4.3
Het oordeel van de rechtbank
Op grond van het dossier en het onderzoek ter zitting, gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Verdachte is autohandelaar en heeft een Mercedes AMG online te koop gezet voor een bedrag van € 47.950,-. Op de factuur staat omschreven dat de auto voor een bedrag van € 19.500,- is verkocht aan [naam 1] , met de vermelding dat de auto waterschade en een defecte motorbak heeft, en dat deze laatste niet loopt. De zoon van [naam 1] , [naam 2] , wordt in het dossier in verband gebracht met meerdere oplichtingen en het veelvuldig witwassen van crimineel geld.
De kern van het verwijt dat aan verdachte wordt gemaakt, is dat hij de Mercedes AMG niet aan [naam 1] heeft verkocht, maar aan diens zoon [naam 2] , bovendien voor een hoger bedrag dan hij in zijn boekhouding heeft verwerkt en op de verkoopfactuur heeft vermeld. Daarmee zou hij een valse factuur hebben opgemaakt, de meldingsgrens voor ongebruikelijke transacties (€ 20.000,-) hebben ontdoken, en de auto – en daarmee ook het aankoopbedrag – samen met [naam 2] hebben witgewassen.
De rechtbank is van oordeel dat het dossier meerdere aanwijzingen bevat dat de hiervoor genoemde verwijten mogelijk kloppen. Daarvoor wordt onder meer verwezen naar het grote verschil tussen het geadverteerde bedrag van € 47.950,- en het vermeende verkoopbedrag van € 19.500,-. Ook valt op dat de forse schade aan de auto, waarvan volgens de verkoop-factuur sprake zou zijn, niet wordt genoemd in de online advertentie. Verder bevat de oorspronkelijke factuur een verkoopdatum die in de toekomst ligt, en heeft verdachte op verzoek van [naam 2] een aangepaste factuur opgesteld met een andere datum. Daarnaast blijkt uit chatgesprekken tussen verdachte en [naam 2] dat [naam 2] direct bij de aankoop van de auto is betrokken. [naam 2] is ook, ondanks de vermelde schade, vlak na de levering van de auto als bestuurder van die auto aangetroffen. Op de telefoon van de vader is bovendien een videobestand aangetroffen waarop is te zien dat [naam 2] de sleutels van de betreffende Mercedes AMG in ontvangst neemt bij de levering, waarbij zijn vader tegen hem zegt dat hij het verdient. Op een andere video is een handgeschreven briefje te zien waarop € 47.500,- staat vermeld.
Na bestudering van het dossier en hetgeen tijdens de zitting is besproken, constateert de rechtbank dat veel van de gang van zaken omtrent de (ver)koop van de Mercedes AMG onduidelijk is gebleven. Hoewel voor de rechtbank vast is komen te staan dat [naam 2] de feitelijke koper en gebruiker van de auto was, en dat hij de auto heeft betaald met geld dat van misdrijf afkomstig is, bevat het dossier onvoldoende bewijs dat verdachte dit wist of had moeten vermoeden.
Verder bevat het dossier onvoldoende concreet bewijs dat de auto voor een hoger bedrag is verkocht dan € 19.500,- en dat – in het verlengde daarvan – een melding van een ongebruikelijke transactie had moeten worden gedaan. Verdachte heeft verklaard dat de geadverteerde vraagprijs was gebaseerd op een gerepareerde auto, maar dat die prijs naar beneden is bijgesteld omdat de auto in de huidige staat werd gekocht. De rechtbank kan dit scenario niet uitsluiten. Het handgeschreven briefje met daarop het bedrag van € 47.500,- maakt dat niet anders, omdat er te veel onduidelijkheden blijven bestaan over de interpreta-tie van de inhoud en de strekking van dat briefje.
Hetzelfde geldt voor het aanpassen van de datum op de verkoopfactuur. De rechtbank kan niet uitsluiten dat verdachte in eerste instantie per ongeluk een verkeerde datum heeft vermeld. Eventuele slordigheden zijn onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen van het vereiste opzet op de valsheid. Daarin weegt ook mee dat de rechtbank geen belang heeft kunnen ontdekken voor het eventueel opzettelijk vermelden van een verkeerde datum, zodat het oogmerk om iemand te misleiden evenmin kan worden bewezen.
Voor wat betreft de onterecht vermelde schade op de factuur, geldt dat verdachte heeft verklaard dat hij dergelijke schade regelmatig – zoals ook in dit geval – in overeenstemming met de koper aandikt om toekomstige aansprakelijkheid uit te sluiten bij eventuele daadwerkelijke defecten aan de auto. Wat daar ook van zij, daarmee ontbreekt bewijs voor het vereiste oogmerk om iemand te misleiden.
Gelet op de bovenstaande overwegingen is naar het oordeel van de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte is ten laste gelegd, zodat verdachte van alle feiten zal worden vrijgesproken.