201507011/1/V6.
Datum uitspraak: 25 mei 2016
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend te Den Haag,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 7 augustus 2015 in zaak nr. 14/11604 in het geding tussen:
[appellante]
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.
Procesverloop
Bij besluit van 12 mei 2014 heeft het college het verzoek van [appellante] om ontheffing van de inburgeringsplicht (hierna: het verzoek) afgewezen.
Bij besluit van 3 december 2014 heeft het college het daartegen door [appellante] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 7 augustus 2015 heeft de rechtbank het daartegen door [appellante] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 maart 2016, waar [appellante], bijgestaan door mr. A. Motia, advocaat te Den Haag, en het college, vertegenwoordigd door mr. E.H. Buizert, werkzaam bij de dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten van de gemeente Den Haag, zijn verschenen.
De Afdeling heeft het college ter zitting krachtens artikel 8:45 van de Algemene wet bestuursrecht verzocht schriftelijke inlichtingen te geven. Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven voor het achterwege laten van verdere behandeling van de zaak ter zitting.
Het college heeft aan voormeld verzoek voldaan en [appellante] heeft een reactie ingediend.
De Afdeling heeft bepaald dat verdere behandeling van de zaak ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Inleiding
1. Het college heeft aan de handhaving van de afwijzing van het verzoek ten grondslag gelegd dat [appellante] niet heeft aangetoond blijvend niet in staat te zijn het inburgeringsexamen te behalen. Daarnaast is volgens het college niet komen vast te staan dat het voor [appellante] redelijkerwijs niet mogelijk is aan de inburgeringsplicht te voldoen.
Bevoegdheid
2. Omdat de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid met ingang van 1 januari 2013 bevoegd is op verzoeken om ontheffing van de inburgeringsplicht te beslissen, heeft de Afdeling het college gevraagd schriftelijk in te gaan op de vraag of het bevoegd was te beslissen op het verzoek, dat dateert van 3 december 2013. Uit de door het college gegeven inlichtingen volgt dat het ingevolge artikel X, tweede lid, van de Wijzigingswet Wet inburgering bevoegd was op het verzoek te beslissen.
Nieuwe beroepsgrond/nader argument
3. [appellante] heeft eerst in haar reactie op de door het college gegeven inlichtingen betoogd dat zij ingevolge artikel 5, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wet inburgering niet inburgeringsplichtig was, alsmede dat zij gelet op het aantal gevolgde lesuren voor ontheffing van de inburgeringsplicht in aanmerking komt. Hiermee heeft [appellante] haar beroepsgronden uitgebreid met een nieuwe, niet eerder aangedragen beroepsgrond en een nader argument ter staving van een eerder aangevoerde beroepsgrond. Gelet op het belang van een efficiƫnte geschilbeslechting alsmede de rechtszekerheid van de andere partij, kan in het licht van de goede procesorde niet worden aanvaard dat na de zitting bij de Afdeling nieuwe beroepsgronden en nadere argumenten worden aangevoerd die reeds eerder naar voren hadden kunnen worden gebracht. Dit betekent dat hetgeen [appellante] in dit opzicht aanvoert, buiten inhoudelijke bespreking blijft.
In het hoger beroep van [appellante]
4. [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het wegens het ontbreken van leervermogen voor haar redelijkerwijs niet mogelijk is aan de inburgeringsplicht te voldoen. [appellante] wijst daartoe op een e-mailbericht van 27 juni 2012 van [praktijkcoach] (hierna: [praktijkcoach] ) , haar praktijkcoach bij opleidingsinstelling Capabel Taal, waaruit volgens haar volgt dat zij het inburgeringsexamen nooit zal kunnen behalen.
4.1. Op dit geding is de Wet inburgering van toepassing zoals deze wet luidde tot 1 januari 2013.
Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wet inburgering verleent het college ontheffing van de inburgeringsplicht indien het college op grond van door de inburgeringsplichtige aantoonbaar geleverde inspanningen tot het oordeel komt dat het voor hem redelijkerwijs niet mogelijk is het inburgeringsexamen te behalen.
Uit de geschiedenis van de totstandkoming van het Besluit inburgering (nota van toelichting, blz. 138-139; Stb. 2006, 645) volgt dat het college bij beantwoording van de vraag of betrokkene redelijkerwijs niet in staat is het inburgeringsexamen te behalen, betekenis kan toekennen aan het feit dat betrokkene een verklaring heeft overgelegd van een instelling of deskundige, waarin te kennen wordt gegeven dat hij het leervermogen ontbeert om het inburgeringsexamen te behalen.
4.2. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het e-mailbericht van [praktijkcoach] geen grond biedt voor het oordeel dat het voor [appellante] redelijkerwijs niet mogelijk is aan de inburgeringsplicht te voldoen. Daartoe is van belang dat uit dat e-mailbericht blijkt dat [praktijkcoach] pas sinds kort de praktijkcoach van [appellante] is. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, moet zijn inschatting van het niveau van [appellante] in dat licht worden bezien. Daar komt bij dat de inschatting van [praktijkcoach] betrekking heeft op het niveau van [appellante] ten tijde van het schrijven en niet over haar te verwachten eindniveau. Bovendien is deze inschatting, die behelst dat [praktijkcoach] niet verwacht dat [appellante] een herexamen succesvol zal afleggen, in het geheel niet gemotiveerd. Daaruit valt derhalve niet af te leiden dat het door hem ingeschatte niveau van [appellante] het gevolg is van een gebrek aan leervermogen.
[appellante] heeft, buiten voormeld e-mailbericht van haar praktijkcoach, geen verklaring over haar leervermogen overgelegd. Voorts is niet in geschil dat zij slechts eenmaal heeft deelgenomen aan het inburgeringsexamen, dat zij niet heeft verzocht om een herkansing en dat zij, na gezakt te zijn, geen inspanningen heeft verricht om alsnog aan haar inburgeringsplicht te voldoen. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat [appellante] zich niet met succes kan beroepen op artikel 31, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wet inburgering.
Het betoog faalt.
5. [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op haar betoog dat de haar opgelegde inburgeringsplicht in strijd is met artikel 17 van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko betreffende de aanwerving en de tewerkstelling van Marokkaanse werknemers in Nederland (Trb. 1969, 87; hierna: de Overeenkomst tussen Nederland en Marokko), artikel 65 van de Euro-Mediterrane Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en haar Lid-Staten, enerzijds, en het Koninkrijk Marokko, anderzijds, (PB 2000 L70; hierna: de Associatieovereenkomst met Marokko), Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen (PB 2004 L 16; hierna: de Richtlijn) en artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM).
5.1. De klacht is terecht voorgedragen, maar leidt, gelet op het volgende, niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.
5.2. Ingevolge artikel 5, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wet inburgering is niet inburgeringsplichtig de persoon die anderszins op grond van bepalingen van verdragen of besluiten van volkenrechtelijke organisaties geen inburgeringsplicht als bedoeld in artikel 7 kan worden opgelegd.
5.3. Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Overeenkomst tussen Nederland en Marokko kunnen Marokkaanse werknemers die in Nederland werkzaam en gevestigd zijn zich door hun gezin doen volgen vanaf het ogenblik waarop zij gedurende twee jaar hebben gewerkt en op voorwaarde dat zij beschikken over een door de Nederlandse autoriteiten als normaal beschouwde huisvesting voor hen en hun gezin. Het gezin bestaat uit de echtgenote en de minderjarige te zijnen laste komende kinderen.
Het betoog van [appellante] dat de haar opgelegde inburgeringsplicht in strijd is met deze bepaling, nu daaruit volgt dat voor gezinshereniging slechts is vereist dat de betrokken werknemer gedurende twee jaar in Nederland heeft gewerkt, faalt reeds omdat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij een gezinslid is van een Marokkaanse werknemer die in het kader van de Overeenkomst tussen Nederland en Marokko in Nederland werkzaam en gevestigd is. [appellante] heeft dus niet aannemelijk gemaakt dat zij onder de werkingssfeer van de Overeenkomst tussen Nederland en Marokko valt.
5.4. Ter staving van haar beroep op de Associatieovereenkomst met Marokko heeft [appellante] verwezen naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (hierna: de CRvB) van 16 augustus 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR4701, waarin de CRvB heeft geoordeeld dat het opleggen van de inburgeringsplicht aan Turkse staatsburgers in strijd is met de verplichting tot gelijke behandeling van Turkse staatsburgers en EU-burgers en de zogeheten standstill-bepalingen, neergelegd in artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol bij de Associatieovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Turkije en artikel 13 van besluit nr. 1/80 betreffende de ontwikkeling van de Associatie. Nu deze uitspraak geen betrekking heeft op de Associatieovereenkomst met Marokko, valt daaruit niet af te leiden dat de aan [appellante] opgelegde inburgeringsplicht daarmee in strijd is. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de Associatieovereenkomst met Marokko geen standstill-bepalingen bevat en de daarin opgenomen bepalingen met betrekking tot Marokkaanse werknemers zijn toegespitst op arbeidsvoorwaarden en sociale zekerheid. [appellante] kan zich derhalve niet met succes beroepen op de Associatieovereenkomst met Marokko.
5.5. Ingevolge artikel 1 van de Vreemdelingenwet 2000 wordt onder langdurig ingezetene verstaan een houder van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen als bedoeld in de Richtlijn dan wel van een door een andere lidstaat van de Europese Unie op grond van de Richtlijn afgegeven EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen. Nu niet in geschil is dat [appellante] ten tijde van belang niet over een dergelijke verblijfsvergunning beschikte, is zij geen langdurig ingezetene. Reeds hierom faalt het betoog van [appellante] dat de haar opgelegde inburgeringsplicht in strijd is met de Richtlijn.
5.6. [appellante] heeft aan haar beroep op artikel 8 van het EVRM ten slotte ten grondslag gelegd dat het niet behalen van het inburgeringsexamen kan worden gesanctioneerd met een bestuurlijke boete, hetgeen volgens haar leidt tot verstoring van de gezinsharmonie. Reeds omdat een zodanige boete niet bij het bestreden besluit aan [appellante] is opgelegd en het college bij besluit van 30 oktober 2014 aan [appellante] te kennen heeft gegeven daarvan af te zien onder verlenging van de inburgeringsperiode, faalt dit betoog.
Conclusie
6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd, zij het met verbetering van de gronden waarop deze rust.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. G.M.H. Hoogvliet en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.V.T.K. Oei, griffier.
w.g. Lubberdink w.g. Oei
voorzitter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2016
670.