201705724/1/V2.
Datum uitspraak: 13 december 2017
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:
1. de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
2. [de vreemdeling],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 10 juli 2017 in zaak nr. NL17.2982 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 9 juni 2017 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 10 juli 2017 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.
Tegen deze uitspraak hebben de staatssecretaris en de vreemdeling hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. I. Wudka, advocaat te Maastricht, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Hetgeen de vreemdeling in het hogerberoepschrift aanvoert en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.
2. Het hoger beroep van de vreemdeling is kennelijk ongegrond.
3. In de enige grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij het besluit ondeugdelijk heeft gemotiveerd. De staatssecretaris betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het in de eerste plaats aan de vreemdeling is om aannemelijk te maken dat hij bij terugkeer naar Ethiopië een gegronde vrees heeft voor vervolging, dan wel een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.
3.1. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling is het aan de vreemdeling om de aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden aannemelijk te maken, en niet aan de staatssecretaris om het tegendeel aannemelijk te maken (zie onder meer de uitspraak van 2 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3659). De staatssecretaris betoogt terecht dat de rechtbank, door te overwegen dat het op zijn weg ligt te onderbouwen dat de situatie in Ethiopië - ondanks het feit dat daar in oktober 2016 de noodtoestand is uitgeroepen - niet is gewijzigd, voormeld uitgangspunt niet heeft onderkend. De grief is terecht voorgedragen, maar kan niet tot het daarmee beoogde resultaat leiden, gelet op het volgende.
4. De staatssecretaris heeft zich op het standpunt gesteld dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij door de uitgeroepen noodtoestand als kritisch journalist in Ethiopië een gevaar loopt. De vreemdeling heeft betoogd dat de staatssecretaris dit standpunt ondeugdelijk heeft gemotiveerd. Volgens de vreemdeling heeft de staatssecretaris de door hem overgelegde bronnen, waaronder een rapport van Human Rights Watch van januari 2017 en een artikel van de Committee to Protect Journalists van 24 oktober 2016, onvoldoende kenbaar bij zijn besluitvorming betrokken.
4.1. De staatssecretaris heeft zich op het standpunt gesteld dat de uitgeroepen noodtoestand een nieuw feit of veranderde omstandigheid is, maar dat de door de vreemdeling overgelegde stukken niet op hem persoonlijk zien en dat hij daarom niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een gegronde vrees heeft voor vervolging, dan wel een risico loopt als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. De vreemdeling betoogt terecht dat, mede gelet op de omstandigheid dat de staatssecretaris het geloofwaardig acht dat hij kritisch journalist is, de staatssecretaris zijn standpunt onvoldoende heeft gemotiveerd. Uit de stukken volgt immers onder meer dat de Ethiopische autoriteiten met het uitroepen van de noodtoestand vergaande restricties op de journalistiek in Ethiopië hebben afgekondigd. De staatssecretaris is op die informatie in het besluit niet ingegaan.
De grief faalt.
5. Het hoger beroep van de staatssecretaris is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust.
6. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. veroordeelt de staatssecretaris tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 495,00 (zegge: vierhonderdvijfennegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. J.Th.Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.
w.g. Verheij w.g. Van Loon
voorzitter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 13 december 2017
284-806.