201404550/1/V3.
Datum uitspraak: 15 augustus 2014
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 28 mei 2014 in zaak nr. 14/11517 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 9 mei 2014 is de termijn van de aan de vreemdeling opgelegde bewaringsmaatregel verlengd met ten hoogste twaalf maanden (hierna: het verlengingsbesluit). Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 28 mei 2014 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en de vreemdeling schadevergoeding toegekend. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. In de enige grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij, bezien in het licht van de uitspraak van de Afdeling van 14 december 2012 in zaak nr. 201208906/1/V3, onvoldoende blijk ervan heeft gegeven de vreemdeling in de gelegenheid te hebben gesteld zijn bezwaren tegen het voornemen tot verlenging van de maatregel van bewaring met ten hoogste twaalf maanden (hierna: het voornemen) naar voren te brengen.
Hiertoe voert de staatssecretaris onder meer aan dat hij de vreemdeling tijdens het vertrekgesprek van 24 april 2014 heeft geïnformeerd omtrent de redenen van zijn voornemen en hij de vreemdeling vervolgens in de gelegenheid heeft gesteld zijn zienswijze op dit voornemen naar voren te brengen.
1.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de voornoemde uitspraak van 14 december 2012 volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van 18 december 2008 in zaak nr. C-349/07, Sopropé (ECLI:EU:C:2008:746) dat een bestuursorgaan alvorens jegens een bepaalde persoon een bezwarend besluit te nemen, die persoon gelegenheid moet geven daarover opmerkingen kenbaar te maken, hetgeen evenzeer is voorgeschreven in artikel 4:8 van de Awb.
Nu het verdedigingsbeginsel de staatssecretaris ertoe verplicht bij de totstandkoming van het besluit van 9 mei 2014 onder meer artikel 4:8 van de Awb in acht te nemen, houdt schending van dat artikel tevens een schending van het verdedigingsbeginsel in.
1.2. De staatssecretaris heeft de vreemdeling in het vertrekgesprek van 24 april 2014 geïnformeerd over zijn voornemen en de daaraan ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden. Nu de vreemdeling blijkens het verslag van het vertrekgesprek heeft aangevoerd dat zijn in Nederland verblijvende grootvader op sterven ligt, moet het ervoor worden gehouden dat de vreemdeling in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze op het voornemen naar voren te brengen. Van een schending van artikel 4:8 van de Awb is derhalve geen sprake en om die reden bestaat er geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris het verdedigingsbeginsel heeft geschonden. Reeds hierom slaagt de grief.
2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 9 mei 2014 in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, voor zover die gelet op hetgeen hiervoor is overwogen nog bespreking behoeven.
3. Ingevolge artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) kan, indien het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid zulks vordert, met het oog op de uitzetting, door onze minister in bewaring gesteld worden de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft.
Ingevolge het vijfde lid, voor zover thans van belang, duurt de bewaring krachtens het eerste lid niet langer dan zes maanden.
Ingevolge het zesde lid kan de in het vijfde lid bedoelde termijn ten hoogste met nog eens twaalf maanden worden verlengd, indien de uitzetting, alle redelijke inspanningen ten spijt, wellicht meer tijd zal vergen op grond dat de vreemdeling niet meewerkt aan zijn uitzetting of de daartoe benodigde documentatie uit derde landen nog ontbreekt.
4. Voor zover de vreemdeling heeft betoogd dat ten onrechte aan het verlengingsbesluit ten grondslag is gelegd dat hij niet meewerkt aan zijn uitzetting, behoeft deze beroepsgrond geen bespreking. De rechtbank heeft onbestreden geoordeeld dat de staatssecretaris aan het verlengingsbesluit ten grondslag heeft mogen leggen dat de uitzetting, alle redelijke inspanningen ten spijt, wellicht meer tijd zal vergen omdat de daartoe benodigde documentatie ontbreekt. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 28 augustus 2012 in zaak nr. 201207408/1/V3 kan deze grond het verlengingsbesluit zelfstandig dragen, nu verlenging van de duur van de maatregel ingevolge artikel 59, zesde lid, van de Vw 2000, mogelijk is indien aan één van de genoemde voorwaarden is voldaan.
5. De vreemdeling heeft voorts betoogd dat het zicht op uitzetting binnen een redelijk termijn ontbreekt.
5.1. Op 17 april 2014 is de vreemdeling bij de Surinaamse autoriteiten in persoon gepresenteerd. In het verlengingsbesluit staat dat de uitzetting wellicht meer tijd zal vergen, omdat de Surinaamse vertegenwoordiging op 17 april 2014 te kennen heeft gegeven dat de laissez passer aanvraag van de vreemdeling in behandeling is genomen. De staatssecretaris heeft laatstelijk op 8 mei 2014 gerappelleerd.
Onder deze omstandigheden bestaat geen grond voor het oordeel dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt.
De beroepsgrond faalt.
6. De vreemdeling heeft verder betoogd dat de staatssecretaris bij de belangenafweging voorafgaande aan het verlengingsbesluit ten onrechte niet heeft betrokken dat hij gehuwd is met een Nederlandse vrouw en drie Nederlandse kinderen heeft.
6.1. Zoals hiervoor onder 1.2. overwogen, moet het ervoor worden gehouden dat de vreemdeling in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze op het voornemen naar voren te brengen. Bij deze gelegenheid heeft de vreemdeling niet aangevoerd dat de staatssecretaris van het verlengingsbesluit moest afzien omdat hij is gehuwd met een Nederlandse vrouw en drie Nederlandse kinderen heeft. Nu hij dit voor het eerst in beroep heeft gedaan, kon de staatssecretaris deze omstandigheden niet bij de belangenafweging voorafgaande aan het verlengingsbesluit betrekken. Dat deze omstandigheden ook uit het dossier zouden blijken maakt dit niet anders, aangezien het aan de vreemdeling is aan te voeren waarom deze omstandigheden van belang zijn voor de vraag of van het verlengingsbesluit moet worden afgezien.
De beroepsgrond faalt.
7. Het beroep is ongegrond. Er is geen grond voor schadevergoeding.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 28 mei 2014 in zaak nr. 14/11517;
III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond;
IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, griffier.
w.g. Van der Spoel w.g. Van Meurs-Heuvel
voorzitter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 augustus 2014
47-750.