201210464/1/V1.
Datum uitspraak: 20 juni 2014
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 9 oktober 2012 in zaak nr. 12/16652 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel (hierna: de minister).
Procesverloop
Bij besluit van 8 november 2011 heeft de minister voor Immigratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om wijziging van de beperking van een aan hem verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen.
Bij besluit van 23 april 2012 heeft de minister het door de vreemdeling gemaakte bezwaar, voor zover gericht tegen de hoogte van de geheven leges, ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 9 oktober 2012 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan geheel in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Bij besluit van 26 november 2013 heeft de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie het besluit van 23 april 2012 ingetrokken.
Bij besluit van 9 december 2013 heeft de staatssecretaris het door de vreemdeling gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het legesbedrag verlaagd naar € 225,00 en bepaald dat aan de vreemdeling een bedrag van € 710,61 zal worden gerestitueerd. Dit besluit is aangehecht.
De vreemdeling heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.
2. Ambtshalve wordt als volgt overwogen. Nu het besluit van 23 april 2012 is ingetrokken, heeft de vreemdeling geen belang meer bij een beoordeling van het hoger beroep dat is gericht tegen de uitspraak op het tegen dat besluit ingestelde beroep. Hetgeen de vreemdeling als belang heeft gesteld, komt aan de orde bij de beoordeling van het beroep tegen het besluit van 9 december 2013.
3. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk.
4. Bij het besluit van 9 december 2013 heeft de staatssecretaris opnieuw op het door de vreemdeling gemaakte bezwaar beslist. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24 van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van die wet, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.
5. De vreemdeling heeft een aanvraag ingediend om wijziging van de beperking van een aan hem verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in "verblijf bij echtgenote S. Ghaddari". In verband hiermee heeft de staatssecretaris € 830,00 aan leges geheven. Bij het besluit van 9 december 2013 heeft de staatssecretaris onder verwijzing naar het in zijn brief van 28 november 2012 aan de voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken I, 2012/13, 31549, K) genoemde nieuwe legestarief van € 225,00 bepaald dat in verband met dit nieuwe tarief en met de vergoeding van de wettelijke rente aan de vreemdeling een bedrag van € 710,61 zal worden gerestitueerd.
5.1. De vreemdeling betoogt dat een legesheffing van € 225,00 in strijd is met richtlijn 2003/86/EG van de Raad van de Europese Unie van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging (PB 2003 L 251) en verwijst hiertoe naar het arrest van het Hof van Justitie van 26 april 2012, C-508/10, (www.curia.europa.eu). Volgens de vreemdeling volgt uit dit arrest dat een legesheffing van € 225,00 onevenredig is.
5.2. Uit de uitspraak van de Afdeling van 17 juni 2014 (in zaak nr. 201400377/1/V1) volgt dat dit betoogt dient te falen.
6. Het beroep is kennelijk ongegrond.
7. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II. verklaart het beroep tegen het besluit van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 9 december 2013 ongegrond;
III. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 487,00 (zegge: vierhonderdzevenentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
IV. gelast dat de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie aan de vreemdeling het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 232,00 (zegge: tweehonderdtweeëndertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.J.A. Idema, ambtenaar van staat.
w.g. Verheij w.g. Idema
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2014
512.