Overwegingen
1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Verzoeker en zijn echtgenote wonen in het monumentale pand [adres] (hierna: het pand). Zij exploiteren daar een speciaalzaak in quiltstoffen en een lunchroom, genaamd [naam zaak].
Op 15 januari 2014 heeft eiser een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend voor het gebruiken van het pand in strijd met het bestemmingsplan ten behoeve van lichte horeca.
Op 22 april 2014 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning onder voorwaarden verleend. Aangezien het pand niet voldoet aan de eisen van het Bouwbesluit 2012 (hierna: het Bouwbesluit), dient verzoeker binnen een maand na verlening van deze vergunning een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen van een bouwwerk’ aan te vragen ten behoeve van de benodigde bouwkundige en/of installatietechnische aanpassingen.
Verzoeker heeft een aanvraag ingediend, maar heeft deze niet meer aangevuld. Het college heeft de aanvraag buiten behandeling gesteld.
Bij brief van 16 september 2014 heeft het college aan verzoeker het voornemen kenbaar gemaakt om aan hem een last onder dwangsom op te leggen vanwege het niet voldoen van het pand aan de brandveiligheidsvoorschriften. Verzoeker heeft zijn zienswijze naar voren gebracht.
Bij het bestreden besluit heeft het college, onder weerlegging van de zienswijze, aan verzoeker een last onder dwangsom opgelegd. De last bestaat erin dat verzoeker de winkel-, horeca- en cursusactiviteiten in het pand binnen twee weken na de verzenddatum van het besluit volledig beëindigd en beëindigd houdt, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 2.500,- per constatering, met een maximum van € 25.000,-.
Het college heeft de begunstigingstermijn verlengd tot twee weken nadat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan.
2. Verzoeker heeft aangevoerd dat het aanbrengen van brandcompartimentering, gezien de indeling van het monumentale pand, onbegonnen werk is. Er ontstaan dan onlogische gangen en afscheidingen waardoor de indeling van het pand onoverzichtelijk wordt, en vroege detectie van brand belemmerd wordt, hetgeen de veiligheid niet ten goede komt. Bovendien is het aanbrengen van compartimentering vanwege de feitelijke situatie uitzonderlijk kostbaar. Verzoeker verwijst naar de adviezen van de heer [naam adviseur] van ingenieursbureau LBP/SIGHT die van mening is dat sprake is van een brandveilige situatie. Voorts is de door verzoeker ingeschakelde deskundige van mening dat de winkel inclusief lunchroom kan worden beschouwd als nevenfunctie van de woonfunctie. Een fysieke brandscheiding is daarom niet vereist. Verder heeft verzoeker aangevoerd dat de last onduidelijk is geformuleerd en dat een begunstigingstermijn van twee weken onredelijk kort is. Verzoeker vindt dat het college de betrokken belangen niet juist heeft gewogen. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht het bestreden besluit te schorsen.
3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoeker een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.
Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.
4. Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang. De bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang wordt op grond van artikel 125, tweede lid, van de Gemeentewet uitgeoefend door het college, indien de toepassing van bestuursdwang dient tot handhaving van regels welke het gemeentebestuur uitvoert.
Op grond van artikel 5:32, eerste lid, van de Awb kan een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.
5. De voorzieningenrechter ziet zich gesteld voor de vraag of er een wettelijk voorschrift is overtreden op grond waarvan het college bevoegd is om handhavend op te treden.
Het college heeft zijn bevoegdheid tot handhavend optreden blijkens het bestreden besluit gebaseerd op overtreding van artikel 1b en 2 van de Woningwet, gelezen in samenhang met artikel 2.89, vijfde lid, van het Bouwbesluit.
Verzoeker heeft zich ter zitting op het primaire standpunt gesteld, dat wanneer voldaan wordt aan artikel 2.87 van het Bouwbesluit, niet wordt toegekomen aan een toets aan artikel 2.89 van het Bouwbesluit. Subsidiair stelt verzoeker dat de winkel inclusief lunchroom kan worden beschouwd als nevenfunctie van de woonfunctie. Meer subsidiair doet verzoeker een beroep op de gelijkwaardigheid van artikel 1.3 van het Bouwbesluit.
6. Ingevolge artikel 2.87, eerste lid, van het Bouwbesluit is een bestaand bouwwerk zodanig dat de kans op een snelle uitbreiding van brand voldoende wordt beperkt.
Ingevolge artikel 2.89, vijfde lid, van het Bouwbesluit liggen in een brandcompartiment ten hoogste een woonfunctie en nevenfuncties daarvan.
Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, van het Bouwbesluit is een nevenfunctie een gebruiksfunctie die ten dienste staat van een andere gebruiksfunctie.
Ingevolge artikel 1.3, eerste lid, van het Bouwbesluit behoeft aan een in hoofdstuk 2 tot en met 7 gesteld voorschrift niet te worden voldaan indien het bouwwerk of het gebruik daarvan anders dan door toepassing van het desbetreffende voorschrift ten minste dezelfde mate van veiligheid, bescherming van de gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en bescherming van het milieu biedt als is beoogd met de in die hoofdstukken gestelde voorschriften.
7. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het pand wel moet voldoen aan artikel 2.89, vijfde lid, van het Bouwbesluit. Deze bepaling is immers een apart normvoorschrift naast artikel 2.87 van het Bouwbesluit. Voorts is de voorzieningenrechter van oordeel dat de quiltwinkel en de lunchroom geen nevenfuncties zijn van de woonfunctie. Dit gebruik staat niet uitsluitend ten dienste van de bewoning en overschrijdt datgene dat naar aard en omvang gezien kan worden als een nevenfunctie.
Verzoeker heeft ook verwezen naar de gelijkwaardigheidsbepaling in artikel 1.3, eerste lid van het Bouwbesluit. De brandweer heeft de brandveiligheid van het pand in een rapport van 24 januari 2014 beoordeeld. Daarbij heeft de brandweer aangegeven dat de door verzoeker getroffen maatregelen met betrekking tot rookmelders en brandblussers niet als gelijkwaardige voorzieningen kunnen worden beschouwd. In het door verzoeker ingebrachte rapport van LBP/Sight wordt niet gesteld dat de voorzieningen wel gelijkwaardig zouden zijn. Gelet hierop gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat niet is gegarandeerd dat de door verzoeker getroffen voorzieningen ten minste gelijkwaardig zijn aan de eisen die uit het Bouwbesluit voortvloeien.
De voorzieningenrechter komt tot de conclusie dat het college bevoegd is om handhavend op te treden wegens overtreding van artikel 2.89, vijfde lid, van het Bouwbesluit.
8. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) moet – in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift – het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik maken. In dit kader heeft de AbRS overwogen dat slechts onder bijzondere omstandigheden van het bestuursorgaan mag worden gevergd niet over te gaan tot het opleggen van een last onder dwangsom, en dat zich dit kan voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat dan wel indien handhavend optreden zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.
9. De voorzieningenrechter is van oordeel dat geen sprake is van concreet zicht op legalisering. De door verzoeker ingediende aanvraag om omgevingsvergunning ten behoeve van bouwkundige en installatietechnische aanpassingen is niet meer door hem aangevuld en is door het college buiten behandeling gesteld.
Verzoeker heeft aangegeven dat hij in oktober 2015 de 65-jarige leeftijd bereikt en dan hij daarna wil stoppen met de exploitatie van de quiltwinkel en de lunchroom. Het op termijn beëindigen van de overtreding kan echter niet gelijk worden gesteld met het legaliseren daarvan.
De voorzieningenrechter ziet desalniettemin wel aanleiding om het bestreden besluit te schorsen. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Ter zitting hebben de medewerkers van de brandweer bevestigd dat mogelijk een acceptabele mate van brandveiligheid kan worden bereikt zonder brandcompartimentering. Voorts zou, gelet op het verhandelde ter zitting, de brandweer nog nader moeten onderzoeken of de door verzoeker omschreven brandmeldinstallatie in voldoende mate bijdraagt aan de brandveiligheid. Bovendien hebben de medewerkers van de brandweer ter zitting expliciet verklaard dat er thans geen acuut gevaar voor de bewoners bestaat. De voorzieningenrechter ziet in de hierboven geschetste omstandigheden aanleiding om het bestreden besluit te schorsen tot zes weken na de beslissing op het bezwaar. Het college zal bij die beslissing op bezwaar ook moeten bezien in hoeverre de formulering van de last voldoende duidelijk is.
10. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en schorst het bestreden besluit tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
11. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, dient het college aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht te vergoeden.
12. De voorzieningenrechter veroordeelt het college in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 974,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 487, en wegingsfactor 1).
Ook de door verzoeker gevraagde kosten van zijn adviseur, ten bedrage van € 491,50, komen voor vergoeding in aanmerking, omdat het advies heeft bijgedragen aan de toewijzing van het verzoek om voorlopige voorziening.