4.3.2
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feit 1 Deelname aan criminele organisatie
De rechtbank stelt voorop dat van deelneming aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) slechts dan sprake kan zijn, indien de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk. Het samenwerkingsverband dient te bestaan uit twee of meer personen met een zekere duurzaamheid en structuur. Niet is vereist dat deelnemers met alle personen in de organisatie samenwerken of alle personen in de organisatie kennen.
Aan de hand van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt de rechtbank vast dat verdachte en/of de medeverdachten in de periode 15 mei 2020 tot en met 30 januari 2021 zich een aantal malen hebben beziggehouden met het plegen van verschillende strafbare feiten, te weten oplichting, computervredebreuk, diefstal door middel van een valse sleutel en witwassen. Uit de bewijsmiddelen blijkt weliswaar dat de verdachten op bepaalde momenten in wisselende verbanden met elkaar hebben samengewerkt, maar de bewijsmiddelen leveren - ook in onderling (tijds)verband en samenhang bezien - onvoldoende wettig en overtuigend bewijs op dat er tussen de verdachten een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur als hiervoor bedoeld heeft bestaan. Het dossier bevat daarvoor onvoldoende informatie. Zo komt niet naar voren dat onderling gezamenlijke regels golden dan wel dat afspraken waren gemaakt over de onderlinge verdeling van werkzaamheden of activiteiten van deelnemers met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie. Ook ontbreken voldoende aanwijzingen voor een gezamenlijke besluitvorming. Voorts kent de rechtbank veel gewicht toe aan het feit dat uit het dossier blijkt dat de verdachten zich (ook) los van elkaar bezig hielden met soortgelijke criminele activiteiten. Daarbij komt dat uit het dossier onvoldoende is gebleken van een aanwijsbare leider die opdrachten of aansturing geeft aan de andere deelnemers binnen het samenwerkingsverband. De vraag van [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 2] om een Snapchat-account aan te maken, is daarvoor onvoldoende. Dat de verdachte als medepleger betrokken is geweest bij de tenlastegelegde feiten, maakt nog niet dat hij daardoor deel uitmaakt van een criminele organisatie.
Het voorgaande betekent dat niet is bewezen dat verdachte heeft deelgenomen aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr en dat derhalve niet wettig en overtuigend kan worden bewezen hetgeen aan verdachte onder 1 is ten laste gelegd, zodat verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.
Medeplegen
Op basis van het dossier stelt de rechtbank vast dat verdachte en de medeverdachten de ten laste gelegde feiten in sommige gevallen alleen hebben gepleegd, maar soms ook echt gezamenlijk hebben opgetrokken. De rechtbank zal per feit beoordelen of er sprake is van medeplegen.
Feit 3 Oplichting money mules
De verdachte wordt ten laste gelegd dat hij zich - kort gezegd - in de periode van 1 mei 2020 tot en met 30 januari 2021 tezamen en vereniging met (een) ander(en) schuldig heeft gemaakt aan het oplichten van [benadeelde 1] (zaak 2), [benadeelde 2] (zaak 3A), [benadeelde 12] (zaak 3B), [benadeelde 6] (zaak 3C), [benadeelde 3] (zaak 4A), [benadeelde 4] (zaak 6) en [benadeelde 5] (zaak 8).
[benadeelde 6]
Uit het dossier komt naar voren dat [benadeelde 6] uiteindelijk door haar broer [benadeelde 12] is bewogen om haar bankpas, pincode en inloggegevens voor haar internetbankieromgeving af te staan. Hier heeft verdachte geen direct aandeel in gehad, wat betekent dat hij hiervoor (partieel) zal worden vrijgesproken.
[benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 12] , [benadeelde 3] , [benadeelde 4] en [benadeelde 5]
Deze aangevers kwamen via promofilmpjes van influencers op Snapchat in contact met accounts zoals [gebruikersnaam 1] en [gebruikersnaam 2] . Via een zogeheten pitch werden de personen overtuigd om hun bankpas en inloggegevens af te staan, waarna zij, volgens de pitch, duizenden euro’s per maand konden verdienden door sponsorgelden op hun rekening te laten storten. Het geld dat hen in het vooruitzicht was gesteld, hebben de aangevers niet ontvangen. Evenmin hebben zij hun bankpas teruggekregen.
De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of aan verdachte een verwijt kan worden gemaakt in de zin van artikel 326 Sr in relatie tot de aangevers.
Het beoordelingskader
De rechtbank stelt voorop dat voor een veroordeling ter zake van oplichting is vereist dat de verdachte bij een ander door een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen een onjuiste voorstelling in het leven heeft willen roepen teneinde daarvan misbruik te maken. Daartoe moet de verdachte een of meer van de in artikel 326 lid 1 Sr bedoelde oplichtingsmiddelen hebben gebruikt, door welk gebruik die ander is bewogen tot de afgifte van een goed, het verlenen van een dienst, het beschikbaar stellen van gegevens, het aangaan van een schuld of het tenietdoen van een inschuld.
Het antwoord op de vraag of in een concreet geval het slachtoffer door een oplichtingsmiddel dat door de verdachte is gebruikt, is bewogen tot een van voornoemde handelingen, is volgens vaste jurisprudentie in sterke mate afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In algemene zin kunnen tot die omstandigheden behoren enerzijds de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid het beoogde slachtoffer aanleiding had moeten geven die onjuiste voorstelling van zaken te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen, en anderzijds de persoonlijkheid van het slachtoffer, waarbij onder meer de leeftijd en de verstandelijke vermogens van het slachtoffer een rol kunnen spelen. Oplichting in de zin van artikel 326 lid 1 Sr is echter niet aan de orde wanneer het slachtoffer - gelet op de alle omstandigheden van het geval, waaronder de eigen gedragingen en kennis van zaken - de in een bepaalde gedraging van de verdachte besloten onjuiste voorstelling van zaken had moeten doorzien. In verband hiermee verwijst de rechtbank naar het arrest van de Hoge Raad van 30 juni 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1814), gewezen in een zaak die qua modus operandi en maatschappelijke context overeenkomt met de onderhavige casuïstiek.
Het oplichtingsmiddel: samenweefsel van verdichtsels
Bij het gebruik van een samenweefsel van verdichtsels gaat het in de kern om gesproken en/of geschreven uitingen die bij de ander een op meer dan een enkele leugenachtige mededeling gebaseerde onjuiste voorstelling van zaken in het leven kunnen roepen. Gelet op de resultaten van het onderzoek “Michigan” staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat sprake is geweest van een dergelijk samenweefsel van verdichtsels. Dit bestond onder meer uit de mededelingen dat snel en veel geld verdiend kon worden door afgifte van de bankpas, pincode en inloggegevens van de internetbankieromgeving van de aangevers. Hiermee zouden de aangevers duizenden euro’s per maand kunnen “verdienen” na ontvangst van sponsorgelden. Er werd daarbij de schijn opgehouden dat het voor legale werkzaamheden was. Er werden advertenties geplaatst, er werden voorbereide pitches gebruikt om twijfelende mensen over te halen en er werden verschillende influencers ingeschakeld om de geloofwaardigheid van het verhaal kracht bij te zetten en het bereik van de advertenties te vergroten.
Voor bewezenverklaring van oplichting in de zin van artikel 326 lid 1 Sr is onder meer vereist dat iemand door het oplichtingsmiddel (hier: het samenweefsel van verdichtsels) is bewogen tot, in deze zaak, het ter beschikking stellen van de bankpas met pincode en de inloggegevens van de internetbankieromgeving.
De in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid
Als iets te mooi is om waar te zijn, dan is het dat meestal ook. De rechtbank is van oordeel dat de aangevers de voorstelling van zaken te gemakkelijk voor lief hebben genomen en, om hun moverende redenen, niet of onvoldoende verder hebben doorgevraagd.
De aangevers zijn via Snapchat door een anoniem account benaderd of hebben daar gereageerd op een advertentie, en kregen de belofte voorgeschoteld dat er snel en (vergeleken met in het maatschappelijk verkeer) ongebruikelijk veel geld verdiend kon worden. Daarbij is hen gevraagd hun bankpas, pincode en inloggegevens van internetbankieren af te staan aan een volstrekt onbekend iemand, terwijl het een feit van algemene bekendheid is dat daar uiterst zorgvuldig en vertrouwelijk mee om moet worden gegaan in verband met de fraudegevoeligheid van het verstrekken van dergelijke gegevens. Naar het oordeel van de rechtbank hadden die feiten en omstandigheden minstens alarmbellen moeten laten afgaan en had men er in die situatie van uit moeten gaan dat de hele gang van zaken geen zuivere koffie was.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de aangevers door het samenweefsel van verdichtsels weliswaar zijn bewogen tot afgifte van hun bankpas, pincode en inloggegevens van hun internetbankieromgeving, maar dat van oplichting geen sprake kan zijn, nu de aangevers de hen geschetste onjuiste voorstelling van zaken hadden moeten doorzien. De rechtbank acht daarom niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde oplichtingen, zodat verdachte daarvan zal worden vrijgesproken. De rechtbank zal hierna per zaakdossier beoordelen of er sprake is van voldoende wettig en overtuigend bewijs voor het subsidiair ten laste gelegde medeplegen van het voorhanden hebben van de bankpas, de pincode en de inloggegevens voor de internetbankieromgeving van voornoemde personen, met de bedoeling om daar strafbare feiten mee te plegen.
Feit 2 (bankhelpdeskfraude), feit 3 subsidiair (voorhanden hebben gegevens bankpasgevers), feit 4 (computervredebreuk), feit 5 (WhatsApp-/vriend in nood fraude) en feit 6 (diefstal door middel van valste sleutel)
Modus operandi bankhelpdeskfraude
Vanaf het tweede kwartaal 2020 tot begin 2021 is bij de politie een aantal keer aangifte gedaan van soortgelijke gevallen van oplichting, computervredebreuk en diefstal. In de verschillende aangiftes komt naar voren dat de daders een min of meer vaste werkwijze hanteerden om de slachtoffers hun bankpas en pincode afhandig te maken en daarmee vervolgens geld op te nemen en/of aankopen te doen: de slachtoffers werden gebeld door iemand die zich voordeed als een medewerker van een bank met een verhaal over een verdachte transactie of een ander probleem met de bankrekening van het slachtoffer. In meerdere gevallen werden de slachtoffers overtuigd om geldbedragen over te schrijven van hun spaarrekeningen naar lopende rekeningen en die bedragen werden overgeboekt naar wat door de bankmedewerker een “kluisrekening” of “depositorekening” werd genoemd. Deze rekening was in feite een rekening van een money mule, die via een promotiefilmpje van een influencer op Snapchat in contact was gekomen met Snapchatsaccounts als “ [gebruikersnaam 3] ”, “ [gebruikersnaam 2] ” en/of “ [gebruikersnaam 1] ”. [medeverdachte 1] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij verantwoordelijk was voor voornoemde accounts. In het promofilmpje van de influencer werd gevraagd wie zijn bankrekening ter beschikking wilde stellen tegen een riante vergoeding. Diegene die zijn bankrekening ter beschikking wilde stellen, kwam in gesprek met voornoemde accounts en kreeg vervolgens een pitch te zien, waarbij duidelijk werd gemaakt dat hij of zij 25 tot 40% zou krijgen van het bedrag wat overgemaakt zou worden naar zijn of haar rekening. Vaak kregen zij helemaal niets en verloren zij ook hun eigen spaargeld. Na fysieke overhandiging van de bankpas (met pincode en inloggegevens) kwam deze in handen van de dadergroep. De loopjongens/ pinners begaven zich na een seintje van een ander groepslid direct naar een pinautomaat om het geld contant op te nemen. Tegen de tijd dat de slachtoffers erachter kwamen dat er iets niet in orde was, was het leed al geschied.
Medeplegen oplichtingen?
Het behoeft naar het oordeel van de rechtbank geen betoog dat de in de tenlastelegging genoemde aangevers door een combinatie van in de wet genoemde oplichtingsmiddelen zijn bewogen tot het beschikbaar stellen van hun gegevens, die vervolgens zijn gebruikt om toegang te krijgen tot de geldbedragen op hun bankrekeningen. Het behoeft evenmin betoog dat is gehandeld met het oogmerk om zichzelf of een ander wederrechtelijk te bevoordelen.
Er is geen bewijs dat verdachte de oplichtingshandelingen bij de aangevers zelf heeft verricht: niet kan worden vastgesteld dat hij degene was die de aangevers belde. De vraag die de rechtbank heeft te beantwoorden is of verdachte niettemin, als medepleger, bij deze oplichtingen betrokken was.
Bij deze vorm van oplichting gaat de rechtbank ervan uit dat er een zekere vorm van organisatie noodzakelijk is waarbij verschillende mensen betrokken zijn en eenieder een bepaalde rol vervult. De in het kader van deze oplichting te verrichten handelingen duiden op een gezamenlijk en vooropgezet plan. Het bellen en op andere wijze communiceren met de slachtoffers, en het ophalen van bankpassen, zijn handelingen die planning en afstemming vereisen. Dat geldt ook voor het kunnen beschikken over bankrekeningen en bankpassen van money mules en het klaar hebben staan van mensen die met die bankpassen geldbedragen gaan opnemen. Vanaf het moment dat er contact wordt gelegd met de slachtoffers, is snelheid geboden. De daaropvolgende handelingen, te weten het toegang krijgen tot de bankrekeningen, het overboeken van geldbedragen van hun rekening naar de bankrekeningen van money mules en het met de bankpassen opnemen van de overgeboekte geldbedragen (en/of zorgen dat anderen dat doen), moeten immers worden verricht voordat de frauduleuze overboekingen worden ontdekt en de betreffende geldbedragen kunnen worden teruggestort en/of de betreffende bankrekeningen kunnen worden geblokkeerd. Ook het wegsluizen van het geld, onder andere door middel van computervredebreuk, is daarmee een onlosmakelijke schakel in het geheel, waarvoor een nauwe en bewuste samenwerking is vereist.
Van het betalen en aanvragen van promofilmpjes door influencers tot degene die uiteindelijk het geld pint, al deze handelingen kunnen niet los van elkaar worden gezien. Uit de foto’s, video’s en de aangetroffen (screenshots van) appberichten blijkt dat deze planning, samenwerking en afstemming ook daadwerkelijk plaatsvonden. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat, wanneer er in een zaaksdossier betrokkenheid van verdachte kan worden vastgesteld bij één of meerdere van de onlosmakelijke schakels in het geheel, ervan wordt uitgegaan dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen diverse personen die in de kern bestond uit een gezamenlijke uitvoering, waaraan verdachte een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd.
Betrokkenheid verdachten
Op basis van de bewijsmiddelen uit het dossier stelt de rechtbank het volgende vast:
Zaak 2 [benadeelde 13] (bankhelpdeskfraude) en [benadeelde 10] (WhatsApp-fraude)
Aangeefster [benadeelde 13] is slachtoffer van bankhelpdeskfraude geworden, gepleegd conform de hiervoor beschreven modus operandi. Zij is op 1 mei 2021 omstreeks 18:00 uur gebeld door een nepbankmedewerkster die zich voorstelde als [naam 1] van de [bank 1] . [naam 1] vertelde dat iemand aan het inbreken was op de bankrekening van [benadeelde 13] en dat de bank het had weten tegen te houden. Om te voorkomen dat het nog een keer zou gaan gebeuren, moesten er forse bedragen van de bankrekening worden overgeboekt naar een andere bankrekening. In totaal heeft [benadeelde 13] een totaalbedrag van € 19.000,- overgemaakt vanaf haar bankrekening. Van dit bedrag is 3 x € 3.300 is overgemaakt naar [rekeningnummer 1] op naam van [benadeelde 1] .
Op 1 mei 2020 wordt [benadeelde 10] voor een totaalbedrag van € 2.534,95 opgelicht. Hij ontvangt een bericht op WhatsApp van een onbekend nummer, wat zogenaamd het nieuwe nummer van zijn dochter zou zijn. De oplichter, die zich uitgaf voor de dochter van [benadeelde 10] , verzoekt hem drie geldbedragen over te maken op [rekeningnummer 1] op naam van [benadeelde 1] . Het eerste bedrag van € 985,- wordt overgemaakt door [benadeelde 10] . De overige twee bedragen worden tegengehouden door de bank om verdere schade te voorkomen. 3 minuten na deze overschrijving wordt er € 980,- opgenomen bij een geldautomaat te Rotterdam.
Op 8 mei 2020 heeft aangever [benadeelde 1] aangifte gedaan van fraude dan wel oplichting. Hij verklaarde onder andere dat hij op 1 mei 2020 zijn bankpas en pincode had afgegeven aan een persoon omdat hij daarmee geld wilde verdienen. Hij had 'de pitch' ontvangen van het Snapchataccount [gebruikersnaam 4] . De onder [verdachte] in beslag genomen telefoon stond ingelogd op een Instagramaccount met diezelfde naam. [benadeelde 1] heeft een uitdraai van zijn bankgegevens van 1 mei 2020 overhandigd aan de politie. Hieruit blijkt dat er op 1 mei 2020 verschillende geldbedragen vanaf meerdere bankrekeningen op zijn rekening zijn gestort, waaronder € 9.900,- (3 X € 3.300,-) van [benadeelde 13] .
Op dit rekeningoverzicht is ook te zien dat er kort na de eerste storting van € 3.300,- er in totaal € 3.300,- bij een geldautomaat in Rotterdam contant werd opgenomen.
In de telefoon van [verdachte] , de rode iPhone XR, werd een aantal afbeeldingen aangetroffen in verband met voornoemde aangiften. Zo zijn er op 1 mei 2020 meerdere fotobestanden aangemaakt waarop de bankpas van [benadeelde 1] , de [bank 1] -omgeving van [benadeelde 1] en een WhatsAppgesprek met (het telefoonnummer van) [benadeelde 1] te zien zijn. Ook is een videobestand aangetroffen, aangemaakt op 1 mei 2020 (20.13 uur), waarop de [bank 1] -bankomgeving van [benadeelde 1] is te zien waarbij er achtereenvolgens € 2.000,- en € 1.300,- is gepind bij een pinautomaat van de [bank 2] te Rotterdam. Diezelfde dag om 19:01:43 uur en om 19:02:37 uur zijn op de telefoon videobestanden aangemaakt waarop de pintransacties (bij [automaatnummer] ) zichtbaar zijn. Dit automaatnummer correspondeert met die van de pintransacties van de rekening van [benadeelde 1] .
Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich ten aanzien van [benadeelde 1] schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het verkrijgen/voorhanden hebben van de bankpas, pincode en inloggegevens van de bankomgeving, bestemd tot het plegen van een misdrijf, en aan het medeplegen van computervredebreuk door in te loggen op de bankomgeving van [benadeelde 1] (feit 3 subsidiair en feit 4). De rechtbank acht ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van oplichting ten aanzien van [benadeelde 13] (feit 2) en [benadeelde 10] (feit 5).
Zaak 3A [benadeelde 2] (diefstal door middel van valse sleutel)
Uit de bewijsmiddelen volgt dat [benadeelde 2] filmpjes zag op een account op Snapchat waarbij er makkelijk geld kon worden verdiend. Zij nam contact op met de gebruiker “ [gebruikersnaam 2] ” en kreeg vervolgens de pitch te horen. Ze zou met het afgeven van haar bankpas en pincode 2000 tot 3000 euro kunnen verdienen. Zij heeft vervolgens op 11 mei 2020 haar pas, pincode en inloggegevens voor internetbankieren afgegeven aan een jongen die aangaf dat hij was gestuurd door [gebruikersnaam 2] . Zij kreeg vervolgens een bericht van [gebruikersnaam 2] dat zij een aantal dagen geen gebruik kon maken van haar internetbankieren. [benadeelde 2] kreeg op 12 mei 2020 het bericht dat er € 777,- is overgeboekt van haar spaarrekening naar haar betaalrekening. Ook kreeg ze een melding dat de pinlimiet van haar betaalrekening was verhoogd en diezelfde middag is er rond 18:51 uur bij een pinautomaat aan het Stadhuis-plein 6 te Rotterdam € 770,- euro van haar rekening opgenomen. Toen zij vervolgens haar bankpas terugvroeg, zou ze die alleen maar terugkrijgen als ze een rekening zou openen bij de [bank 2] , hetgeen [benadeelde 2] heeft geweigerd.
Uit de aangifte van de [bank 1] met betrekking tot [benadeelde 2] blijkt dat er is gepoogd om een bedrag van € 10.700,- over te boeken van Onderneming [benadeelde 14] . Nu er verder geen onderzoek is verricht naar deze transactie zal de rechtbank verdachte partieel vrijspreken van de onder feit 4 ten laste gelegde computervredebreuk ten aanzien van [benadeelde 14] .
Uit de bewijsmiddelen blijkt verder het volgende. Op 11 mei 2020 zijn twee nieuwe toestellen gekoppeld aan de internetbankieromgeving van [benadeelde 2] . Deze toestellen werden gekoppeld vanaf het IP-adres van de toenmalige woning van [medeverdachte 1] , die bij de rechter-commissaris ook heeft verklaard dat hij verantwoordelijk was voor de oplichting vanaf het Snapchataccount “ [gebruikersnaam 2] ”. Op 11 mei 2020 om 19:41 werd geprobeerd de paslimiet van de betaalrekening van [benadeelde 2] te verhogen naar € 10.000,-. Dit verzoek werd echter afgewezen, omdat er reeds een aanvraag voor het verhogen van de pinlimiet was goedgekeurd vanaf een device wat was gekoppeld vanaf de woning van [medeverdachte 2] . Vanaf dat IP-adres is op 11 mei 2020 en 12 mei 2020 meermalen ingelogd op de [bank 1] App op naam van [benadeelde 2] . Op de iPhone 11 die onder [medeverdachte 2] in beslag is genomen zijn ook een aantal foto’s aangetroffen waarop te zien is dat er was ingelogd in de [bank 1] App op naam van [benadeelde 2] . Deze foto’s zijn aangemaakt 18 seconden na het inloggen in de bankomgeving van [benadeelde 2] op 12 mei 2020. De pintransacties zijn verricht bij een pinautomaat, gelegen op ca. 750 meter van de woning van [medeverdachte 2] .
Vanaf 13 mei 2020 wordt er ingelogd met een IP adres wat toebehoort aan het [hotel] in Rotterdam, waar verdachten [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 3] op dat moment samen verbleven.
In de iPhone XR van [verdachte] zijn meerdere video’s en foto’s gemaakt waaruit blijkt dat zij ook daadwerkelijk samen waren op dat moment en dat er laptops en bankpassen op het bed lagen. Ook is er met de iPhone XR van [verdachte] een foto gemaakt waarbij [medeverdachte 3] een grote stapel bankbiljetten aan zijn oor houdt. Op 13 mei 2020 stuurt [medeverdachte 3] meerdere berichten dat hij in een hotel aan het werk is samen met verdachten [medeverdachte 1] en [verdachte] . Op basis hiervan heeft de rechtbank de overtuiging dat verdachten [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 3] niet alleen maar samen aan het chillen waren, maar ook betrokken waren bij de oplichtingen zoals ten laste gelegd.
Gelet op de voornoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het verkrijgen/ voorhanden hebben van de bankgegevens, bestemd tot het plegen van een misdrijf, en het medeplegen van de diefstal door middel van een valse sleutel ten aanzien van [benadeelde 2] (feit 3 subsidiair en feit 6).
Zaak 3B [benadeelde 9] (WhatsApp-fraude)
Op 14 mei 2020 is mevrouw [benadeelde 9] benaderd door een persoon die zich uitgaf als haar dochter. Zij zou een nieuw telefoonnummer hebben en in geldnood zitten. Zij werd door de oplichter overgehaald om € 3.500,- over te maken naar [rekeningnummer 2] ten name van money mule [benadeelde 15] . Hij was op 12 mei 2020 in contact gekomen met “ [gebruikersnaam 3] ” die hem had toegezegd dat hij een beloning zou krijgen als hij via sponsoren geld op zijn rekening zou laten storten. Nadat [benadeelde 6] hiermee heeft ingestemd, is diezelfde avond zijn bankpas van rekening [rekeningnummer 2] opgehaald in zijn woonplaats [plaats 1] . Zijn pincode en inloggegevens heeft hij doorgegeven via Snapchat aan [gebruikersnaam 3] . Op 14 mei 2020 zag hij rond 16.30 uur een bedrag van € 3.500,-, afkomstig van [benadeelde 9] binnenkomen op zijn rekening. Deze overboeking is uiteindelijk tegengehouden door de [bank 1] omdat dit werd gemarkeerd als vermoedelijk frauduleus.
[medeverdachte 1] heeft aangegeven dat hij verantwoordelijk was voor de fraude met voornoemd Snapchataccount. Verder is gebleken dat verdachten [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 3] ten tijde van het verkrijgen van de bankpas van [benadeelde 6] , namelijk op 12 en 13 mei 2020 samen verbleven in het [hotel] in Rotterdam. Zoals hiervoor overwogen heeft de rechtbank de overtuiging dat [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 3] niet alleen maar samen aan het chillen waren, maar ook betrokken waren bij de oplichtingen zoals ten laste gelegd.
In de telefoon van [medeverdachte 2] is het telefoonnummer van [belanghebbende] opgeslagen met de afbeelding van een leeuw, gelijkend op die van de [bank 1] en zijn ook WhatsAppgesprekken aangetroffen die zien op vriend in noodfraude. Verder blijkt uit de bewijsmiddelen dat op 14 en 15 mei 2020 15 keer is ingelogd in de bankomgeving van [benadeelde 12] met het IP-adres van de woning van [medeverdachte 2] . Het eerste inlogmoment is vier minuten nadat aangeefster [benadeelde 9] het geld had overgemaakt op de rekening van [benadeelde 12] .
Gelet op de voornoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het verkrijgen/ voorhanden hebben van de bankgegevens, bestemd tot het plegen van een misdrijf, en het medeplegen van de computervredebreuk (feit 3 subsidiair en feit 4) door in te loggen op de bankomgeving van [benadeelde 16] , alsmede het medeplegen van oplichting ten aanzien van [benadeelde 9] (feit 5).
Zaak 3C [benadeelde 17] (bankhelpdeskfraude)
Uit de aangifte van [benadeelde 17] blijkt dat zij op 15 mei 2020 slachtoffer is geworden van bankhelpdeskfraude, gepleegd conform de hiervoor beschreven modus operandi. Zij werd gebeld door meneer [naam 2] van de [bank 1] . Deze nep- [bank 1] Bankmedewerker verwees naar een transactie die [benadeelde 17] de dag ervoor had gedaan, gaf aan dat haar geld niet langer veilig was en dat het geld moest worden overgeboekt naar een depositorekening. Meneer [naam 2] heeft haar geholpen bij dit proces, waarbij [benadeelde 17] veel codes in moest voeren. Later zag zij op haar bankafschrift dat er eerst twee overboekingen van haar spaarrekening (totaal € 20.071,31) naar haar betaalrekening hadden plaatsgevonden.
Hierna vonden twee afschrijvingen van haar betaalrekening [rekeningnummer 3] plaats, onder meer € 9.970,19 naar IBAN: [rekeningnummer 4] op naam van [naam 3] . Zij heeft verklaard dat zij haar bankpas afstond aan haar broer, [belanghebbende] . Dit was niet vreemd omdat dit wel vaker gebeurd binnen haar familie. Haar broer heeft vervolgens deze bankpas en de inlogcodes op 14 mei 2020 afgestaan aan “ [gebruikersnaam 2] ”. Dit was de persoon met wie hij contact had via Snapchat. Op 14 november 2024 om 14:50 uur werd de pinlimiet van [benadeelde 6] verhoogd tot € 10.000,-. Diezelfde avond om 22:19 uur wordt een iPhone met de naam: [naam iPhone] aan haar digitale bankomgeving gekoppeld. Dit is de devicenaam van de iPhone 12 Pro Max die onder [medeverdachte 1] in beslag is genomen. Op 15 mei 2020 om 13:02 uur wordt er een fotobestand ontvangen op de rode iPhone XR van [verdachte] waarop is te zien dat er is ingelogd op de online bankomgeving van [benadeelde 6] en dat voornoemd bedrag van [benadeelde 17] op die rekening is bijgeschreven. Dit screenshot had als weergavetijd 12.38 uur. Uit de bankafschriften blijkt dat het bedrag van [benadeelde 17] eveneens op 15 mei 2020 om 12:38 uur op de rekening van [benadeelde 6] werd gestort. Vervolgens werd dit bedrag in de periode van 12.39 uur en 12.43 uur in zijn geheel opgenomen bij een pinautomaat, gelegen op 330 meter afstand van de toenmalige woning van [medeverdachte 1] aan de [adres] te [plaats 2] . Om 19.37 uur wordt er een fotobestand aangemaakt op de telefoon van [verdachte] waarop een persoon is afgebeeld die een stapel bankbiljetten vasthoudt. Op die foto is een gele stof te zien wat vermoedelijk kleding betreft. In een videobestand wat op 21.28 uur is aangemaakt op de telefoon van [verdachte] wordt gezien dat [verdachte] op dat moment een geel vest draagt. Die kleur komt overeen met de stof als die te zien is op voornoemde foto.
Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het verkrijgen/voorhanden hebben van de bankgegevens, bestemd tot het plegen van een misdrijf, en het medeplegen van computervredebreuk ten aanzien van de bankomgeving van [benadeelde 6] (feit 3 subsidiair en feit 4), alsmede het medeplegen van oplichting ten aanzien van [benadeelde 17] (feit 2).
Zaak 4A [benadeelde 18] en/of [B.V. 1] . en/of [B.V. 2] (bankhelpdeskfraude)
Op 5 december 2020 werden de bedrijven van [benadeelde 18] , te weten [B.V. 1] en [B.V. 2] .nl voor een bedrag van € 47.809,87 opgelicht volgens voornoemde modus operandi. Een vrouw die zich voordeed als bankmedewerkster gaf aan dat er vanuit Ghana was geprobeerd om geld van de zakelijke rekening af te schrijven. [benadeelde 18] heeft vervolgens op aanraden van de nepbankmedewerkster voornoemd bedrag overgemaakt vanaf zijn twee zakelijke [bank 2] -bankrekeningen naar vijf bankrekeningen. Deze bankrekeningen betroffen onder andere de volgende:
[rekeningnummer 5] t.n.v. [benadeelde 8]
[rekeningnummer 6] t.n.v. [benadeelde 3]
Naar aanleiding van deze oplichting heeft de [bank 1] -bank een onderzoek ingesteld en heeft in dat kader contact gehad met [benadeelde 3] . [benadeelde 3] gaf aan dat hij via Snapchat in contact is gekomen met een persoon die zich “ [gebruikersnaam 3] ” noemde. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij verantwoordelijk was voor dit account. Hij is voor dit feit ook al veroordeeld door de rechtbank in Den Haag. [benadeelde 3] kreeg de pitch te zien en zou 45% van het bedrag wat op zijn rekening gestort zou worden voor zichzelf houden.
Op 5 december 2020 om 17.45 uur werd vanaf de rekening van [B.V. 1] . € 9.801,33 overgeboekt naar de rekening van [benadeelde 3] . Om 18.04 uur diezelfde dag werd vanaf de rekening van [benadeelde 3] € 9.799,- door geboekt naar een andere rekening van [benadeelde 3] . Vanaf die rekening werd vervolgens tussen 18.13 uur en 18.17 uur het hele bedrag in vier pintransacties opgenomen bij een geldautomaat te Arnhem. Uit de inloggegevens op de bankrekening van [benadeelde 3] is gebleken dat er op 6 december 2020 om 01.05 uur en om 01.14 uur werd ingelogd vanaf het IP adres wat was gekoppeld aan het adres van [verdachte] .
In de iPhone 12 van [medeverdachte 1] zijn op 5 december 2020 screenshots aangemaakt waarin een Snapchatgesprek te zien is met [gebruikersnaam 5] . Op die screenshots is een afbeelding te zien waarop een bijschrijving is te zien van € 9.801,33 van [B.V. 1] . Daarnaast is er met de telefoon op 6 december 2020 een videobestand aangemaakt waarin de bankomgeving van [benadeelde 3] te zien is.
Er is tevens een geldbedrag overgeschreven naar de rekening van [benadeelde 8] . Op zijn rekening werd op 5 december om 17.51 uur € 8.604,55 bijgeschreven vanaf de rekening van [B.V. 1] . [benadeelde 8] heeft op 11 december 2020 aangifte gedaan van het verlies van zijn tas met pinpas en een briefje met de pincode. Nadat hij op 5 december 2020 voornoemde overschrijving zag, heeft hij via de bank zijn rekening laten blokkeren.
In de iPhone 11 van [medeverdachte 2] zijn afbeeldingen aangetroffen waarop de bankomgevingen van [benadeelde 3] en [benadeelde 8] zichtbaar waren.
Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het verkrijgen/voorhanden hebben van de bankgegevens van [benadeelde 3] , bestemd tot het plegen van een misdrijf (feit 3 subsidiair), medeplegen van computervredebreuk waarbij is ingelogd op de bankomgeving van [benadeelde 3] en [benadeelde 8] (feit 4), alsmede het medeplegen van oplichting ten aanzien van [benadeelde 18] (feit 2).
Zaak 6 [benadeelde 11] (WhatsApp-fraude)
[benadeelde 4] heeft verklaard dat zij na een promofilmpje van [medeverdachte 4] (account [gebruikersnaam 6] ) in contact is gekomen met [gebruikersnaam 3] (accountnaam: [gebruikersnaam 1] ). Nadat zij de pitch toegestuurd had gekregen heeft zij op 5 maart 2020 haar bankpas en creditcard afgestaan. Vervolgens heeft zij haar inloggegevens voor de [bank 1] -app en beide pincodes doorgegeven aan [gebruikersnaam 3] . De dag erna zag zij dat er geld van haar spaarrekening naar haar betaalrekening was overgeboekt en dat er een bedrag van € 3.650,- was gestort op haar rekening, afkomstig van [rekeningnummer 7] ten name van [benadeelde 11] . Op 6 maart 2020 is er vanaf een geldautomaat te Rotterdam € 3.680 euro gepind van de betaalrekening van [benadeelde 4] . Dit betrof voornoemd bedrag, afkomstig van [benadeelde 11] en € 30,- eigen geld van [benadeelde 4] . [verdachte] is door de politie op de beelden herkend als pinner. Op de iPhone XS van [verdachte] bleek het telefoonnummer van aangever [benadeelde 4] opgeslagen als contact en het telefoonnummer waar [benadeelde 4] contact mee had (het nummer van ” [gebruikersnaam 3] ”), stond in zijn telefoon opgeslagen onder de naam “bedrijf”.
Gelet op voornoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het verkrijgen/voorhanden hebben van de bankgegevens van [benadeelde 4] , bestemd tot het plegen van een misdrijf (feit 3 subsidiair), alsmede het medeplegen van oplichting ten aanzien van [benadeelde 11] (feit 5).
Zaak 8 [benadeelde 7] (bankhelpdeskfraude)
Aangeefster [benadeelde 7] wordt op 4 januari 2022 in de avond gebeld door een vrouwelijke nepbankmedewerker van de [bank 3] . Zij wordt, via dezelfde modus operandi zoals hiervoor uiteengezet, opgelicht voor een bedrag van € 4.000,-. Dit bedrag is terecht gekomen op de bankrekening van money mule [benadeelde 5] . Er lijkt vanaf de bankrekening van [benadeelde 5] een betaalverzoek gestuurd te zijn, wat vanaf de bankrekening van [benadeelde 7] is voldaan.
Bij de doorzoeking in de woning van [verdachte] is de bankpas van [benadeelde 5] aangetroffen. Op de iPhone XS die tijdens de doorzoeking op het nachtkastje van [verdachte] is aangetroffen, zijn screenshots van de bankomgeving van [benadeelde 5] aangetroffen, alsmede WhatsApp-berichten tussen [benadeelde 5] en een persoon met weergave naam “company”, waarbij er onder meer een betaalverzoek is gemaakt ten bedrage van € 4.000,-. Ook is gebleken dat op 30 en 31 december 2021 in totaal 5 keer is ingelogd vanaf de woning van [verdachte] .
Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van computervredebreuk (feit 4) . Daarnaast acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het verkrijgen/voorhanden hebben van de bankgegevens van [benadeelde 5] , bestemd tot het plegen van een misdrijf (feit 3 subsidiair), alsook het medeplegen van oplichting ten aanzien van [benadeelde 7] (feit 2).
Feit 7
De verdachte wordt primair ten laste gelegd dat hij -kort gezegd- in de periode van 29 april 2020 tot en met 31 maart 2021 tezamen en in vereniging met (een) ander(en) meerdere geldbedragen heeft witgewassen.
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan witwassen van meerdere geldbedragen. Voor het witgewassen geld zijn grondmisdrijven aan te wijzen, namelijk de in dit vonnis bewezen geachte bankhelpdeskfraude ( [benadeelde 13] , [benadeelde 17] , [benadeelde 18] en/of [B.V. 1] . en/of [B.V. 2] ) en WhatsApp-fraude ( [benadeelde 10] , [benadeelde 11] ), betreffende de volgende geldbedragen:
- € 985,- [benadeelde 10] (zaak 2);
- € 3.300,- [benadeelde 13] (zaak 2);
- € 9.970,- [benadeelde 17] (zaak 3C);
- € 39.390,- [benadeelde 18] / [B.V. 1] ./ [B.V. 2] (zaak 4A);
- € 3.650,- [benadeelde 11] (zaak 6).
In totaal gaat het om een bedrag van € 57.295,-.
Dit geldbedrag is afkomstig uit de hiervoor vermelde bankhelpdeskfraude en WhatsApp-fraude waarvoor verdachte wordt veroordeeld, dus uit eigen misdrijf. De geldbedragen zijn in verschillende transacties over rekeningen op naam van anderen dan verdachte weggesluisd. Daarmee is sprake van verhullingshandelingen ten aanzien van de rechthebbende.
Zoals hiervoor overwogen is er ten aanzien van de bankhelpdeskfraude sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking en dus van medeplegen. Ook ten aanzien van de WhatsApp fraude aangaande [benadeelde 10] en [benadeelde 11] acht de rechtbank bewezen dat er sprake is van medeplegen. Daarmee acht de rechtbank ook het ten laste gelegde medeplegen van witwassen wettig en overtuigend bewezen.
Feit 8
De verdachte wordt ten laste gelegd dat hij -kort gezegd- op 22 maart 2022 tezamen en in vereniging met (een) ander(en) soft- en harddrugs voorhanden heeft gehad.
Aangezien verdachte ten aanzien van dit feit een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:
- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd bij de politie op 2 mei 2022, pagina
C-3643 en verder;
- proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 oktober 2022, pagina C-3643 en verder;
- proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 juli 2022, pagina C-3650 en verder;
- proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 april 2022, pagina C-3663 en verder;
- proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 april 2022, pagina C-3666 en verder.
De rechtbank zal verdachte partieel vrijspreken van het onderdeel medeplegen, omdat het dossier hiervoor onvoldoende bewijs bevat.