12/3732 ZW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 mei 2012, 11/4740 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. ir. H.H. Veurtjes, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 januari 2013. Voor appellante is verschenen mr. ir. Veurtjes. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. R. Spanjer.
OVERWEGINGEN
1.1. Appellante was werkzaam als schoonmaakster bij [naam werkgeefster] voor 32 uur in de week. Op 9 februari 2010 is zij voor dit werk uitgevallen met pijnklachten aan haar rechtervoet. Nadat appellante een operatieve ingreep aan haar rechtervoet had ondergaan, heeft zij na een periode van herstel op 4 oktober 2010 haar werkzaamheden hervat in aangepaste vorm. Tussen appellante en werkgeefster zijn daarop problemen ontstaan over haar re-integratie, met name over de vraag of de door werkgeefster aangeboden aangepaste werkzaamheden passend zijn te achten. Op 18 oktober 2010 heeft werkgeefster het Uwv gevraagd om een deskundigenoordeel met betrekking tot de
re-integratie-inspanningen van appellante. Hierop heeft het Uwv, na onderzoek, geconcludeerd dat appellante niet voldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht.
Op 5 januari 2011 heeft appellante het Uwv gevraagd om een deskundigenoordeel met betrekking tot de door werkgeefster aangeboden werkzaamheden. Hierop heeft het Uwv op 28 januari 2011, eveneens na onderzoek, geconcludeerd dat de door de werkgeefster aangeboden aangepaste werkzaamheden passend zijn te achten als appellante in eigen tempo en met voldoende rustpauzes kan werken. Bij beschikking van 15 februari 2011 heeft de kantonrechter de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst met ingang van 1 maart 2011 ontbonden.
1.2. Bij besluit van 28 april 2011 heeft het Uwv appellante geweigerd met ingang van 1 maart 2011 de eerder bij besluit van 12 april 2011 toegekende uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) uit te betalen. Daaraan ten grondslag ligt de motivering dat appellante bij herhaling heeft gezorgd voor stagnatie in de re-integratie, hetgeen uiteindelijk heeft geleid tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst, waardoor benadeling voor het Uwv is ontstaan. Bij besluit van 18 oktober 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 28 april 2011 ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat, gelet op het rapport van de bedrijfsarts van 18 november 2010, de door de werkgever aangeboden werkzaamheden evident niet als passend zijn aan te merken. Bij de deskundigenoordelen is met dit rapport van de bedrijfsarts geen rekening gehouden. Met het toekenningsbesluit van 12 april 2011 is het vertrouwen gewekt dat appellante recht had op een uitkering ingevolge de ZW. Ten slotte kan geen sprake zijn van een benadelingshandeling omdat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt nu appellante heeft geprobeerd het aangeboden werk te verrichten.
4.1. De Raad oordeelt als volgt.
4.2. De onder 1.1 genoemde deskundigenoordelen zijn gebaseerd op rapportages van de arbeidsdeskundigen J.J.M. van Groningen en B. van Eck. Zij hebben kennis genomen van gegevens afkomstig van de bedrijfsarts van werkgeefster, van werkgeefster zelf en van (de gemachtigde van) appellante. Op grond van de verkregen gegevens hebben beide arbeidsdeskundigen inzichtelijk gemotiveerd waarom de re-integratie-inspanningen van appellante onvoldoende zijn geweest en de door werkgeefster aangeboden aangepaste werkzaamheden als passend zijn aan te merken. Er bestaat geen aanleiding om aan de juistheid van de analyse van de arbeidsdeskundigen te twijfelen. Appellante heeft na beide deskundigenoordelen volhard in haar opstelling dat de door de werkgeefster aangeboden aangepaste werkzaamheden niet passend zijn te achten en heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheden die werkgeefster haar heeft geboden. Deze opstelling van appellante heeft uiteindelijk geleid tot de ontbinding van haar arbeidsovereenkomst met ingang van
1 maart 2011 door de kantonrechter. Daarmee is een einde gekomen aan werkgeefsters loondoorbetalingsverplichting en is appellante teruggevallen op de ZW.
4.3. De stelling van appellante dat gelet op het rapport van de bedrijfsarts de door werkgeefster aangeboden werkzaamheden evident niet passend zijn, wordt niet gevolgd. Daarbij is van belang dat de bedrijfsarts - zoals ook het Uwv heeft gesteld - in het desbetreffende rapport te kennen heeft geven dat appellante door de werkgeefster de mogelijkheid is geboden om in eigen tempo lichte werkzaamheden te verrichten, waarbij zij regelmatig kan gaan zitten. Appellante heeft de bedrijfsarts meegedeeld dat zij alle toiletten moest schoonmaken. De bedrijfsarts heeft hierop te kennen gegeven dat eerstgenoemde werkzaamheden passend zijn te noemen, de tweede evident niet. Anders dan door appellante wordt gesteld, is op grond van de gedingstukken niet komen vast te staan dat appellante alle toiletten moest schoonmaken en dat de door de werkgeefster aangeboden aangepaste werkzaamheden niet als passend aan te merken zijn.
4.4. Door te handelen als onder 4.2 beschreven heeft appellante een onnodig beroep gedaan op de ZW en daarmee een benadelingshandeling gepleegd als bedoeld in artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW. Het betreft hier een handelen dat moet worden gekwalificeerd als het schenden van een verplichting van de vierde categorie als bedoeld in artikel 7, aanhef en onder a, van het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten. Van het ontbreken van verwijtbaarheid dan wel van een verminderde verwijtbaarheid is, mede gelet op de onder 4.2 genoemde deskundigenoordelen, geen sprake. Het Uwv heeft de uitkering dan ook blijvend geheel kunnen weigeren. Er kan volgens vaste rechtspraak van de Raad slechts sprake zijn van een dringende reden om van het opleggen van een maatregel af te zien, wanneer de maatregel voor betrokkene onaanvaardbare gevolgen heeft. Hiervoor zijn in de gedingstukken geen aanknopingspunten gevonden.
4.5. Op grond van het vorenstaande wordt vastgesteld dat het Uwv terecht van de bevoegdheid om een maatregel op te leggen gebruik heeft gemaakt. De grond dat met het besluit van 12 april 2011 het vertrouwen is gewekt dat appellante recht had op een ZW-uitkering en dat daarom het rechtszekerheidsbeginsel is geschonden, kan dan ook niet slagen.
5. Hetgeen onder 4.2 tot en met 4.5 is overwogen leidt tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
6. Er bestaat geen aanleiding voor een vergoeding van proceskosten.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter en A.I. van der Kris en K. Wentholt als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2013.
(getekend) C.P.J. Goorden
(getekend) E. Heemsbergen
QH