Appellant exploiteerde ten tijde van belang te [plaats 2] een Chinees restaurantbedrijf onder de naam “[restaurant]”. Appellant is op 10 januari 2012 in staat van faillissement verklaard. Het faillissement is inmiddels opgeheven.
Het levensmiddelenbedrijf van appellant is op 22 juli 2009, 21 oktober 2009 en
19 februari 2010 gecontroleerd op naleving van de hygiënevoorschriften. Tijdens die inspecties hebben de controleurs van NVWA waargenomen dat bedrijfsruimten, te weten de keuken en het magazijn, niet schoon waren en niet in goed onderhouden staat verkeerden en/of dat het schoonmaken van artikelen, uitrustingsstukken en apparatuur die met voedsel in aanraking komen, niet frequent genoeg plaatsvond. Geconstateerd werd dat appellant artikel 2, eerste lid, van het Warenwetbesluit in verbinding met artikel 4, tweede lid, van Verordening 852/2004 en bijlage II, hoofdstuk I, punt 1, en/of hoofdstuk V, punt 1, aanhef en onder a, van die verordening heeft overtreden. De inspecties resulteerden telkens in een boeterapport en het opleggen van een boete.
Het constateren van opeenvolgende overtredingen van de hygiënevoorschriften binnen een tijdsbestek van een jaar is voor NVWA aanleiding geweest het bedrijf van appellant te selecteren voor het project “Hard waar het moet”. Dit project heeft tot doel door middel van een gerichte, op maat gesneden handhaving de naleving van de wet- en regelgeving op het gebied van voedselveiligheid te bevorderen en is gericht op structurele verbetering of, indien de verbetering niet wordt ingezet, stopzetting van het betreffende bedrijf.
In het kader van deze aanpak zijn op 8 april 2010 en 4 mei 2010 inspecties uitgevoerd in het bedrijf van appellant. Ook deze inspecties resulteerden telkens in een boeterapport en het opleggen van een boete, omdat de keuken en het magazijn niet schoon waren en niet in goed onderhouden staat verkeerden en het schoonmaken van artikelen, uitrustingsstukken en apparatuur die met voedsel in aanraking komen niet frequent genoeg plaatsvond.
Een gesprek met appellant in het kader van voornoemde aanpak heeft plaatsgevonden op 27 mei 2010. Tijdens dit gesprek is aan appellant een besluit van diezelfde datum uitgereikt, waarin de Inspecteur-Generaal van de Voedsel en Waren Autoriteit namens de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit appellant heeft opgedragen onmiddellijk ten minste een zestal nader beschreven maatregelen te nemen ter bevordering van de hygiëne van levensmiddelen. Voorts is appellant in dit besluit ervoor gewaarschuwd dat tot sluiting van de betreffende bedrijfsruimten zal worden overgegaan als hij niet aan de opdracht voldoet. Verder is hem meegedeeld dat na een periode van veertien dagen na de uitreiking van dit besluit er opnieuw een inspectie zal plaatsvinden om op de uitvoering van de opdrachten toe te zien.
Vervolgens is op 10 juni 2010 een nieuwe inspectie uitgevoerd. Appellant bleek niet te hebben voldaan aan de opdracht de bedrijfsruimten, apparatuur en materialen schoon te maken. Naar aanleiding hiervan heeft (de Inspecteur-Generaal van de Voedsel en Waren Autoriteit namens) de minister bij besluit van 15 juni 2010 op grond van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, sub 5, van het Warenwetbesluit appellant gelast zijn bedrijfsruimten (de keuken en het magazijn) onmiddellijk te sluiten en gesloten te houden totdat gebleken is dat de bedrijfsvoering in die ruimten in overeenstemming is gebracht met de wettelijke regels. Ter verzekering dat appellant de aangewezen ruimten daadwerkelijk sluit en gesloten houdt, heeft de minister met toepassing van artikel 32 van de Warenwet in samenhang met artikel 5:32 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bepaald dat appellant een dwangsom van € 5.000 verbeurt voor elke dag waarop wordt geconstateerd dat de last niet is uitgevoerd totdat een maximum van € 50.000 zal zijn bereikt.
Op 17 juni 2010 heeft een herinspectie plaatsgevonden, waarna appellant de bedrijfsruimten weer mocht openen.