uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van de meervoudige kamer van 18 februari 2020 op het hoger beroep van:
[naam 1] B.V., te [plaats] , appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 december 2018, kenmerk ROT 17/7081, in het geding tussen
appellante
(gemachtigde: mr. N.J. Linssen)
de Autoriteit Consument en Markt (ACM)
(gemachtigde: mr. M.C.C. van Overbeek)
Grondslag van het geschil
1.1.
ACM is naar aanleiding van een clementieverzoek een onderzoek gestart naar een mogelijke overtreding van artikel 101, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en/of artikel 6, eerste lid, van de Mededingingswet (Mw) door ondernemingen die actief zijn als verkoper en/of producent van […] in Nederland.
1.2.
Naar aanleiding van het onderzoek heeft ACM vastgesteld dat enkele ondernemingen, waaronder [naam 2] B.V. ( [naam 2] ), een 100% deelneming van appellante, zich schuldig hebben gemaakt aan overtreding van artikel 101, eerste lid, van het VWEU en artikel 6, eerste lid, van de Mw. In verband daarmee heeft ACM bij besluit van 17 februari 2017 boetes opgelegd. Aan [naam 2] is een boete opgelegd van € 2.798.000,-, waarbij [naam 2] hoofdelijk aansprakelijk is voor € 2.060.000,- en appellante, de moedermaatschappij, voor het gehele bedrag.
1.3.
Bij besluit van 2 november 2017 (bestreden besluit) heeft ACM, voor zover hier van belang, de boete voor [naam 2] verlaagd tot € 1.935.000,- en afgezien van het opleggen van een boete aan appellante wegens het ontbreken van financiële draagkracht. Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld voor zover dat tot haar is gericht.
Uitspraak van de rechtbank
2.1.
Appellante heeft in beroep, kort gezegd, primair betoogd dat geen sprake is van een overtreding en subsidiair dat de overtreding ten onrechte mede aan haar, als moedermaatschappij, is toegerekend.
2.2.
De rechtbank heeft, kort gezegd, overwogen dat het bestreden besluit voor appellante geen negatieve rechtsgevolgen heeft en heeft daarom het beroep van appellante niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.
Beoordeling van het geschil in hoger beroep
3. Op grond van artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder d, in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan het College, totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, het onderzoek sluiten, indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat het hoger beroep kennelijk gegrond is. Het College ziet aanleiding om in deze procedure van deze bevoegdheid gebruik te maken en doet uitspraak zonder zitting. Daartoe overweegt het College als volgt.
4. Appellante heeft in hoger beroep betoogd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat geen sprake is van procesbelang. Bij het bestreden besluit is weliswaar aan appellante geen boete (meer) opgelegd, maar ACM heeft daarin wel appellante als overtreder van het kartelverbod aangemerkt. Als gevolg daarvan loopt appellante verschillende risico’s, zoals uitsluiting bij aanbestedingsprocedures, civielrechtelijke aansprakelijkstelling voor schade geleden door het (beweerde) kartel en verhoging van de boete op grond van artikel 57, vierde lid, van de Mw in geval van recidive. Het bestreden besluit heeft daarom - wel - negatieve rechtsgevolgen voor appellante.
5.1.
Het College stelt, met verwijzing naar het onder 6.4 van zijn uitspraak van 30 juli 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:329) overwogene, bij zijn beoordeling voorop dat het bestreden besluit een beslissing op bezwaar is tegen een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. In het bestreden besluit heeft ACM gehandhaafd haar in het besluit van 17 februari 2017 neergelegde beslissingen dat [naam 2] het kartelverbod heeft overtreden, dat die overtreding mede aan appellante, als moedermaatschappij, wordt toegerekend en dat appellante op zichzelf hoofdelijk aansprakelijk is voor de aan [naam 2] opgelegde boete.
5.2.
Onder 7 van de uitspraak van 30 juli 2019 heeft het College overwogen dat de wetgever heeft onderkend dat ondernemingen tot welke een besluit is gericht waarbij is vastgesteld dat zij een overtreding hebben begaan, er belang bij (kunnen) hebben daartegen beroep in te stellen, in ieder geval voor zover het gaat om de vaststelling dat een overtreding heeft plaatsgevonden en de vaststelling dat zij overtreder zijn. Het College volgt appellante in haar betoog dat en waarom daarvan in dit geval sprake is. De rechtbank heeft daarom het beroep van appellante ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.
5.3.
Uit 5.2 volgt dat het hoger beroep kennelijk gegrond is. Voortzetting van het onderzoek is daarom niet nodig. Het College zal de aangevallen uitspraak vernietigen en, met toepassing van artikel 8:115, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb, de zaak terugwijzen naar de rechtbank.
5.4.
Het College zal ACM veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift, met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).
5.5.
Het College zal verder, met toepassing van artikel 8:114, eerste lid, van de Awb, bepalen dat het in hoger beroep door appellante betaalde griffierecht door de griffier wordt terugbetaald.