RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer / rekestnummer: 11302274 \ AZ VERZ 24-58
Beschikking van 9 januari 2025
[werknemer]
,
te [plaats 1] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [werknemer] ,
gemachtigde: mr. A.C. van Langen,
[naam] H.O.D.N. [werkgever],
te [plaats 2] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [werkgever] ,
procederend in persoon.
2 De feiten
2.1.
[werknemer] , geboren [geboortedag] 2001, is op 9 april 2024 in dienst getreden bij [werkgever] in de functie van algemeen medewerker schoonheidssalon. De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor bepaalde tijd tot 9 oktober 2024. Het salaris van [werknemer] bedroeg € 1.699,12 bruto exclusief vakantietoeslag per maand op basis van een werkweek van 24 uur.
2.2.
[werkgever] heeft [werknemer] op 23 juli 2024 aangegeven dat zij niet meer terug hoefde te komen omdat zij niet goed zou functioneren.
2.3.
De gemachtigde van [werknemer] heeft [werkgever] bij brief van 21 augustus 2024 verzocht om het onterecht gegeven ontslag op staande voet in te trekken en [werknemer] weer toe te laten tot haar werkzaamheden.
2.4.
[werkgever] heeft niet gereageerd.
4 De beoordeling
4.1.
[werkgever] is, hoewel zij daartoe meerdere malen in de gelegenheid is gesteld, niet in de procedure verschenen om verweer te voeren. De oproeping voor de mondelinge behandeling van 5 december 2024 is per gewone en per aangetekende post en per gewone en aangetekende e-mail verstuurd. Vervolgens is [werkgever] bij deurwaardersexploot opgeroepen om te verschijnen op de nieuwe zittingsdatum van 8 januari 2025. Het is de kantonrechter voldoende gebleken dat [werkgever] op de juiste manier bekend is gemaakt dat de behandeling van het verzoek zou plaatsvinden en dat zij mondeling of schriftelijk verweer kon voeren. Nu zij dat niet heeft gedaan, zal tegen [werkgever] verstek worden verleend.
4.2.
De verzoeken van [werknemer] zijn daarmee niet weersproken door [werkgever] . Dat betekent dat de verzoeken kunnen worden toegewezen, tenzij deze de kantonrechter ongegrond of onrechtmatig voorkomen. De verzoeken van [werknemer] worden grotendeels toegewezen. Dat zal hierna worden toegelicht.
Het ontslag op staande voet
4.3.
Dat [werkgever] [werknemer] op 23 juli 2024 heeft aangegeven dat zij niet meer terug hoefde te komen omdat zij niet goed zou functioneren, is niet weersproken. De kantonrechter kwalificeert deze mededeling van [werkgever] als een ontslag op staande voet. [werknemer] berust in het gegeven ontslag op staande voet. Dat betekent dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen is geëindigd met ingang van 23 juli 2024. De verzoeken die [werknemer] ter beoordeling aan de kantonrechter voorlegt, betreffen vooral de (financiële) aanspraken die [werknemer] al dan niet geldend kan maken als gevolg van het door [werkgever] gegeven ontslag op staande voet. Om die aanspraken te kunnen beoordelen, dient de vraag te worden beantwoord of [werkgever] op 23 juli 2023 rechtsgeldig tot ontslag op staande voet kon overgaan.
4.4.
Daar kan de kantonrechter kort over zijn. Het eventueel niet goed functioneren van [werknemer] is geen dringende reden voor ontslag. Als een werkgever vindt dat een werknemer het werk niet goed doet, is de aangewezen weg het aangaan van het gesprek en het volgen van een verbetertraject. Pas na het doorlopen van die stappen kan een ontslag in beeld komen. Nu er geen sprake is van een dringende reden, is het gegeven ontslag op staande voet alleen om die reden al niet rechtsgeldig.
4.5.
Het verzoek van [werknemer] tot toekenning van een billijke vergoeding wordt toegewezen, omdat hiervoor is geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. Daarbij wordt opgemerkt dat een ongeldig ontslag als ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever moet worden aangemerkt, omdat in dat geval de voor opzegging van een arbeidsovereenkomst geldende regels niet in acht zijn genomen.
4.6.
Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in de rechtspraak uitgangspunten geformuleerd. De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Ook met de gevolgen van het ontslag kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan ook worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen.
4.7.
De kantonrechter zal zoals verzocht door [werknemer] een billijke vergoeding toekennen van € 2.500,00. [werknemer] heeft toegelicht geen uitkering te hebben kunnen krijgen als gevolg van het onterecht gegeven ontslag op staande voet. Omdat zij nog geen andere baan heeft, zit zij sinds 23 juli 2024 zonder inkomsten. Dit heeft tot financiële problemen geleid. Zonder het ontslag zou haar arbeidsovereenkomst in ieder geval hebben geduurd tot 9 oktober 2024. In dat geval zou zij haar loon hebben behouden tot die datum. Die omstandigheden rechtvaardigen toekenning van de verzochte vergoeding.
4.8.
[werkgever] zal dus worden veroordeeld tot betaling van een billijke vergoeding van € 2.500,00. De gevorderde wettelijke rente over deze vergoeding wordt toegewezen, met dien verstande dat de wettelijke rente niet eerder verschuldigd is dan nadat [werkgever] met de betaling van de billijke vergoeding in verzuim verkeert. Dat is het geval als betaling niet binnen twee weken na de datum van deze beschikking plaatsvindt.
Gefixeerde schadevergoeding
4.9.
Ook de verzochte vergoeding wegens onregelmatige opzegging zal worden toegewezen, omdat is opgezegd tegen een eerdere dag dan die tussen partijen geldt. De vergoeding is gelijk aan het bedrag van het loon (inclusief vakantietoeslag) over de opzegtermijn (23 juli 2024 tot 1 september 2024), te weten € 2.511,31. De verzochte wettelijke rente over deze vergoeding wordt toegewezen. Op grond van de wet is de wettelijke rente over de gefixeerde schadevergoeding verschuldigd vanaf de datum van beëindiging van het dienstverband. Nu [werknemer] de wettelijke rente echter verzoekt vanaf de datum van indiening van het verzoekschrift, moet de kantonrechter die datum aanhouden.
4.10.
De verzochte wettelijke verhoging over de gefixeerde schadevergoeding wordt afgewezen. De wettelijke verhoging is alleen verschuldigd over loon. Gefixeerde schadevergoeding is geen loon. Dat de hoogte van de gefixeerde schadevergoeding wordt bepaald aan de hand van de hoogte van het loon maakt dat niet anders.
4.11.
[werknemer] heeft in het verzoekschrift een berekening en toelichting gegeven van het totaalbedrag aan schadevergoeding dat zij vraagt. Uit deze berekening en toelichting blijkt dat zij van mening is dat zij over de maand juli 2024 te weinig salaris heeft ontvangen. Zij geeft aan in deze maand een bedrag van € 1.072,95 in plaats van € 1.699,12 bruto te hebben ontvangen. Uit de in het geding gebrachte loonstrook over juli 2024 blijkt dat 18 loondagen zijn uitbetaald.
4.12.
[werknemer] zou recht hebben op betaling van het loon van € 1.699,12 bruto indien zij de hele maand juli 2024 in dienst zou zijn gebleven. Door de berusting in het gegeven ontslag is de arbeidsovereenkomst echter geëindigd met ingang van 23 juli 2024. Uit de loonstrook blijkt dat [werknemer] het loon tot die einddatum heeft ontvangen. Uit de stukken blijkt niet dat er een loonvordering over juli 2024 bestaat.
4.13.
Het verzoek om [werkgever] te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding wordt toegewezen. [werkgever] heeft de arbeidsovereenkomst met [werknemer] opgezegd. Er is niet gebleken dat de reden voor opzegging gelegen is in ernstig verwijtbaar handelen van [werknemer] . Dat betekent dat de transitievergoeding verschuldigd is. [werkgever] wordt veroordeeld tot betaling van die vergoeding, die onweersproken € 254,90 bruto bedraagt. De verzochte wettelijke rente over de transitievergoeding wordt toegewezen. Volgens de wet is de wettelijke rente over de transitievergoeding verschuldigd vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 24 augustus 2024. Nu [werknemer] de wettelijke rente verzoekt vanaf de datum van indiening van het verzoekschrift, moet de kantonrechter echter die datum aanhouden.
4.14.
De verzochte verklaring voor recht wordt afgewezen. Zoals op de zitting is besproken, kan de kantonrechter alleen beoordelen of het gegeven ontslag op staande voet rechtsgeldig was. Wat zich verder tussen partijen heeft afgespeeld, kan de kantonrechter niet beoordelen. Voortzetting van de arbeidsovereenkomst is niet aan de orde gelet op het gegeven ontslag op staande voet, zodat niet voor recht kan worden verklaard dat van [werknemer] in redelijkheid niet kon worden gevergd om het dienstverband voort te zetten. Dat duidt op een opzegging van haar kant, waar geen sprake van is.
Specificatie eindafrekening
4.15.
Op de zitting heeft [werknemer] toegelicht dat het verzoek onder III ziet op het verstrekken aan haar van een specificatie van de eindafrekening. Dit verzoek wordt toegewezen. Ook verbindt de kantonrechter een dwangsom aan deze veroordeling. Deze wordt bepaald op € 500,00 per dag zoals verzocht, maar met een maximum van € 5.000,00.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.16.
De verzochte buitengerechtelijke incassokosten worden als onweersproken toegewezen. De wettelijke rente wordt toegewezen vanaf de datum van indiening van het verzoekschrift, zijnde 10 september 2024.
4.17.
De proceskosten komen voor rekening van [werkgever] , omdat zij ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [werknemer] worden begroot op € 765,00 (€ 87,00 aan griffierecht, € 543,00 aan salaris gemachtigde en € 135,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
5 De beslissing
5.1.
veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] een billijke vergoeding te betalen van € 2.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking tot aan de dag van de gehele betaling,
5.2.
veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] de vergoeding wegens onregelmatige opzegging te betalen van € 2.511,31, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 10 september 2024 tot aan de dag van de gehele betaling,
5.3.
veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] een transitievergoeding te betalen van € 254,90, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 10 september 2024 tot aan de dag van de gehele betaling,
5.4.
veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] te betalen een bedrag van € 484,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 10 september 2024 tot de dag van volledige betaling,
5.5.
bepaalt dat alle bedragen zoals genoemd onder 5.1 tot en met 5.4 binnen 14 dagen na betekening van de beschikking betaald moeten zijn,
5.6.
veroordeelt [werkgever] om binnen één maand na betekening van deze beschikking aan [werknemer] een specificatie van een eindafrekening te verstrekken, met daarin ten minste opgenomen de nog verschuldigde vakantietoeslag, achterstallig loon en niet genoten vakantiedagen, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag dat [werkgever] in gebreke blijft om aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van
€ 5.000,00,
5.7.
veroordeelt [werkgever] in de proceskosten van € 765,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [werkgever] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
5.8.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,
5.9.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Zander en in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2025.