgerecht volgens verweerster geen grond voor de forse toegekende schadevergoeding. Verweerster stelt dat dit een grond is voor vernietiging op basis van artikel 1065 lid 1 sub d en sub e Rv. Verzoekster concludeert na dit alles dat het zeer aannemelijk is dat het arbitraal vonnis zal worden vernietigd en dat tenuitvoerlegging van het arbitraal vonnis zal worden geschorst. Toewijzing van het verzoek tot tenuitvoerlegging van het arbitraal vonnis is daarom in strijd met de openbare orde, als gevolg waarvan verzoekster de voorzieningenrechter vraagt om het onderhavige verzoek af te wijzen, dan wel de beslissing op dit verzoek aan te houden tot het moment waarop op het verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging is beslist.
4. Beoordeling
4.1. De voorzieningenrechter stelt voorop dat uit de wettelijke regeling van de tenuitvoerlegging van een arbitraal vonnis volgt dat de tenuitvoerlegging pas kan geschieden indien en nadat de voorzieningenrechter daartoe verlof heeft verleend.
Artikel 1063 Rv geeft aan op welke gronden een verlof kan worden geweigerd om een arbitraal vonnis ten uitvoer te leggen. Het eerste lid van dit artikel luidt:
“De voorzieningenrechter van de rechtbank kan de tenuitvoerlegging van het arbitraal vonnis slechts weigeren, indien het vonnis, of de wijze waarop dit tot stand kwam, kennelijk in strijd is met de openbare orde of de goede zeden, dan wel indien in strijd met artikel 1055 tenuitvoerlegging bij voorraad is bevolen of in strijd met artikel 1056 een dwangsom is opgelegd. In dit laatste geval betreft de weigering alleen de tenuitvoerlegging van de dwangsom.”
4.2. Uit het voorgaande volgt dat de voorzieningenrechter slechts op grond van een beperkt aantal gronden het verzoek tot ten uitvoerlegging kan weigeren. De wetgever heeft vervolgens een apart toetsingskader geschapen in artikel 1066 Rv. e.v. om een eventuele tenuitvoerlegging na verlof daartoe te schorsen. Dat zijn twee onderscheiden procedures.
Daarom wordt het verzoek tot aanhouding totdat over de eventuele schorsing is beslist afgewezen. Het ligt in de rede om te veronderstellen dat wegens gebrek aan belang een verzoek tot schorsing niet eerder in behandeling wordt genomen en beslist totdat op een (voorafgaand) verzoek tot tenuitvoerlegging is beslist. Op die wijze zou verzoeker ieder effectief rechtsmiddel verliezen om tot tenuitvoerlegging te komen, terwijl de wetgever juist op dit punt een beperkt toetsingskader heeft gewild.
4.3. Verweerster voert aan dat het Scheidsgerecht verzoeker ten onrechte ontvankelijk heeft verklaard, aangezien hij te laat was met het aanhangig maken van de bodemprocedure. Verweerster redeneert dat het arbitragebeding hierdoor haar gelding heeft verloren, waardoor de opzegging van de overeenkomst door verweerster rechtskracht heeft gekregen. Het Scheidsgerecht heeft in de onder 2.4. weergegeven overweging aangegeven dat verzoeker wel ontvankelijk is in zijn vordering. Volgens verweerster is dit in strijd met een goede procesorde en is daarmee ook de strijd met de openbare orde en goede zeden gegeven. De voorzieningenrechter oordeelt dat de omstandigheid dat het Scheidsgerecht overweegt dat het beroep van verweerster op de termijnregeling van de toelatingsovereenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, nog niet met zich meebrengt dat de beslissing ook kennelijk in strijd is met de openbare orde of goede zeden. Ook de burgerlijke rechter tot in de hoogste instantie bezigt soortgelijke redeneringen ten aanzien van verjaringstermijnen en verschoonbare termijnoverschrijdingen. De vraag of het Scheidsgerecht in dit concrete geval verzoeker wel of niet terecht ontvankelijk heeft verklaard, is dan een vraag die beantwoord dient te worden door de rechter die een verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging en vernietiging van het arbitrale vonnis heeft te beoordelen.
4.4. Ten aanzien van het door verweerster gevoerde verweer omtrent de aan verzoeker toegekende schadevergoeding heeft het volgende te gelden. Duidelijk is dat in de arbitrale procedure hoor en wederhoor heeft plaatsgevonden. Verzoeker heeft in de stukken voorafgaande aan de mondelinge behandeling bij het Scheidsgerecht ook om een vergoeding verzocht en dit punt is ook bij de mondelinge behandeling door het scheidsgerecht in aanwezigheid van beide partijen besproken. Aldus bezien kan niet staande worden gehouden dat er sprake is van een zodanige schending van een fundamenteel beginsel van procesrecht, zoals bijvoorbeeld het beginsel van hoor en wederhoor, dat niet meer van een behoorlijke arbitrageprocedure kan worden gesproken. Daarom leidt ook dit verweer niet tot kennelijke strijd met de openbare orde of goede zeden.
4.5. Ten aanzien van het door verweerster aangevoerde restitutierisico, oordeelt de voorzieningenrechter dat dit geen afzonderlijke weigeringgrond is voor de tenuitvoerlegging van een arbitraal vonnis in de zin van artikel 1063 Rv. Dat brengt mee dat er een dusdanig groot risico zou moeten zijn dat dit meebrengt dat de tenuitvoerlegging daardoor kennelijk in strijd met de goede zeden of de openbare orde zou komen. Hiervan is in de omstandigheden van dit geval geen sprake. Tussen partijen staat voldoende vast dat verzoeker een vast inkomen en een vaste verblijfplaats in Nederland heeft. Bezien in dit kader heeft verweerster het door haar gestelde restitutierisico onvoldoende onderbouwd.
4.6. Gezien het voorgaande, oordeelt de voorzieningenrechter dat noch het arbitrale vonnis, noch de wijze waarop het tot stand is gekomen, kennelijk in strijd is met de openbare orde of de goede zeden. Het gevraagde verlof zal derhalve worden verleend.
4.7. Verweerster zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de
kosten van deze procedure. Deze kosten aan de zijde van verzoeker worden vastgesteld op een bedrag van € 1.171,-, te weten een bedrag van € 267,- aan vast recht en een bedrag van
€ 904,- aan salaris gemachtigde (€ 452,- x 2 punten).
5. Beslissing
De voorzieningenrechter:
verleent verzoeker verlof het aan deze beschikking gehechte arbitrale vonnis ten uitvoer te leggen;
veroordeelt verweerster in de kosten op de afgifte van dit verlof gevallen, tot deze beschikking aan de zijde van verzoeker begroot op € 904,- voor salaris van de gemachtigde en op € 267,- aan vast recht.
Deze beschikking is gegeven door mr. L.C. Heuveling van Beek en in het openbaar uitgesproken op 4 april 2012.?