Uitspraken

Een deel van alle rechterlijke uitspraken wordt gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit gebeurt gepseudonimiseerd.

Deze uitspraak is gepseudonimiseerd volgens de pseudonimiseringsrichtlijn

ECLI:NL:RBZWB:2025:504

Rechtbank Zeeland-West-Brabant
31-01-2025
31-01-2025
02-028738-22
Strafrecht
Op tegenspraak

Bankhelpdeskfraude, computervredebreuk, WhatsAppfraude (vriend-in-nood), diefstal door middel van valse sleutel, vrijspraak criminele organisatie, (medeplegen van) witwassen, bezit verdovende middelen, vrijspraak deelname criminele organisatie, vrijspraak oplichting money mules, gevangenisstraf, geen schadevergoedingsmaatregel bank.

Rechtspraak.nl
NJFS 2025/80

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02-028738-22

vonnis van de meervoudige kamer van 31 januari 2025

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 2001 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonadres] ,

raadsman mr. R.A.L.F. Frijns, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 12 november 2024 en 13 november 2024, waarbij de officier van justitie, mr. C. de Pagter en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Ter zitting zijn ook de vorderingen van de benadeelde partijen behandeld. Het onderzoek ter terechtzitting is gesloten op 31 januari 2025.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering en als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte (samen met anderen):

feit 1: heeft deelgenomen aan een criminele organisatie;
feit 2: personen heeft opgelicht door middel van bankhelpdeskfraude;
feit 3: personen heeft opgelicht waardoor zij hun bankgegevens hebben afgegeven, dan wel bankgegevens voorhanden heeft gehad om een misdrijf mee te plegen;
feit 4: computervredebreuk heeft gepleegd op de servers van de [bank 1] en de [bank 2] bank;
feit 5: personen heeft opgelicht door middel van WhatsApp / vriend in nood fraude;
feit 6: geldbedragen heeft gestolen met door de oplichting verkregen bankpassen;
feit 7: meerdere geldbedragen heeft witgewassen;
feit 8: soft- en harddrugs in zijn bezit heeft gehad.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht op grond van het dossier alle feiten wettig en overtuigend bewezen en baseert zich daarbij kort gezegd, op de aangiftes, de telefoon-, internetgegevens van verdachte en de medeverdachten en de bankgegevens van de slachtoffers.

De officier van justitie acht de oplichting van de bankpasgevers [benadeelde 1] (zaaksdossier 2) [benadeelde 2] (zaaksdossier 3A) en [benadeelde 3] (zaaksdossier 4A), [benadeelde 4] (zaak 6) en [benadeelde 5] (zaaksdossier 8) niet wettig en overtuigend bewezen nu alle aangevers zelf contact hebben opgenomen naar aanleiding van een advertentie op Snapchat die te mooi bleek om waar te zijn. Zij waren op zoek naar snel geld en hadden beter moeten weten. Ze hebben zich te makkelijk over laten halen om hun bankpas en inloggegevens af te staan, waardoor partiele vrijspraak dient te volgen ten aanzien van de oplichting van voornoemde personen. Ook verzoekt de officier van justitie verdachte partieel vrij te spreken van de oplichting van bankpasgever [benadeelde 6] (zaaksdossier 3C), nu niet zij, maar haar broer (bankpasgever zaak 3B) is bewogen tot afgifte van de bankpas van aangeefster. In voornoemde zaken acht de officier van justitie wel het subsidiair ten laste gelegde medeplegen van het voorhanden hebben van de bankpas, pincode, inloggegevens en wachtwoord van de bankomgevingen van voornoemde personen wettig en overtuigend bewezen. Daarnaast verzoekt de officier van justitie verdachte ten aanzien van feit 4 partieel vrij te spreken voor het medeplegen van de computervredebreuk van [benadeelde 14] (zaaksdossier 3A), nu op basis van het dossier niet blijkt van wettig en overtuigend bewijs, alsmede in de zaak van [benadeelde 5] (zaaksdossier 8) nu op basis van het dossier niet blijkt dat sprake is geweest van wederrechtelijkheid.

4.2

Het standpunt van de verdediging

Feit 1

De verdediging refereert zich voor wat betreft de bewezenverklaring van dit feit aan het oordeel van de rechtbank.

Feit 2

De verdediging refereert zich voor wat betreft de bewezenverklaring ten aanzien van aangeefster [benadeelde 7] (zaaksdossier 8) aan het oordeel van de rechtbank. Voor de overige zaken/zaaksdossiers blijkt geen actieve betrokkenheid van verdachte bij de oplichtingen, zodat daar vrijspraak voor moet volgen.

Feit 3 en 4

De verdediging verzoekt verdachte vrij te spreken van de ten laste gelegde oplichtingen van de bankpasgevers. Zij hebben zich laten leiden door hebzucht en niet door het oplichtings-middel, zodat van oplichting geen sprake is. Voor zover de rechtbank van oordeel is dat de aangevers wel bewogen zijn door een oplichtingsmiddel, dan hebben zij bij hun handelen niet de in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid betracht zodat verdachte ook om die reden vrijgesproken dient te worden van dit feit. De verdediging refereert zich voor wat de betreft de bewezenverklaring van het subsidiair gelegde medeplegen van het voorhanden hebben van de bankpas en inloggegevens van voornoemde personen aan het oordeel van de rechtbank.

In het geval van de computervredebreuk van aangever [benadeelde 8] (zaaksdossier 4A) refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank. Nu de overige personen zonder kritische vragen te stellen hun bankpas en daarbij hun pincode of inloggegevens hebben afgegeven aan de verdachten, kan van wederrechtelijke inbreuk in een geautomatiseerd werk geen sprake zijn, wat betekent dat vrijspraak dient te volgen voor het ten laste gelegde medeplegen van computervredebreuk.

Feit 5

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen voor het medeplegen van de oplichting waar het gaat om aangeefster [benadeelde 9] (zaak 3B) nu op basis van het dossier op geen enkele manier de betrokkenheid van verdachte is vast te stellen bij dit feit. Ten aanzien van de bewezenverklaring van de aangevers [benadeelde 10] en [benadeelde 11] refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.

Feit 6

De verdediging refereert zich voor wat betreft de bewezenverklaring van dit feit aan het oordeel van de rechtbank.

Feit 7

De verdediging refereert zich voor wat betreft de bewezenverklaring van het witwassen van de bedragen waar het ziet op [benadeelde 11] (€ 3.650,-) en [benadeelde 10] (€ 980,-) aan het oordeel van de rechtbank. De verdediging heeft ten aanzien van de overige bedragen reeds tot vrijspraak geconcludeerd, inhoudende dat deze bedragen in haar optiek niet van enig misdrijf afkomstig zijn. Verdachte dient hiervan partieel te worden vrijgesproken.

Feit 8

De verdediging refereert zich voor wat betreft de bewezenverklaring van dit feit aan het oordeel van de rechtbank.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

4.3.2

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Feit 1 Deelname aan criminele organisatie

De rechtbank stelt voorop dat van deelneming aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) slechts dan sprake kan zijn, indien de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk. Het samenwerkingsverband dient te bestaan uit twee of meer personen met een zekere duurzaamheid en structuur. Niet is vereist dat deelnemers met alle personen in de organisatie samenwerken of alle personen in de organisatie kennen.

Aan de hand van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt de rechtbank vast dat verdachte en/of de medeverdachten in de periode 15 mei 2020 tot en met 30 januari 2021 zich een aantal malen hebben beziggehouden met het plegen van verschillende strafbare feiten, te weten oplichting, computervredebreuk, diefstal door middel van een valse sleutel en witwassen. Uit de bewijsmiddelen blijkt weliswaar dat de verdachten op bepaalde momenten in wisselende verbanden met elkaar hebben samengewerkt, maar de bewijsmiddelen leveren - ook in onderling (tijds)verband en samenhang bezien - onvoldoende wettig en overtuigend bewijs op dat er tussen de verdachten een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur als hiervoor bedoeld heeft bestaan. Het dossier bevat daarvoor onvoldoende informatie. Zo komt niet naar voren dat onderling gezamenlijke regels golden dan wel dat afspraken waren gemaakt over de onderlinge verdeling van werkzaamheden of activiteiten van deelnemers met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie. Ook ontbreken voldoende aanwijzingen voor een gezamenlijke besluitvorming. Voorts kent de rechtbank veel gewicht toe aan het feit dat uit het dossier blijkt dat de verdachten zich (ook) los van elkaar bezig hielden met soortgelijke criminele activiteiten. Daarbij komt dat uit het dossier onvoldoende is gebleken van een aanwijsbare leider die opdrachten of aansturing geeft aan de andere deelnemers binnen het samenwerkingsverband. De vraag van [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 2] om een Snapchat-account aan te maken, is daarvoor onvoldoende. Dat de verdachte als medepleger betrokken is geweest bij de tenlastegelegde feiten, maakt nog niet dat hij daardoor deel uitmaakt van een criminele organisatie.

Het voorgaande betekent dat niet is bewezen dat verdachte heeft deelgenomen aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr en dat derhalve niet wettig en overtuigend kan worden bewezen hetgeen aan verdachte onder 1 is ten laste gelegd, zodat verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.

Feiten 2 tot en met 6

Medeplegen

Op basis van het dossier stelt de rechtbank vast dat verdachte en de medeverdachten de ten laste gelegde feiten in sommige gevallen alleen hebben gepleegd, maar soms ook echt gezamenlijk hebben opgetrokken. De rechtbank zal per feit beoordelen of er sprake is van medeplegen.

Feit 3 Oplichting money mules

De verdachte wordt ten laste gelegd dat hij zich - kort gezegd - in de periode van 1 mei 2020 tot en met 30 januari 2021 tezamen en vereniging met (een) ander(en) schuldig heeft gemaakt aan het oplichten van [benadeelde 1] (zaak 2), [benadeelde 2] (zaak 3A), [benadeelde 12] (zaak 3B), [benadeelde 6] (zaak 3C), [benadeelde 3] (zaak 4A), [benadeelde 4] (zaak 6) en [benadeelde 5] (zaak 8).

[benadeelde 6]

Uit het dossier komt naar voren dat [benadeelde 6] uiteindelijk door haar broer [benadeelde 12] is bewogen om haar bankpas, pincode en inloggegevens voor haar internetbankieromgeving af te staan. Hier heeft verdachte geen direct aandeel in gehad, wat betekent dat hij hiervoor (partieel) zal worden vrijgesproken.

[benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 12] , [benadeelde 3] , [benadeelde 4] en [benadeelde 5]

Deze aangevers kwamen via promofilmpjes van influencers op Snapchat in contact met accounts zoals [gebruikersnaam 1] en [gebruikersnaam 2] . Via een zogeheten pitch werden de personen overtuigd om hun bankpas en inloggegevens af te staan, waarna zij, volgens de pitch, duizenden euro’s per maand konden verdienden door sponsorgelden op hun rekening te laten storten. Het geld dat hen in het vooruitzicht was gesteld, hebben de aangevers niet ontvangen. Evenmin hebben zij hun bankpas teruggekregen.

De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of aan verdachte een verwijt kan worden gemaakt in de zin van artikel 326 Sr in relatie tot de aangevers.

Het beoordelingskader

De rechtbank stelt voorop dat voor een veroordeling ter zake van oplichting is vereist dat de verdachte bij een ander door een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen een onjuiste voorstelling in het leven heeft willen roepen teneinde daarvan misbruik te maken. Daartoe moet de verdachte een of meer van de in artikel 326 lid 1 Sr bedoelde oplichtingsmiddelen hebben gebruikt, door welk gebruik die ander is bewogen tot de afgifte van een goed, het verlenen van een dienst, het beschikbaar stellen van gegevens, het aangaan van een schuld of het tenietdoen van een inschuld.

Het antwoord op de vraag of in een concreet geval het slachtoffer door een oplichtingsmiddel dat door de verdachte is gebruikt, is bewogen tot een van voornoemde handelingen, is volgens vaste jurisprudentie in sterke mate afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In algemene zin kunnen tot die omstandigheden behoren enerzijds de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid het beoogde slachtoffer aanleiding had moeten geven die onjuiste voorstelling van zaken te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen, en anderzijds de persoonlijkheid van het slachtoffer, waarbij onder meer de leeftijd en de verstandelijke vermogens van het slachtoffer een rol kunnen spelen. Oplichting in de zin van artikel 326 lid 1 Sr is echter niet aan de orde wanneer het slachtoffer - gelet op de alle omstandigheden van het geval, waaronder de eigen gedragingen en kennis van zaken - de in een bepaalde gedraging van de verdachte besloten onjuiste voorstelling van zaken had moeten doorzien. In verband hiermee verwijst de rechtbank naar het arrest van de Hoge Raad van 30 juni 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1814), gewezen in een zaak die qua modus operandi en maatschappelijke context overeenkomt met de onderhavige casuïstiek.

Het oplichtingsmiddel: samenweefsel van verdichtsels

Bij het gebruik van een samenweefsel van verdichtsels gaat het in de kern om gesproken en/of geschreven uitingen die bij de ander een op meer dan een enkele leugenachtige mededeling gebaseerde onjuiste voorstelling van zaken in het leven kunnen roepen. Gelet op de resultaten van het onderzoek “Michigan” staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat sprake is geweest van een dergelijk samenweefsel van verdichtsels. Dit bestond onder meer uit de mededelingen dat snel en veel geld verdiend kon worden door afgifte van de bankpas, pincode en inloggegevens van de internetbankieromgeving van de aangevers. Hiermee zouden de aangevers duizenden euro’s per maand kunnen “verdienen” na ontvangst van sponsorgelden. Er werd daarbij de schijn opgehouden dat het voor legale werkzaamheden was. Er werden advertenties geplaatst, er werden voorbereide pitches gebruikt om twijfelende mensen over te halen en er werden verschillende influencers ingeschakeld om de geloofwaardigheid van het verhaal kracht bij te zetten en het bereik van de advertenties te vergroten.

Voor bewezenverklaring van oplichting in de zin van artikel 326 lid 1 Sr is onder meer vereist dat iemand door het oplichtingsmiddel (hier: het samenweefsel van verdichtsels) is bewogen tot, in deze zaak, het ter beschikking stellen van de bankpas met pincode en de inloggegevens van de internetbankieromgeving.

De in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid

Als iets te mooi is om waar te zijn, dan is het dat meestal ook. De rechtbank is van oordeel dat de aangevers de voorstelling van zaken te gemakkelijk voor lief hebben genomen en, om hun moverende redenen, niet of onvoldoende verder hebben doorgevraagd.

De aangevers zijn via Snapchat door een anoniem account benaderd of hebben daar gereageerd op een advertentie, en kregen de belofte voorgeschoteld dat er snel en (vergeleken met in het maatschappelijk verkeer) ongebruikelijk veel geld verdiend kon worden. Daarbij is hen gevraagd hun bankpas, pincode en inloggegevens van internetbankieren af te staan aan een volstrekt onbekend iemand, terwijl het een feit van algemene bekendheid is dat daar uiterst zorgvuldig en vertrouwelijk mee om moet worden gegaan in verband met de fraudegevoeligheid van het verstrekken van dergelijke gegevens. Naar het oordeel van de rechtbank hadden die feiten en omstandigheden minstens alarmbellen moeten laten afgaan en had men er in die situatie van uit moeten gaan dat de hele gang van zaken geen zuivere koffie was.

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de aangevers door het samenweefsel van verdichtsels weliswaar zijn bewogen tot afgifte van hun bankpas, pincode en inloggegevens van hun internetbankieromgeving, maar dat van oplichting geen sprake kan zijn, nu de aangevers de hen geschetste onjuiste voorstelling van zaken hadden moeten doorzien. De rechtbank acht daarom niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde oplichtingen, zodat verdachte daarvan zal worden vrijgesproken. De rechtbank zal hierna per zaakdossier beoordelen of er sprake is van voldoende wettig en overtuigend bewijs voor het subsidiair ten laste gelegde medeplegen van het voorhanden hebben van de bankpas, de pincode en de inloggegevens voor de internetbankieromgeving van voornoemde personen, met de bedoeling om daar strafbare feiten mee te plegen.

Feit 2 (bankhelpdeskfraude), feit 3 subsidiair (voorhanden hebben gegevens bankpasgevers), feit 4 (computervredebreuk), feit 5 (WhatsApp-/vriend in nood fraude) en feit 6 (diefstal door middel van valste sleutel)

Modus operandi bankhelpdeskfraude

Vanaf het tweede kwartaal 2020 tot begin 2021 is bij de politie een aantal keer aangifte gedaan van soortgelijke gevallen van oplichting, computervredebreuk en diefstal. In de verschillende aangiftes komt naar voren dat de daders een min of meer vaste werkwijze hanteerden om de slachtoffers hun bankpas en pincode afhandig te maken en daarmee vervolgens geld op te nemen en/of aankopen te doen: de slachtoffers werden gebeld door iemand die zich voordeed als een medewerker van een bank met een verhaal over een verdachte transactie of een ander probleem met de bankrekening van het slachtoffer. In meerdere gevallen werden de slachtoffers overtuigd om geldbedragen over te schrijven van hun spaarrekeningen naar lopende rekeningen en die bedragen werden overgeboekt naar wat door de bankmedewerker een “kluisrekening” of “depositorekening” werd genoemd. Deze rekening was in feite een rekening van een money mule, die via een promotiefilmpje van een influencer op Snapchat in contact was gekomen met Snapchatsaccounts als “ [gebruikersnaam 3] ”, “ [gebruikersnaam 2] ” en/of “ [gebruikersnaam 1] ”. [medeverdachte 1] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij verantwoordelijk was voor voornoemde accounts. In het promofilmpje van de influencer werd gevraagd wie zijn bankrekening ter beschikking wilde stellen tegen een riante vergoeding. Diegene die zijn bankrekening ter beschikking wilde stellen, kwam in gesprek met voornoemde accounts en kreeg vervolgens een pitch te zien, waarbij duidelijk werd gemaakt dat hij of zij 25 tot 40% zou krijgen van het bedrag wat overgemaakt zou worden naar zijn of haar rekening. Vaak kregen zij helemaal niets en verloren zij ook hun eigen spaargeld. Na fysieke overhandiging van de bankpas (met pincode en inloggegevens) kwam deze in handen van de dadergroep. De loopjongens/ pinners begaven zich na een seintje van een ander groepslid direct naar een pinautomaat om het geld contant op te nemen. Tegen de tijd dat de slachtoffers erachter kwamen dat er iets niet in orde was, was het leed al geschied.

Medeplegen oplichtingen?

Het behoeft naar het oordeel van de rechtbank geen betoog dat de in de tenlastelegging genoemde aangevers door een combinatie van in de wet genoemde oplichtingsmiddelen zijn bewogen tot het beschikbaar stellen van hun gegevens, die vervolgens zijn gebruikt om toegang te krijgen tot de geldbedragen op hun bankrekeningen. Het behoeft evenmin betoog dat is gehandeld met het oogmerk om zichzelf of een ander wederrechtelijk te bevoordelen.

Er is geen bewijs dat verdachte de oplichtingshandelingen bij de aangevers zelf heeft verricht: niet kan worden vastgesteld dat hij degene was die de aangevers belde. De vraag die de rechtbank heeft te beantwoorden is of verdachte niettemin, als medepleger, bij deze oplichtingen betrokken was.

Bij deze vorm van oplichting gaat de rechtbank ervan uit dat er een zekere vorm van organisatie noodzakelijk is waarbij verschillende mensen betrokken zijn en eenieder een bepaalde rol vervult. De in het kader van deze oplichting te verrichten handelingen duiden op een gezamenlijk en vooropgezet plan. Het bellen en op andere wijze communiceren met de slachtoffers, en het ophalen van bankpassen, zijn handelingen die planning en afstemming vereisen. Dat geldt ook voor het kunnen beschikken over bankrekeningen en bankpassen van money mules en het klaar hebben staan van mensen die met die bankpassen geldbedragen gaan opnemen. Vanaf het moment dat er contact wordt gelegd met de slachtoffers, is snelheid geboden. De daaropvolgende handelingen, te weten het toegang krijgen tot de bankrekeningen, het overboeken van geldbedragen van hun rekening naar de bankrekeningen van money mules en het met de bankpassen opnemen van de overgeboekte geldbedragen (en/of zorgen dat anderen dat doen), moeten immers worden verricht voordat de frauduleuze overboekingen worden ontdekt en de betreffende geldbedragen kunnen worden teruggestort en/of de betreffende bankrekeningen kunnen worden geblokkeerd. Ook het wegsluizen van het geld, onder andere door middel van computervredebreuk, is daarmee een onlosmakelijke schakel in het geheel, waarvoor een nauwe en bewuste samenwerking is vereist.

Van het betalen en aanvragen van promofilmpjes door influencers tot degene die uiteindelijk het geld pint, al deze handelingen kunnen niet los van elkaar worden gezien. Uit de foto’s, video’s en de aangetroffen (screenshots van) appberichten blijkt dat deze planning, samenwerking en afstemming ook daadwerkelijk plaatsvonden. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat, wanneer er in een zaaksdossier betrokkenheid van verdachte kan worden vastgesteld bij één of meerdere van de onlosmakelijke schakels in het geheel, ervan wordt uitgegaan dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen diverse personen die in de kern bestond uit een gezamenlijke uitvoering, waaraan verdachte een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd.

Betrokkenheid verdachten

Op basis van de bewijsmiddelen uit het dossier stelt de rechtbank het volgende vast:

Zaak 2 [benadeelde 13] (bankhelpdeskfraude) en [benadeelde 10] (WhatsApp-fraude)

Aangeefster [benadeelde 13] is slachtoffer van bankhelpdeskfraude geworden, gepleegd conform de hiervoor beschreven modus operandi. Zij is op 1 mei 2021 omstreeks 18:00 uur gebeld door een nepbankmedewerkster die zich voorstelde als [naam 1] van de [bank 1] . [naam 1] vertelde dat iemand aan het inbreken was op de bankrekening van [benadeelde 13] en dat de bank het had weten tegen te houden. Om te voorkomen dat het nog een keer zou gaan gebeuren, moesten er forse bedragen van de bankrekening worden overgeboekt naar een andere bankrekening. In totaal heeft [benadeelde 13] een totaalbedrag van € 19.000,- overgemaakt vanaf haar bankrekening. Van dit bedrag is 3 x € 3.300 is overgemaakt naar [rekeningnummer 1] op naam van [benadeelde 1] .

Op 1 mei 2020 wordt [benadeelde 10] voor een totaalbedrag van € 2.534,95 opgelicht. Hij ontvangt een bericht op WhatsApp van een onbekend nummer, wat zogenaamd het nieuwe nummer van zijn dochter zou zijn. De oplichter, die zich uitgaf voor de dochter van [benadeelde 10] , verzoekt hem drie geldbedragen over te maken op [rekeningnummer 1] op naam van [benadeelde 1] . Het eerste bedrag van € 985,- wordt overgemaakt door [benadeelde 10] . De overige twee bedragen worden tegengehouden door de bank om verdere schade te voorkomen. 3 minuten na deze overschrijving wordt er € 980,- opgenomen bij een geldautomaat te Rotterdam.

Op 8 mei 2020 heeft aangever [benadeelde 1] aangifte gedaan van fraude dan wel oplichting. Hij verklaarde onder andere dat hij op 1 mei 2020 zijn bankpas en pincode had afgegeven aan een persoon omdat hij daarmee geld wilde verdienen. Hij had 'de pitch' ontvangen van het Snapchataccount [gebruikersnaam 4] . De onder [verdachte] in beslag genomen telefoon stond ingelogd op een Instagramaccount met diezelfde naam. [benadeelde 1] heeft een uitdraai van zijn bankgegevens van 1 mei 2020 overhandigd aan de politie. Hieruit blijkt dat er op 1 mei 2020 verschillende geldbedragen vanaf meerdere bankrekeningen op zijn rekening zijn gestort, waaronder € 9.900,- (3 X € 3.300,-) van [benadeelde 13] .

Op dit rekeningoverzicht is ook te zien dat er kort na de eerste storting van € 3.300,- er in totaal € 3.300,- bij een geldautomaat in Rotterdam contant werd opgenomen.

In de telefoon van [verdachte] , de rode iPhone XR, werd een aantal afbeeldingen aangetroffen in verband met voornoemde aangiften. Zo zijn er op 1 mei 2020 meerdere fotobestanden aangemaakt waarop de bankpas van [benadeelde 1] , de [bank 1] -omgeving van [benadeelde 1] en een WhatsAppgesprek met (het telefoonnummer van) [benadeelde 1] te zien zijn. Ook is een videobestand aangetroffen, aangemaakt op 1 mei 2020 (20.13 uur), waarop de [bank 1] -bankomgeving van [benadeelde 1] is te zien waarbij er achtereenvolgens € 2.000,- en € 1.300,- is gepind bij een pinautomaat van de [bank 2] te Rotterdam. Diezelfde dag om 19:01:43 uur en om 19:02:37 uur zijn op de telefoon videobestanden aangemaakt waarop de pintransacties (bij [automaatnummer] ) zichtbaar zijn. Dit automaatnummer correspondeert met die van de pintransacties van de rekening van [benadeelde 1] .

Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich ten aanzien van [benadeelde 1] schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het verkrijgen/voorhanden hebben van de bankpas, pincode en inloggegevens van de bankomgeving, bestemd tot het plegen van een misdrijf, en aan het medeplegen van computervredebreuk door in te loggen op de bankomgeving van [benadeelde 1] (feit 3 subsidiair en feit 4). De rechtbank acht ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van oplichting ten aanzien van [benadeelde 13] (feit 2) en [benadeelde 10] (feit 5).

Zaak 3A [benadeelde 2] (diefstal door middel van valse sleutel)

Uit de bewijsmiddelen volgt dat [benadeelde 2] filmpjes zag op een account op Snapchat waarbij er makkelijk geld kon worden verdiend. Zij nam contact op met de gebruiker “ [gebruikersnaam 2] ” en kreeg vervolgens de pitch te horen. Ze zou met het afgeven van haar bankpas en pincode 2000 tot 3000 euro kunnen verdienen. Zij heeft vervolgens op 11 mei 2020 haar pas, pincode en inloggegevens voor internetbankieren afgegeven aan een jongen die aangaf dat hij was gestuurd door [gebruikersnaam 2] . Zij kreeg vervolgens een bericht van [gebruikersnaam 2] dat zij een aantal dagen geen gebruik kon maken van haar internetbankieren. [benadeelde 2] kreeg op 12 mei 2020 het bericht dat er € 777,- is overgeboekt van haar spaarrekening naar haar betaalrekening. Ook kreeg ze een melding dat de pinlimiet van haar betaalrekening was verhoogd en diezelfde middag is er rond 18:51 uur bij een pinautomaat aan het Stadhuis-plein 6 te Rotterdam € 770,- euro van haar rekening opgenomen. Toen zij vervolgens haar bankpas terugvroeg, zou ze die alleen maar terugkrijgen als ze een rekening zou openen bij de [bank 2] , hetgeen [benadeelde 2] heeft geweigerd.

Uit de aangifte van de [bank 1] met betrekking tot [benadeelde 2] blijkt dat er is gepoogd om een bedrag van € 10.700,- over te boeken van Onderneming [benadeelde 14] . Nu er verder geen onderzoek is verricht naar deze transactie zal de rechtbank verdachte partieel vrijspreken van de onder feit 4 ten laste gelegde computervredebreuk ten aanzien van [benadeelde 14] .

Uit de bewijsmiddelen blijkt verder het volgende. Op 11 mei 2020 zijn twee nieuwe toestellen gekoppeld aan de internetbankieromgeving van [benadeelde 2] . Deze toestellen werden gekoppeld vanaf het IP-adres van de toenmalige woning van [medeverdachte 1] , die bij de rechter-commissaris ook heeft verklaard dat hij verantwoordelijk was voor de oplichting vanaf het Snapchataccount “ [gebruikersnaam 2] ”. Op 11 mei 2020 om 19:41 werd geprobeerd de paslimiet van de betaalrekening van [benadeelde 2] te verhogen naar € 10.000,-. Dit verzoek werd echter afgewezen, omdat er reeds een aanvraag voor het verhogen van de pinlimiet was goedgekeurd vanaf een device wat was gekoppeld vanaf de woning van [medeverdachte 2] . Vanaf dat IP-adres is op 11 mei 2020 en 12 mei 2020 meermalen ingelogd op de [bank 1] App op naam van [benadeelde 2] . Op de iPhone 11 die onder [medeverdachte 2] in beslag is genomen zijn ook een aantal foto’s aangetroffen waarop te zien is dat er was ingelogd in de [bank 1] App op naam van [benadeelde 2] . Deze foto’s zijn aangemaakt 18 seconden na het inloggen in de bankomgeving van [benadeelde 2] op 12 mei 2020. De pintransacties zijn verricht bij een pinautomaat, gelegen op ca. 750 meter van de woning van [medeverdachte 2] .

Vanaf 13 mei 2020 wordt er ingelogd met een IP adres wat toebehoort aan het [hotel] in Rotterdam, waar verdachten [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 3] op dat moment samen verbleven.

In de iPhone XR van [verdachte] zijn meerdere video’s en foto’s gemaakt waaruit blijkt dat zij ook daadwerkelijk samen waren op dat moment en dat er laptops en bankpassen op het bed lagen. Ook is er met de iPhone XR van [verdachte] een foto gemaakt waarbij [medeverdachte 3] een grote stapel bankbiljetten aan zijn oor houdt. Op 13 mei 2020 stuurt [medeverdachte 3] meerdere berichten dat hij in een hotel aan het werk is samen met verdachten [medeverdachte 1] en [verdachte] . Op basis hiervan heeft de rechtbank de overtuiging dat verdachten [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 3] niet alleen maar samen aan het chillen waren, maar ook betrokken waren bij de oplichtingen zoals ten laste gelegd.

Gelet op de voornoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het verkrijgen/ voorhanden hebben van de bankgegevens, bestemd tot het plegen van een misdrijf, en het medeplegen van de diefstal door middel van een valse sleutel ten aanzien van [benadeelde 2] (feit 3 subsidiair en feit 6).

Zaak 3B [benadeelde 9] (WhatsApp-fraude)

Op 14 mei 2020 is mevrouw [benadeelde 9] benaderd door een persoon die zich uitgaf als haar dochter. Zij zou een nieuw telefoonnummer hebben en in geldnood zitten. Zij werd door de oplichter overgehaald om € 3.500,- over te maken naar [rekeningnummer 2] ten name van money mule [benadeelde 15] . Hij was op 12 mei 2020 in contact gekomen met “ [gebruikersnaam 3] ” die hem had toegezegd dat hij een beloning zou krijgen als hij via sponsoren geld op zijn rekening zou laten storten. Nadat [benadeelde 6] hiermee heeft ingestemd, is diezelfde avond zijn bankpas van rekening [rekeningnummer 2] opgehaald in zijn woonplaats [plaats 1] . Zijn pincode en inloggegevens heeft hij doorgegeven via Snapchat aan [gebruikersnaam 3] . Op 14 mei 2020 zag hij rond 16.30 uur een bedrag van € 3.500,-, afkomstig van [benadeelde 9] binnenkomen op zijn rekening. Deze overboeking is uiteindelijk tegengehouden door de [bank 1] omdat dit werd gemarkeerd als vermoedelijk frauduleus.

[medeverdachte 1] heeft aangegeven dat hij verantwoordelijk was voor de fraude met voornoemd Snapchataccount. Verder is gebleken dat verdachten [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 3] ten tijde van het verkrijgen van de bankpas van [benadeelde 6] , namelijk op 12 en 13 mei 2020 samen verbleven in het [hotel] in Rotterdam. Zoals hiervoor overwogen heeft de rechtbank de overtuiging dat [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 3] niet alleen maar samen aan het chillen waren, maar ook betrokken waren bij de oplichtingen zoals ten laste gelegd.

In de telefoon van [medeverdachte 2] is het telefoonnummer van [belanghebbende] opgeslagen met de afbeelding van een leeuw, gelijkend op die van de [bank 1] en zijn ook WhatsAppgesprekken aangetroffen die zien op vriend in noodfraude. Verder blijkt uit de bewijsmiddelen dat op 14 en 15 mei 2020 15 keer is ingelogd in de bankomgeving van [benadeelde 12] met het IP-adres van de woning van [medeverdachte 2] . Het eerste inlogmoment is vier minuten nadat aangeefster [benadeelde 9] het geld had overgemaakt op de rekening van [benadeelde 12] .

Gelet op de voornoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het verkrijgen/ voorhanden hebben van de bankgegevens, bestemd tot het plegen van een misdrijf, en het medeplegen van de computervredebreuk (feit 3 subsidiair en feit 4) door in te loggen op de bankomgeving van [benadeelde 16] , alsmede het medeplegen van oplichting ten aanzien van [benadeelde 9] (feit 5).

Zaak 3C [benadeelde 17] (bankhelpdeskfraude)

Uit de aangifte van [benadeelde 17] blijkt dat zij op 15 mei 2020 slachtoffer is geworden van bankhelpdeskfraude, gepleegd conform de hiervoor beschreven modus operandi. Zij werd gebeld door meneer [naam 2] van de [bank 1] . Deze nep- [bank 1] Bankmedewerker verwees naar een transactie die [benadeelde 17] de dag ervoor had gedaan, gaf aan dat haar geld niet langer veilig was en dat het geld moest worden overgeboekt naar een depositorekening. Meneer [naam 2] heeft haar geholpen bij dit proces, waarbij [benadeelde 17] veel codes in moest voeren. Later zag zij op haar bankafschrift dat er eerst twee overboekingen van haar spaarrekening (totaal € 20.071,31) naar haar betaalrekening hadden plaatsgevonden.
Hierna vonden twee afschrijvingen van haar betaalrekening [rekeningnummer 3] plaats, onder meer € 9.970,19 naar IBAN: [rekeningnummer 4] op naam van [naam 3] . Zij heeft verklaard dat zij haar bankpas afstond aan haar broer, [belanghebbende] . Dit was niet vreemd omdat dit wel vaker gebeurd binnen haar familie. Haar broer heeft vervolgens deze bankpas en de inlogcodes op 14 mei 2020 afgestaan aan “ [gebruikersnaam 2] ”. Dit was de persoon met wie hij contact had via Snapchat. Op 14 november 2024 om 14:50 uur werd de pinlimiet van [benadeelde 6] verhoogd tot € 10.000,-. Diezelfde avond om 22:19 uur wordt een iPhone met de naam: [naam iPhone] aan haar digitale bankomgeving gekoppeld. Dit is de devicenaam van de iPhone 12 Pro Max die onder [medeverdachte 1] in beslag is genomen. Op 15 mei 2020 om 13:02 uur wordt er een fotobestand ontvangen op de rode iPhone XR van [verdachte] waarop is te zien dat er is ingelogd op de online bankomgeving van [benadeelde 6] en dat voornoemd bedrag van [benadeelde 17] op die rekening is bijgeschreven. Dit screenshot had als weergavetijd 12.38 uur. Uit de bankafschriften blijkt dat het bedrag van [benadeelde 17] eveneens op 15 mei 2020 om 12:38 uur op de rekening van [benadeelde 6] werd gestort. Vervolgens werd dit bedrag in de periode van 12.39 uur en 12.43 uur in zijn geheel opgenomen bij een pinautomaat, gelegen op 330 meter afstand van de toenmalige woning van [medeverdachte 1] aan de [adres] te [plaats 2] . Om 19.37 uur wordt er een fotobestand aangemaakt op de telefoon van [verdachte] waarop een persoon is afgebeeld die een stapel bankbiljetten vasthoudt. Op die foto is een gele stof te zien wat vermoedelijk kleding betreft. In een videobestand wat op 21.28 uur is aangemaakt op de telefoon van [verdachte] wordt gezien dat [verdachte] op dat moment een geel vest draagt. Die kleur komt overeen met de stof als die te zien is op voornoemde foto.

Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het verkrijgen/voorhanden hebben van de bankgegevens, bestemd tot het plegen van een misdrijf, en het medeplegen van computervredebreuk ten aanzien van de bankomgeving van [benadeelde 6] (feit 3 subsidiair en feit 4), alsmede het medeplegen van oplichting ten aanzien van [benadeelde 17] (feit 2).


Zaak 4A [benadeelde 18] en/of [B.V. 1] . en/of [B.V. 2] (bankhelpdeskfraude)

Op 5 december 2020 werden de bedrijven van [benadeelde 18] , te weten [B.V. 1] en [B.V. 2] .nl voor een bedrag van € 47.809,87 opgelicht volgens voornoemde modus operandi. Een vrouw die zich voordeed als bankmedewerkster gaf aan dat er vanuit Ghana was geprobeerd om geld van de zakelijke rekening af te schrijven. [benadeelde 18] heeft vervolgens op aanraden van de nepbankmedewerkster voornoemd bedrag overgemaakt vanaf zijn twee zakelijke [bank 2] -bankrekeningen naar vijf bankrekeningen. Deze bankrekeningen betroffen onder andere de volgende:
[rekeningnummer 5] t.n.v. [benadeelde 8]
[rekeningnummer 6] t.n.v. [benadeelde 3]

Naar aanleiding van deze oplichting heeft de [bank 1] -bank een onderzoek ingesteld en heeft in dat kader contact gehad met [benadeelde 3] . [benadeelde 3] gaf aan dat hij via Snapchat in contact is gekomen met een persoon die zich “ [gebruikersnaam 3] ” noemde. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij verantwoordelijk was voor dit account. Hij is voor dit feit ook al veroordeeld door de rechtbank in Den Haag. [benadeelde 3] kreeg de pitch te zien en zou 45% van het bedrag wat op zijn rekening gestort zou worden voor zichzelf houden.

Op 5 december 2020 om 17.45 uur werd vanaf de rekening van [B.V. 1] . € 9.801,33 overgeboekt naar de rekening van [benadeelde 3] . Om 18.04 uur diezelfde dag werd vanaf de rekening van [benadeelde 3] € 9.799,- door geboekt naar een andere rekening van [benadeelde 3] . Vanaf die rekening werd vervolgens tussen 18.13 uur en 18.17 uur het hele bedrag in vier pintransacties opgenomen bij een geldautomaat te Arnhem. Uit de inloggegevens op de bankrekening van [benadeelde 3] is gebleken dat er op 6 december 2020 om 01.05 uur en om 01.14 uur werd ingelogd vanaf het IP adres wat was gekoppeld aan het adres van [verdachte] .

In de iPhone 12 van [medeverdachte 1] zijn op 5 december 2020 screenshots aangemaakt waarin een Snapchatgesprek te zien is met [gebruikersnaam 5] . Op die screenshots is een afbeelding te zien waarop een bijschrijving is te zien van € 9.801,33 van [B.V. 1] . Daarnaast is er met de telefoon op 6 december 2020 een videobestand aangemaakt waarin de bankomgeving van [benadeelde 3] te zien is.

Er is tevens een geldbedrag overgeschreven naar de rekening van [benadeelde 8] . Op zijn rekening werd op 5 december om 17.51 uur € 8.604,55 bijgeschreven vanaf de rekening van [B.V. 1] . [benadeelde 8] heeft op 11 december 2020 aangifte gedaan van het verlies van zijn tas met pinpas en een briefje met de pincode. Nadat hij op 5 december 2020 voornoemde overschrijving zag, heeft hij via de bank zijn rekening laten blokkeren.

In de iPhone 11 van [medeverdachte 2] zijn afbeeldingen aangetroffen waarop de bankomgevingen van [benadeelde 3] en [benadeelde 8] zichtbaar waren.

Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het verkrijgen/voorhanden hebben van de bankgegevens van [benadeelde 3] , bestemd tot het plegen van een misdrijf (feit 3 subsidiair), medeplegen van computervredebreuk waarbij is ingelogd op de bankomgeving van [benadeelde 3] en [benadeelde 8] (feit 4), alsmede het medeplegen van oplichting ten aanzien van [benadeelde 18] (feit 2).

Zaak 6 [benadeelde 11] (WhatsApp-fraude)

[benadeelde 4] heeft verklaard dat zij na een promofilmpje van [medeverdachte 4] (account [gebruikersnaam 6] ) in contact is gekomen met [gebruikersnaam 3] (accountnaam: [gebruikersnaam 1] ). Nadat zij de pitch toegestuurd had gekregen heeft zij op 5 maart 2020 haar bankpas en creditcard afgestaan. Vervolgens heeft zij haar inloggegevens voor de [bank 1] -app en beide pincodes doorgegeven aan [gebruikersnaam 3] . De dag erna zag zij dat er geld van haar spaarrekening naar haar betaalrekening was overgeboekt en dat er een bedrag van € 3.650,- was gestort op haar rekening, afkomstig van [rekeningnummer 7] ten name van [benadeelde 11] . Op 6 maart 2020 is er vanaf een geldautomaat te Rotterdam € 3.680 euro gepind van de betaalrekening van [benadeelde 4] . Dit betrof voornoemd bedrag, afkomstig van [benadeelde 11] en € 30,- eigen geld van [benadeelde 4] . [verdachte] is door de politie op de beelden herkend als pinner. Op de iPhone XS van [verdachte] bleek het telefoonnummer van aangever [benadeelde 4] opgeslagen als contact en het telefoonnummer waar [benadeelde 4] contact mee had (het nummer van ” [gebruikersnaam 3] ”), stond in zijn telefoon opgeslagen onder de naam “bedrijf”.

Gelet op voornoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het verkrijgen/voorhanden hebben van de bankgegevens van [benadeelde 4] , bestemd tot het plegen van een misdrijf (feit 3 subsidiair), alsmede het medeplegen van oplichting ten aanzien van [benadeelde 11] (feit 5).

Zaak 8 [benadeelde 7] (bankhelpdeskfraude)

Aangeefster [benadeelde 7] wordt op 4 januari 2022 in de avond gebeld door een vrouwelijke nepbankmedewerker van de [bank 3] . Zij wordt, via dezelfde modus operandi zoals hiervoor uiteengezet, opgelicht voor een bedrag van € 4.000,-. Dit bedrag is terecht gekomen op de bankrekening van money mule [benadeelde 5] . Er lijkt vanaf de bankrekening van [benadeelde 5] een betaalverzoek gestuurd te zijn, wat vanaf de bankrekening van [benadeelde 7] is voldaan.

Bij de doorzoeking in de woning van [verdachte] is de bankpas van [benadeelde 5] aangetroffen. Op de iPhone XS die tijdens de doorzoeking op het nachtkastje van [verdachte] is aangetroffen, zijn screenshots van de bankomgeving van [benadeelde 5] aangetroffen, alsmede WhatsApp-berichten tussen [benadeelde 5] en een persoon met weergave naam “company”, waarbij er onder meer een betaalverzoek is gemaakt ten bedrage van € 4.000,-. Ook is gebleken dat op 30 en 31 december 2021 in totaal 5 keer is ingelogd vanaf de woning van [verdachte] .

Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van computervredebreuk (feit 4) . Daarnaast acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het verkrijgen/voorhanden hebben van de bankgegevens van [benadeelde 5] , bestemd tot het plegen van een misdrijf (feit 3 subsidiair), alsook het medeplegen van oplichting ten aanzien van [benadeelde 7] (feit 2).

Feit 7

De verdachte wordt primair ten laste gelegd dat hij -kort gezegd- in de periode van 29 april 2020 tot en met 31 maart 2021 tezamen en in vereniging met (een) ander(en) meerdere geldbedragen heeft witgewassen.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan witwassen van meerdere geldbedragen. Voor het witgewassen geld zijn grondmisdrijven aan te wijzen, namelijk de in dit vonnis bewezen geachte bankhelpdeskfraude ( [benadeelde 13] , [benadeelde 17] , [benadeelde 18] en/of [B.V. 1] . en/of [B.V. 2] ) en WhatsApp-fraude ( [benadeelde 10] , [benadeelde 11] ), betreffende de volgende geldbedragen:

- € 985,- [benadeelde 10] (zaak 2);

- € 3.300,- [benadeelde 13] (zaak 2);

- € 9.970,- [benadeelde 17] (zaak 3C);

- € 39.390,- [benadeelde 18] / [B.V. 1] ./ [B.V. 2] (zaak 4A);

- € 3.650,- [benadeelde 11] (zaak 6).

In totaal gaat het om een bedrag van € 57.295,-.

Dit geldbedrag is afkomstig uit de hiervoor vermelde bankhelpdeskfraude en WhatsApp-fraude waarvoor verdachte wordt veroordeeld, dus uit eigen misdrijf. De geldbedragen zijn in verschillende transacties over rekeningen op naam van anderen dan verdachte weggesluisd. Daarmee is sprake van verhullingshandelingen ten aanzien van de rechthebbende.

Zoals hiervoor overwogen is er ten aanzien van de bankhelpdeskfraude sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking en dus van medeplegen. Ook ten aanzien van de WhatsApp fraude aangaande [benadeelde 10] en [benadeelde 11] acht de rechtbank bewezen dat er sprake is van medeplegen. Daarmee acht de rechtbank ook het ten laste gelegde medeplegen van witwassen wettig en overtuigend bewezen.

Feit 8

De verdachte wordt ten laste gelegd dat hij -kort gezegd- op 22 maart 2022 tezamen en in vereniging met (een) ander(en) soft- en harddrugs voorhanden heeft gehad.

Aangezien verdachte ten aanzien van dit feit een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd bij de politie op 2 mei 2022, pagina

C-3643 en verder;

- proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 oktober 2022, pagina C-3643 en verder;

- proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 juli 2022, pagina C-3650 en verder;

- proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 april 2022, pagina C-3663 en verder;

- proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 april 2022, pagina C-3666 en verder.

De rechtbank zal verdachte partieel vrijspreken van het onderdeel medeplegen, omdat het dossier hiervoor onvoldoende bewijs bevat.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

Feit 2

in de periode 1 mei 2020 tot en met 30 januari 2022 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

- [benadeelde 13] heeft bewogen tot de afgifte van (totaal) 9.900 euro (zaak 2) en

- [benadeelde 17] heeft bewogen tot de afgifte van 9.970,19 euro en/of 9.988,12 euro (zaak 3C) en

- [benadeelde 18] en/of [B.V. 1] en/of [B.V. 2] . heeft bewogen tot de afgifte van (totaal) (ongeveer) 47.809,87 euro (zaak 4A) en

- [benadeelde 7] heeft bewogen tot de afgifte van 4000 euro (zaak 8)

door zich telkens uit te geven als bonafide bankmedewerker en hierbij te zeggen/berichten dat - zakelijk weergegeven -

- de bankrekeninghouder/de ontvanger van het bericht is opgelicht en/of dat er fraude met

zijn/haar bankrekening is gepleegd en/of dat er iemand heeft proberen in te breken op de

bankrekening en/of dat men bezig was om geld van zijn/haar bankrekening af te schrijven en/of

- de bankrekeninghouder/de ontvanger van het bericht zijn geld kan veiligstellen door dit naar (een) andere bankrekening(en) over te maken en/of

- een of meer link(jes) op te (laten) sturen en/of op te maken en/of ter beschikking te stellen

(waarbij/waarna de gebruiker wordt doorgelinkt naar een malafide website) en/of

- de bankrekeninghouder/de ontvanger anydesk en/of teamviewer moest openen en/of installeren op haar telefoon en/of computer en/of

- de bedragen (althans geldbedragen van de rekening) (volgens protocol) veilig gesteld moeten worden en/of overgemaakt (moeten) worden op een (andere) rekening en/of

- dat er een vreemde transactie (of meerdere transacties) heeft/hebben plaatsgevonden met de rekening (van de ontvanger van het/dat bericht) en/of

- dat geprobeerd is geld van de rekening van de betrokkene over te schrijven naar een andere

rekening (althans: dat de betrokkene -eerder- slachtoffer is geworden van fraude)

waardoor (een of meer van) bovengenoemde persoon/personen en/of bedrijf/bedrijven (telkens) werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte(n);

Feit 3

subsidiair

in de periode 1 mei 2020 tot en met 30 januari 2022 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, een of meer voorwerpen en/of gegevens, te weten:

de bankpas, pincode, inloggegevens en wachtwoord van de bankomgevingen van

- [benadeelde 1] (zaak 2) en

- [benadeelde 2] (zaak 3A) en

- [benadeelde 12] (zaak 3B) en

- [benadeelde 6] (zaak 3C) en

- [benadeelde 3] (zaak 4A) en

- [benadeelde 4] (zaak 6) en

- [benadeelde 5] (zaak 8)

voorhanden heeft gehad, waarvan hij verdachte en zijn mededaders wisten dat die bestemd waren tot het plegen van een misdrijf omschreven in de artikelen 310, 311 en 326 van het Wetboek van Strafrecht terwijl dit feit betrekking had op de verkrijging van een niet-contant betaalinstrument;

Feit 4

in de periode 1 mei 2020 tot en met 30 januari 2022 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, opzettelijk en wederrechtelijk in een of meerdere servers/ netwerken toebehorende aan de [bank 1] en/of de [bank 2] , waarop een internetbankieren omgeving van klant(en)

- [benadeelde 1] (zaak 2) en

- [benadeelde 2] (zaak 3A) en

- [benadeelde 12] (zaak 3B) en

- [benadeelde 6] (zaak 3C) en

- [benadeelde 3] (zaak 4A) en

- [benadeelde 8] (zaak 4A) en

- [benadeelde 5] (zaak 8)

wordt gehost, althans bereikbaar is, zijn binnengedrongen, waarbij hij, verdachte en zijn mededaders telkens de toegang hebben verworven tot het/de geautomatiseerde werk(en)

- met behulp van een valse sleutel, te weten de inloggegevens voor het internetbankieren (te weten de gebruikersnaam en/of het wachtwoord) van/bij de [bank 1] en/of de [bank 2] en

- door het aannemen van een valse hoedanigheid, te weten als zijnde een of meer geautoriseerde [bank 1] en/of [bank 2] -klant(en) en/of rekeninghouder (van de betreffende rekening);

Feit 5

in de periode 1 mei 2020 tot en met 31 maart 2021 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen telkens met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, na te noemen persoon/personen heeft bewogen tot de afgifte(n) van na te noemen geldbedrag(en), te weten:

- [benadeelde 10] tot afgifte van 985 euro (zaak 2) en

- [benadeelde 9] tot afgifte van 3.500 euro (zaak 3B) en

- [benadeelde 11] tot de afgifte van 3650 euro (zaak 6)

hebbende verdachte tezamen en in vereniging met zijn medeverdachte(n),

telkens met voren omschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid telkens

- die personen benaderd (al of niet) via WhatsApp/chat-berichten (en/of andere digitale of gesproken berichten), althans benaderd en

- door middel van elektronisch berichtenverkeer, en jegens die persoon/personen

- zich gepresenteerd onder een valse naam, en

- zich voorgedaan als familielid en/of bekende van die persoon/personen, en

- aangegeven dat die bekende een spoedeisend financieel probleem had of een probleem met/storing bij het tele- of internetbankieren en vervolgens die

- persoon/personen om (financiële) hulp verzocht en/of verzocht om (per omgaand) een of meer rekeningen en/of bedragen te betalen en

- tevens daarbij aangegeven dat die persoon/personen dat geld na het voorschieten/betalen

direct terugbetaald zou(den) worden, en

- die persoon/personen een of meer bankrekeningnummer(s) doorgegeven waarop geld zou

kunnen worden gestort en nadere instructies gegeven om geld over te maken naar een of

meer door verdachte opgegeven bankrekeningnummer(s), en

- ( aldus) via WhatsApp-berichten/elektronisch berichtenverkeer die persoon/personen

benaderd/verrast en/of zich voorgedaan als bonafide bekende van die persoon/personen en/of die persoon/personen misleid omtrent (zogenaamd) per omgaand ten behoeve van die bekende te verrichten financiële hulp en/of betaling(en), waardoor (een of meer van) bovengenoemde persoon/personen (telkens) werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte;

Feit 6

in de periode 12 mei 2020 tot en met 6 maart 2021 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen

- een geldbedrag van 770 euro, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 2] (

zaak 3A) en

- een geldbedrag van 30 euro, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 4] (zaak 6)

waarbij verdachte en/of zijn mededaders die weg te nemen gelden onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, (te weten) door een onrechtmatig verworven bankpas en bijbehorende pincode op te nemen bij een of meer pinautoma(a)t(en);

Feit 7

in de periode 29 april 2020 tot en met 31 maart 2021 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen (van)

- een geldbedrag van 985 euro (zaak 2) en

- een geldbedrag van (totaal) 3300 euro (zaak 2) en

- een geldbedrag van 9.970 euro (zaak 3C) en

- een geldbedrag van 39.390, (zaak 4A) en

- een geldbedrag van 3650 euro (zaak 6)

de werkelijke aard en de herkomst en heeft verborgen en/of verhuld terwijl hij en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en), dat deze geldbedragen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf

(artikel 420bis Wetboek van strafrecht);

Feit 8

op 22 maart 2022 te Rotterdam, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 10,7 gram, cocaïne en 15 XTC-tabletten/pillen bevattende MDMA en 0,72 gram kristallen bevattende MDMA, als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1,

en

op 22 maart 2022 te Rotterdam, opzettelijk aanwezig heeft gehad 13 gram hasjiesj (een gebruikelijk vast mengsel van de afgescheiden hars verkregen van planten van het geslacht Cannabis (hennep), met plantaardige elementen van deze planten), zijnde hasjiesj een middel in de zin van artikel 1 van de Opiumwet en als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst II.

Ten gevolge van een kennelijke omissie in de tenlastelegging, is in de derde regel van het onder feit 7 tenlastegelegde het verkeerde bedrag vermeld, te weten 980 euro in plaats van 985 euro. De rechtbank herstelt deze omissie en leest voormelde zinsnede zoals hiervoor is vermeld. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 36 maanden met aftrek van de periode die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Daarbij verzoekt de officier van justitie de rechtbank om bij de uitspraak van het vonnis over te gaan tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt de rechtbank bij het bepalen van de straf rekening te houden met de forse overschrijding van de redelijke termijn. Afgezet tegen die forse overschrijding kan de verdediging niet inzien waarom de officier van justitie de rechtbank verzoekt tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis bij haar uitspraak. Verdachte heeft zich al die tijd gehouden aan de voorwaarden die verbonden waren aan de schorsing. De verdediging verzoekt de eis van de officier van justitie aanzienlijk te matigen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

De aard en ernst van de feiten

Verdachte heeft zich samen met anderen in de periode tussen begin 2020 en begin 2022 schuldig gemaakt aan bankhelpdeskfraude en WhatsApp-/vriend in noodfraude. Bij de bankhelpdeskfraude werden de slachtoffers telefonisch benaderd door de beller van de dadergroep, die zich voordeed als (fraudehelpdesk)medewerker van de bank en die de slachtoffers wijs maakte dat hun banktegoed gevaar liep. Op geraffineerde wijze werden de slachtoffers gemanipuleerd zodat zij hun tegoeden overboekten naar “kluis”-/ of depositorekeningen, zijnde de rekeningen van money mules. De verdachten hadden reeds in een eerder stadium de beschikking gekregen over hun bankpas, pincode en inloggegevens van de internetbankieromgeving. Vervolgens werd door de verdachten het weggesluisde geld via pintransacties contant opgenomen. Dit alles om maar één ding te bereiken: zoveel mogelijk geld verdienen. Verdachte en de medeverdachten hebben op geraffineerde wijze misbruik gemaakt van de goedheid en het gewekte vertrouwen van de slachtoffers. De slachtoffers van de bankhelpdeskfraude dachten dat zij door de handelingen op te volgen konden voorkomen dat zij veel geld zouden kwijtraken. Hun nachtmerrie werd uiteindelijk door toedoen van de verdachten alsnog werkelijkheid. Hierdoor is niet alleen het vertrouwen dat de slachtoffers in het digitale betalingsverkeer en het bankwezen hadden geschaad, maar is ook hun gevoel van veiligheid en vertrouwen in de medemens in ernstige mate aangetast. De verdachten hebben zich hier niets van aangetrokken en hebben enkel oog gehad voor hun eigen financiële gewin.

Ten laste van verdachte is daarnaast bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van een geldbedrag van € 57.295,-. Door het witwassen van crimineel geld wordt de onderliggende criminaliteit gefaciliteerd en wordt de integriteit van het financieel en economisch verkeer ontwricht.

Bij de doorzoeking bij verdachte thuis is er een hoeveelheid soft- en harddrugs aangetroffen. Drugs leveren, eenmaal in handen van gebruikers, gevaren op voor de gezondheid van die gebruikers. Bovendien leiden drugs veelal, direct en indirect, tot verschillende vormen van criminaliteit. Het bezit daarvan dient dan ook te worden tegengegaan.

Voortgezette handeling?

De verdediging heeft bepleit dat, gelet op de samenhang tussen de feiten, er sprake is van een voortgezette handeling. De handelingen zijn opvolgend en dermate verknocht dat gesproken moet worden van een voortgezette handeling, waar één wilsbesluit aan ten grondslag heeft gelegen.

Voor de voortgezette handeling is het van belang of de verschillende bewezenverklaarde, elkaar in de tijd opvolgende gedragingen zodanig nauw met elkaar samenhangen, dat de verdachte daarvan één verwijt kan worden gemaakt. Bij de beoordeling of de feiten moeten worden beschouwd als een voortgezette handeling, stelt de rechtbank voorop dat er weliswaar (deels) samenhang in de bewezenverklaarde feiten zit, maar dat het desondanks afzonderlijk tenlastegelegde feiten betreft. Voorts stelt de rechtbank vast dat de verdachten eerst via oplichting geld hebben laten overboeken naar rekeningen van de money mules, waarna er wederrechtelijk is ingelogd op de digitale bankomgeving van de money mules, waarna dat geld vervolgens contant is opgenomen door middel van pintransacties. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een voortgezette handeling, maar dat het gaat om afzonderlijke strafbare handelingen, waar telkens een nieuw ongeoorloofd wilsbesluit van de verdachten aan ten grondslag heeft gelegen om een stap verder te komen in het proces om geld van de aangevers weg te kunnen nemen. Het verweer wordt verworpen.

Persoonlijke omstandigheden
Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij al eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten en dat artikel 63 Sr van toepassing is.

Reclasseringsadvies

De reclassering heeft op 5 november 2024 een advies over verdachte opgesteld. Uit dit rapport blijkt dat sprake is van een groot aantal beschermingsfactoren, wat een laag recidiverisico impliceert. Er lijkt sprake van beïnvloeding ten tijde van het plegen van de feiten om zodoende snel geld te verdienen. De reclassering heeft verder de indruk dat verdachte zijn vrije tijd niet op een adequate manier invult en dat de feiten mogelijk voortkomen uit een zucht naar spanning en avontuur. Er zijn geen aanwijzingen voor problemen binnen de thuissituatie of de psyche van verdachte. Verdachte heeft zich, sinds het toezicht van de reclassering vanaf 8 juli 2022, goed aan de gemaakte afspraken en gestelde voorwaarden gehouden. De reclassering adviseert om bij een veroordeling geen bijzondere voorwaarden op te leggen. Indien de rechtbank toch een (deels) voorwaardelijke straf op zal leggen, dan adviseert de reclassering om een maatregel van toezicht op te leggen voor de duur van een jaar, met als bijzondere voorwaarden een inspanningsverplichting voor het behoud van dagbesteding.

Overschrijding van de redelijke termijn

De rechtbank stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, van het EVRM het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Overschrijding van de redelijke termijn wordt in beginsel gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd als de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. Na afweging van alle daartoe in aanmerking te nemen belangen – waaronder de mate van overschrijding van de redelijke termijn – kan in bepaalde gevallen worden volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6, eerste lid, EVRM.

De rechtbank overweegt met betrekking tot de aanvang van de redelijke termijn en het procesverloop in de hoofdzaak dat verdachte op 22 maart 2022 in verzekering is gesteld. Op dat moment is de redelijke termijn aangevangen. De rechtbank doet op 31 januari 2025 uitspraak. Hoewel het een groot en complex dossier betreft, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn met ruim 10 maanden. Zij zal deze overschrijding in strafmatigende zin meewegen.

De straf

Gelet op de aard, de ernst en de hoeveelheid van de feiten, alsmede de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, zoals hiervoor uiteengezet, kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Alles afwegende, zal de rechtbank verdachte opleggen een gevangenisstraf van 18 maanden met aftrek van de periode die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht.

Voorlopige hechtenis

De officier van justitie heeft de opheffing van de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis gevorderd.

De rechtbank overweegt dat de rechtbank, met ingang van 5 juli 2022 de voorlopige hechtenis onder voorwaarden heeft geschorst. Gezien het tijdsverloop tussen de aanvang van de voorlopige hechtenis en de einduitspraak, alsmede het feit dat verdachte zich gedurende de schorsing heeft gehouden aan de gestelde voorwaarden, ziet de rechtbank geen aanleiding om over te gaan tot opheffing van de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis. De rechtbank zal het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

7 De benadeelde partij

7.1

Algemene uitgangspunten en overwegingen

Materiële schade

De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte de feiten 2, 4, 5 en 6 (mede) heeft gepleegd. Dit betekent dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld jegens de benadeelde partijen die te koppelen zijn aan de bewezenverklaarde feiten en dat hij verplicht is de schade van deze benadeelde partijen te vergoeden. De hoogte van het toewijsbaar geachte bedrag zal hieronder per benadeelde partij worden besproken.

Schadevergoedingsmaatregel

Vooruitlopend op de beoordeling van de vorderingen van de verschillende benadeelde partijen, overweegt de rechtbank dat zij de schadevergoedingsmaatregel op zal leggen bij toe te wijzen vorderingen van natuurlijke personen.

De rechtbank zal geen schadevergoedingsmaatregel opleggen bij toe te wijzen vorderingen van de [bank 1] en de [bank 2] . Deze maatregel is er namelijk om natuurlijke personen te ontlasten bij de inning van schadevergoeding. Een rechtspersoon mag in beginsel geacht worden zelf de wegen te kennen om een vordering te incasseren, in tegenstelling tot een natuurlijke persoon. De rechtbank ziet in deze zaak geen aanleiding om van dit beginsel af te wijken.

Wettelijke rente

Indien de rechtbank vorderingen tot schadevergoeding geheel of ten dele toewijst, zal de rechtbank daarbij tevens de wettelijke rente toewijzen, steeds gerekend vanaf de datum waarop de schade is ontstaan. Dit geldt ook voor de op te leggen schadevergoedingsmaatregelen.

Hoofdelijk

De rechtbank stelt vast dat verdachte de feiten 2, 4, 5 en 6 met anderen heeft gepleegd en dat zij naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de gehele schade. Daarom zal de rechtbank de toegekende schadevergoedingen en de schadevergoedingsmaatregel voor de benadeelde partijen van die feiten hoofdelijk toewijzen. Dit betekent dat verdachte niet meer hoeft te betalen voor zover het bedrag door één of meer mededaders is betaald, en andersom.

7.2

De benadeelde partij [benadeelde 7] (zaak 8)

De benadeelde partij [benadeelde 7] vordert voor feit 2 een schadevergoeding van € 500,-, bestaande uit immateriële schade.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. De rechtbank wil met dit oordeel niets afdoen aan de impact die het strafbare feit op de benadeelde heeft gehad. Voor de toekenning van een schadevergoeding vanwege geleden immateriële schade is echter vereist dat op basis van stukken kan worden vastgesteld of er daadwerkelijk sprake is van aantasting van de persoon als bedoeld in artikel 6:106 BW. Daarvan is in het onderhavige geval onvoldoende gebleken. Daarnaast is geen sprake van strafbare feiten op basis waarvan de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon reeds op grond daarvan kan worden aangenomen.

7.3

De benadeelde partij [bank 1] (zaak 2 en 3C)

De benadeelde partij [bank 1] vordert een schadevergoeding van € 25.725,75, bestaande uit materiële schade.

De materiële schade bestaat uit:

- Schadeloosstelling klanten € 25.485,75

* [benadeelde 13] € 13.311,64

* [benadeelde 17] € 12.174,11

- Onderzoekskosten € 240,-

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie verzoekt toewijzing van de vordering. De [bank 1] heeft de kosten uit coulance gemaakt door de gedupeerde klanten te vergoeden.

Standpunt verdediging

De verdediging verzoekt de benadeelde niet-ontvankelijk te verklaren, nu door de verdediging vrijspraak is bepleit ten aanzien van feit 2.

Oordeel van de rechtbank

De [bank 1] heeft uit coulance de door [benadeelde 13] en [benadeelde 17] geleden schade vergoed. De rechtbank is van oordeel dat tussen de bewezenverklaarde oplichting door verdachte en de schade van de bank voldoende verband bestaat om te kunnen aannemen dat de bank door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden. De vergoeding door de [bank 1] van de geldbedragen die zijn ontvreemd van haar rekeninghouders, is naar het oordeel van de rechtbank aan te merken als rechtstreekse schade. De rechtbank zal wel een lager bedrag toewijzen, nu de rechtbank tot een bewezenverklaring komt van de ten aanzien van [benadeelde 13] geleden schade zoals vermeld in de tenlastelegging van € 9.900,-. Wat overblijft is een bedrag van € 22.074,11 (€ 12.174,11 ( [benadeelde 17] ) plus € 9.900,- ( [benadeelde 13] )). De rechtbank zal de [bank 1] voor wat betreft de meer gevorderde materiële schade niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.

Op grond van artikel 6:96, tweede lid, aanhef onder b, BW komen de door de [bank 1] gemaakte onderzoekskosten voor vergoeding als vermogensschade in aanmerking. De rechtbank overweegt in dat kader op dat de gevorderde onderzoekskosten haar niet onredelijk voorkomen. Dit betekent dat het totaalbedrag van de toegewezen vordering wordt bepaald op € 22.314,11.

7.4

De benadeelde partij [bank 2] (zaak 4A)

De benadeelde partij [bank 2] vordert een schadevergoeding van € 39.206,52, bestaande uit materiële schade. De materiële schade bestaat uit schadeloosstelling van [benadeelde 18] en/of [B.V. 1] . en/of [B.V. 2]

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie verzoekt toewijzing van de vordering. De [bank 2] heeft de kosten uit coulance gemaakt door de gedupeerde klant te vergoeden.

Standpunt verdediging

De verdediging merkt allereerst op dat uit de vordering niet blijkt van een vertegenwoordigingsbevoegdheid van de persoon die de vordering ondertekend heeft. De vordering is niet voorzien van een volmacht en/of stukken van de KvK.

Voor het overige heeft de verdediging geconcludeerd dat de verdachte vrijgesproken dient te worden in de zaak [benadeelde 18] en dus dient niet-ontvankelijkheid van de benadeelde te volgen.

Oordeel van de rechtbank

De [bank 2] heeft uit coulance de door [benadeelde 18] en/of [B.V. 1] . en/of [B.V. 2] geleden schade vergoed. De rechtbank is van oordeel dat tussen de bewezenverklaarde oplichting door verdachte en de schade van de bank voldoende verband bestaat om te kunnen aannemen dat de bank door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden. Hoewel de vordering niet is voorzien van een volmacht en/of stukken van de KvK, heeft de rechtbank geen redenen om eraan te twijfelen dat deze vordering afkomstig is van de [bank 2] en dat de indiener van de vordering daartoe bevoegd is.

De rechtbank zal de vordering van de [bank 2] dan ook toewijzen.

7.5

De benadeelde partij [benadeelde 9] (zaak 3B)

De benadeelde partij [benadeelde 9] vordert voor feit 5 een schadevergoeding, zowel materieel als immaterieel, maar heeft daaraan geen bedrag gekoppeld.

De benadeelde partij heeft de vordering niet onderbouwd en er is geen bedrag gevorderd. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.

7.6

De benadeelde partij [benadeelde 2] (zaak C3A)

De benadeelde partij [benadeelde 2] vordert voor feit 6 een schadevergoeding van € 700,-, bestaande uit materiële schade.

De door de benadeelde partij gevorderde materiële schade acht de rechtbank in zijn geheel toewijsbaar. Deze schade is voldoende onderbouwd en staat in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.

7.8

De benadeelde partij [benadeelde 4] (zaak 6)

De benadeelde partij [benadeelde 4] vordert voor feit 6 een schadevergoeding van € 2.279,99, bestaande uit materiële schade, bestaande uit:

- € 650,- voorschot verhoor advocaat

- € 150,- verhoorbijstand

- € 749,99 honorarium bezwaar IVR/EVR

- € 400,- geld creditcard wat ze opgenomen hebben

- € 375,- geld spaarrekening

Zij vordert daarnaast een vergoeding voor immateriële schade maar heeft daaraan geen bedrag gekoppeld.

Materiële schade

De door de benadeelde partij gevorderde materiële schade acht de rechtbank voor een bedrag van € 30,- toewijsbaar, nu de rechtbank tot een bewezenverklaring komt van diefstal door middel van een valse sleutel van € 30,-. Ten aanzien van de overige door de benadeelde gevorderde materiële schade is de rechtbank van oordeel dat deze schade niet is aan te merken als rechtstreekse schade. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in dit deel van de vordering.

Immateriële schade

De benadeelde partij heeft geen bedrag aan immateriële schade gevorderd. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.

7.9

De benadeelde partij [benadeelde 10] (zaak 2)

De benadeelde partij [benadeelde 10] vordert voor feit 5 een schadevergoeding van € 985,-, bestaande uit materiële schade.

De door de benadeelde partij gevorderde materiële schade acht de rechtbank in zijn geheel toewijsbaar. Deze schade is voldoende onderbouwd en staat in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.

8 Het beslag

8.1

De verbeurdverklaring

De rechtbank acht de hierna in de beslissing genoemde inbeslaggenomen voorwerpen vatbaar voor verbeurdverklaring, nu met behulp van deze voorwerpen de strafbare feiten zijn begaan dan wel deze voorwerpen uit baten van de strafbare feiten zijn verkregen en deze toebehoren aan verdachte. De rechtbank gaat er daarbij vanuit dat, voordat eventuele wederverkoop via de Stichting Domeinen zal plaatsvinden, de gegevensdragers eerst zodanig worden gewist dat alle aanwezige strafbare gegevens van de apparaten zullen worden verwijderd, alsook op die apparaten geïnstalleerde apps (en daaraan gekoppelde accounts) die toegang geven tot strafbare gegevens.

8.2

De teruggaven aan de rechtmatige eigenaar

De rechtbank stelt vast dat de hierna in de beslissing genoemde inbeslaggenomen pinpassen toe zijn blijven behoren aan de bank. Zij zal dan ook bepalen dat deze aan de rechtmatige eigenaar dienen te worden teruggegeven.

8.3

De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde inbeslaggenomen voorwerpen aan verdachte, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer, onder verdachte in beslag zijn genomen en niet aan een ander toebehoren.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 33, 33a, 47, 57, 63, 138ab, 234, 311, 326 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de ten laste gelegde feiten 1 en 3 primair;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 2: medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd;

feit 3, subsidiair: medeplegen van voorwerpen en gegevens ontvangen, zich verschaffen, overdragen, voorhanden hebben waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van een in artikel 310, 311 en 326 van het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijf, meermalen gepleegd;

feit 4: medeplegen van computervredebreuk, meermalen gepleegd;

feit 5: medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd;

feit 6: medeplegen van diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, meermalen gepleegd;

feit 7: medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd;

feit 8: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd, en opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag
- verklaart verbeurd de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:
* een telefoon (omschrijving: PL2000-ZBRDD21001_713128, Apple);
* een telefoon (omschrijving: PL2000-ZBRDD21001_713129, Apple);
* een telefoon (omschrijving: PL2000-ZBRDD21001_713134, Oppo);
* een telefoon (omschrijving: PL2000-ZBRDD21001_713141, Samsung);
* een simkaart (omschrijving: PL2000-ZBRDD21001_715926);

* een simkaart (omschrijving: PL2000-ZBRDD21001_715957);
* een simkaart (omschrijving: PL2000-ZBRDD21001_715962);
* een simkaart (omschrijving: PL2000-ZBRDD21001_720419);

- gelast de teruggave aan de rechtmatige eigenaar, te weten de bank/financiële instelling, van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:
* een pinpas (rekeningnummer [rekeningnummer 8] ten name van [benadeelde 5] );

* een debet card (omschrijving: PL2000-ZBRDD21001_713154);

- gelast de teruggave aan verdachte van inbeslaggenomen voorwerpen, te weten;
* een OV-jaarkaart (omschrijving: PL2000-ZBRDD21001_713135);

Benadeelde partijen

[benadeelde 7] (zaak 8)

- verklaart de benadeelde partij [benadeelde 7] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt de benadeelde partij [benadeelde 7] in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op hihil;

[bank 1]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [bank 1] van € 22.314,11 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 6 januari 2021 tot aan de dag der voldoening;

- bepaalt dat verdachte met de mededader(s) hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

[bank 2]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [bank 2] van € 39.206,52 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 16 februari 2021 tot aan de dag der voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

- bepaalt dat verdachte met de mededader(s) hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;

[benadeelde 9]

- verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt de benadeelde partij [benadeelde 9] in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil;

[benadeelde 2]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 2] van € 700,- aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 12 mei 2020 tot aan de dag der voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

- bepaalt dat verdachte met de mededader(s) hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 2] (feit 6), € 700,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 12 mei 2020 tot aan de dag der voldoening;

- bepaalt dat bij niet betaling 14 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat verdachte met de mededader(s) hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

[benadeelde 4]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 4] van € 30,- aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 6 maart 2021 tot aan de dag der voldoening;

- bepaalt dat verdachte met de mededader(s) hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 4] (feit 6), € 30,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 6 maart 2021 tot aan de dag der voldoening;

- bepaalt dat bij niet betaling 1 dag gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat verdachte met de mededader(s) hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

[benadeelde 10]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 10] van € 985,- aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 1 mei 2020 tot aan de dag der voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

- bepaalt dat verdachte met de mededader(s) hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 10] (feit 5), € 985,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 1 mei 2020 tot aan de dag der voldoening;

- bepaalt dat bij niet betaling 20 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat verdachte met de mededader(s) hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Voorlopige hechtenis

- wijst de vordering van de officier van justitie tot opheffing van de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis af;

- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.M. Brouwer, voorzitter, mr. E.B. Prenger en mr. H. Skalonjic, rechters, in tegenwoordigheid van I.H.E. van Diepen en R. Rozendaal, griffiers, en is uitgesproken ter openbare zitting op 31 januari 2025.

De gegevens worden opgehaald

Hulp bij zoeken

Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over:

Selectiecriteria

De Rechtspraak, Hoge Raad der Nederlanden en Raad van State publiceren uitspraken op basis van selectiecriteria:

  • Uitspraken zaken meervoudige kamers
  • Uitspraken Hoge Raad en appelcolleges
  • Uitspraken met media-aandacht
  • Uitspraken in strafzaken
  • Europees recht
  • Richtinggevende uitspraken
  • Wraking

Weekoverzicht

Selecteer een week en bekijk welke uitspraken er in die week aan het uitsprakenregister zijn toegevoegd.