In beroepsgrond B betwist Tele2 de hoogte van de additionele servicekosten voor MDF Pair Bonding, zoals door KPN berekend. Met name heeft Tele2 haar twijfels over de verwachting van KPN dat 95% van de storingen bij MDF Pair Bonding ondergronds moet worden opgelost. De gegevens die voor de berekening van de servicekosten bepalend zijn, bevinden zich voor een belangrijk deel in de door ACM als vertrouwelijk aangemerkte stukken. Het College heeft de door ACM gevraagde beperking van de kennisneming gerechtvaardigd geacht en partijen hebben het College toestemming verleend om mede op basis van deze stukken uitspraak te doen.
Zoals het College herhaaldelijk heeft overwogen, is inherent aan iedere vorm van kostentoerekening die is gebaseerd op daadwerkelijke kosten, dat niet voor alle betrokken partijen volledig inzichtelijk kan zijn op basis van welke gegevens een tarief wordt berekend. Indien de toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb wordt verleend, kunnen deze gegevens echter door de rechter worden gecontroleerd. Vereist is dan wel dat een appellant voldoet aan zijn verplichting om zo nauwkeurig mogelijk aan te geven op welke kostenpost zijn klacht betrekking heeft en ter ondersteuning van de desbetreffende beroepsgrond zo veel als mogelijk toetsbare argumenten aanvoert en onderbouwt met de gegevens die hij wel heeft of redelijkerwijs kan verkrijgen. Tele2 heeft bij de formulering van beroepsgrond B aan deze verplichting voldaan.
ACM heeft KPN in een brief van 8 februari 2012 (stuk 45) gevraagd om een tariefvoorstel te doen, er van uitgaande dat MDF Pair Bonding een nieuwe dienst is, met als uitgangspunt het tariefplafond ter hoogte van de safety cap voor MDF enkelvoudig, te vermeerderen met additionele kosten. Bij brief van 17 februari 2012 (stuk 52) heeft KPN hierop geantwoord. In “Bijlage 1: Beantwoording vragen” bij deze brief heeft KPN in de tabel “Opbouw kostprijs levering maandelijkse vergoeding” het bedrag opgevoerd van de additionele servicekosten, welk bedrag in het openbare stuk 52 is weggelaten. De specificatie van dit bedrag is te vinden in “Bijlage 2: Berekening additionele project- en servicekosten” van het vertrouwelijke stuk 52, terwijl de betreffende bedragen ontbreken in de openbare versie. KPN licht in bijlage 2 toe hoe groot de kans per lijn op een Correctieve Service Order (CSO) is en hoeveel procent ondergronds dient te worden opgelost. Tevens vermeldt KPN hoe hoog de kosten zijn van een ondergrondse, dan wel bovengrondse oplossing van een storing. KPN berekent vervolgens hoe hoog – opnieuw afgezet tegen het aantal lijnen – het percentage storingen is dat ondergronds dient te worden opgelost in geval van MDF Pair Bonding. Op basis van deze gegevens berekent KPN de verwachte opstap van ondergrondse servicekosten bij MDF Pair Bonding per lijn per maand. Het College zal dit bedrag aanduiden als bedrag x. KPN gaat er voorts van uit dat indien er meer koperparen in gebruik zijn er meer storingen zullen optreden en de kosten voor MDF Pair Bonding-lijnen hierdoor zullen toenemen met een bedrag gelijk aan de huidige bovengrondse servicekosten in het MDF tarief (gemeten in Componist 2010). Het College zal dit bedrag aanduiden als bedrag y. De som van de bedragen x en y geeft het bedrag waarmee de totale servicekosten per maand volgens KPN zullen toenemen.
Dat KPN zich bij haar berekeningen baseert op een inschatting van haar monteurs dat 95% van de storingen op lijnen voor MDF Pair Bonding ondergronds moet worden opgelost, is te lezen in zowel de vertrouwelijke als de openbare versie van een brief van 4 april 2012 van ACM aan KPN (stuk 53). In deze brief verzoekt ACM KPN om haar stellingen kwantitatief te onderbouwen en op welke wijze deze berekeningen zijn gemaakt. ACM stelt hierbij specifiek de vragen:
Voorts schrijft ACM KPN niet te volgen in de redenering dat 95% van de storingen voor Pair Bonding ondergronds moet worden opgelost. Dit zou inhouden dat slechts in 5% van de gevallen er sprake is van een bovengrondse oplossing van een storing. Dit lijkt ACM een zeer klein percentage. ACM verzoekt KPN dit uitgebreider te motiveren en te onderbouwen met harde cijfers.
KPN heeft hierop geantwoord bij brief van 17 april 2012 (stuk 56). Hierin vermeldt KPN voor de jaren 2008, 2009 en 2010 het aantal CSO’s en het percentage dat hiervan ondergronds moest worden opgelost. Hierbij valt op dat het percentage storingen dat ondergronds moest worden opgelost in het jaar 2010 aanmerkelijk kleiner was dan in de twee voorgaande jaren. KPN geeft hierbij verder als toelichting dat de storingen die bovengronds worden opgelost voornamelijk worden opgelost door het omzetten van de klant op het tweede aderpaar, welke oplossing niet beschikbaar is indien MDF Pair Bonding wordt afgenomen. De verwachting is dat wanneer een storing zich voordoet bij een klant met MDF Pair Bonding, deze in 95% van de gevallen ondergronds moet worden opgelost, aldus KPN. Het bedrag y wordt toegelicht met de stelling “Aangezien de kosten van de ondergrondse werkzaamheden gemiddeld 7 maal meer bedragen dan de kosten van bovengrondse werkzaamheden nemen de servicekosten per lijn toe.”
Het College concludeert dat KPN de door ACM in haar brief van 4 april 2012 gestelde vragen onvoldoende beantwoordt en niet komt met de harde cijfers waarom ACM had gevraagd. Het percentage van 95% storingen dat bij MDF Pair Bonding ondergronds moet worden opgelost wordt niet met gegevens omtrent daadwerkelijke storingen onderbouwd, maar slechts gebaseerd op verwachtingen van monteurs van KPN. Door KPN wordt erkend dat de ervaringen vanuit de klantenbase van de (pilot) Pair Bonding ten aanzien van storingen en het herstel hiervan zo beperkt zijn dat hieruit geen representatieve conclusies kunnen worden getrokken. Een meer gedetailleerd inzicht in de storingsinformatie vereist naar KPN’s eigen informatie handmatig onderzoek, waar ACM nadien niet om heeft gevraagd en KPN niet heeft verricht.
Het bedrag y vindt evenmin steun in feitelijke gegevens omtrent storingen. KPN gaat er van uit dat indien er meer koperparen in gebruik zijn er meer storingen zullen optreden, maar geeft in haar brief van 17 april 2012 slechts informatie over de hoogte van de met de storingen gemoeide kosten, niet over de frequentie van deze storingen.
Tele2 heeft gewezen op de mogelijkheid dat storingen worden opgelost op een andere wijze dan de bij MDF Pair Bonding uitgesloten mogelijkheid van omsteken. De formulering van KPN dat storingen die bovengronds worden opgelost voornamelijk [cursivering College] worden opgelost door het omzetten van de klant op het tweede aderpaar, is hiermee in overeenstemming maar laat de vraag open om welk percentage het gaat en in hoeverre de andere oplossingen al dan niet kunnen worden toegepast bij MDF Pair Bonding.
Tot slot merkt het College op dat de berekening door KPN van het bedrag x relatief hoog uitvalt omdat de schatting van het percentage ondergrondse storingen bij MDF Pair Bonding wordt afgezet tegen het aantal ondergrondse storingen in 2010, dat ten opzichte van de jaren 2008 en 2009 relatief laag was. Een toelichting waarom het jaar 2010 de juiste benchmark zou zijn, ontbreekt.
Het College concludeert dat Tele2 in haar beroepsgrond B er terecht over klaagt dat het besluit ten aanzien van de additionele servicekosten getuigt van onvoldoende onderzoek en een gebrekkige motivering. Hieruit volgt dat haar beroepsgrond C – die als subsidiair aan beroepsgrond B kan worden beschouwd – geen bespreking behoeft.