OVERWEGINGEN
1.1.
Appellant, laatstelijk werkzaam als vrachtwagenchauffeur, ontving sinds 13 november 2009 een uitkering krachtens de Werkloosheidswet. Op 25 maart 2010 heeft hij zich ziek gemeld in verband met rugklachten; vanaf een later tijdstip ondervond hij ook knieklachten. Op grond van deze ziekmelding is hem een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend.
1.2.
Naar aanleiding van de aanvraag van appellant om een uitkering krachtens de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), heeft verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. De verzekeringsarts heeft op 2 januari 2012 geconcludeerd dat appellant een aantal fysieke beperkingen heeft; daarbij heeft de verzekeringsarts als prognose vermeld dat te verwachten is dat de medische situatie niet wezenlijk zal veranderen en de functionele mogelijkheden niet wezenlijk zullen verbeteren. De verzekeringsarts vermeldt voorts in zijn rapport dat appellant fysiotherapie heeft, terwijl een OCA training geen resultaat heeft opgeleverd. Het herstelgedrag van appellant wordt door deze verzekeringsarts adequaat geacht. De vastgestelde beperkingen zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 2 januari 2012. Op advies van de stafverzekeringsarts en een door deze gehanteerde checklist werd echter de aanvraag op grond van de Inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA) niet verder vervolgd, omdat alsnog een verbetering van de belastbaarheid werd verwacht.
1.3.
Het arbeidskundig onderzoek heeft geleid tot de conclusie dat op grond van de in de FML opgenomen beperkingen geen functies kunnen worden geselecteerd. Bij besluit van 30 maart 2012 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant met ingang van 22 maart 2012 recht is ontstaan op een loongerelateerde WGA-uitkering. Daarbij is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant vastgesteld op 100%.
1.4.
Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt, omdat hij meent dat
aan hem een arbeidsongeschiktheidsuitkering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten dient te worden toegekend. In bezwaar heeft appellant een brief van 30 oktober 2012 van zijn behandelende fysiotherapeut H. Steketee overgelegd om te onderbouwen dat de door het Uwv gegeven prognose van zijn herstelkansen ondeugdelijk was. In die brief schrijft deze fysiotherapeut onder meer dat appellant onder zijn behandeling is gekomen na het stoppen van de behandeling bij het OCA, appellant het maximale heeft gedaan en heeft bereikt wat binnen zijn mogelijkheden ligt. Tevens vermeldt de fysiotherapeut dat het OCA weliswaar heeft geadviseerd om een chiropractor te consulteren, maar dat hij zich afvraagt of het OCA nu weer hetzelfde advies gegeven zou hebben, omdat het effect van chiropraxie ter discussie staat; daarbij wijst hij erop dat chiropraxie geen reguliere geneeskunde is en valt onder de alternatieve geneeskunde.
1.5.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vooropgesteld dat bij heroverweging in bezwaar geen nieuwe medische feiten of omstandigheden naar voren zijn gekomen noch sprake is van een op basis van voortschrijdend inzicht gewijzigde medische situatie. In haar rapporten van 16 oktober 2012 en 15 november 2012 heeft zij voorts geconcludeerd dat de arbeidsbeperkingen van appellant per einde wachttijd niet duurzaam zijn. Ter onderbouwing van haar conclusie heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep overwogen dat bij appellant verbetering in functionele zin kan worden verwacht door training gericht op herstel van functioneren en door het ontwikkelen van compensatiemogelijkheden. Daartoe zou kunnen bijdragen een actievere levensstijl, verbetering van de spierconditie en afname van het lichaamsgewicht. Bij haar beoordeling heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de eindrapportage OCA van 10 januari 2011 en een brief van fysiotherapeut Steketee van
30 oktober 2012 betrokken. In die eindrapportage van de OCA is appellant aangeraden zich aan te melden bij een bepaalde chiropraxiepraktijk te Utrecht. Met betrekking tot de brief van fysiotherapeut Steketee heeft zij opgemerkt dat, nu geen specifieke informatie is verstrekt over de behaalde resultaten, verondersteld mag worden dat de fysiotherapeutische behandelingen van positieve invloed zijn geweest op de rugfunctie en daarmee het algeheel functioneren van appellant.
1.6.
Bij besluit van 28 november 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard. Het Uwv heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat er op 22 maart 2012 geen sprake is van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft onder verwijzing naar het door het Uwv vastgestelde beoordelingskader ‘Beoordeling van de duurzaamheid van arbeidsbeperkingen’ (Beoordelingskader) en de uitspraak van de Raad van 4 februari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1896 geoordeeld dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de arbeidsongeschiktheid van appellant niet als duurzaam kan worden aangemerkt.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant zich met deze uitspraak niet kunnen verenigen. Hij voert aan dat ten onrechte is geoordeeld dat hij niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Appellant stelt zich op het standpunt dat niet alle relevante medische gegevens zijn opgevraagd en dat daardoor de verzekeringsgeneeskundige beoordeling onvolledig is.
3.2.
Het Uwv is van mening dat appellant in hoger beroep geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangedragen die aanleiding vormen het reeds ingenomen standpunt te wijzen. Het Uwv heeft derhalve verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De Raad stelt vast dat het geschil tussen partijen uitsluitend de vraag betreft of de volledige arbeidsongeschiktheid van appellant per 22 maart 2012 moet worden geacht duurzaam te zijn in de zin van artikel 4 van de Wet WIA, zodat hij ingevolge artikel 47 van de Wet WIA recht heeft op een IVA-uitkering in plaats van een WGA-uitkering.
4.2.
Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is volgens artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA, hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Ingevolge het tweede lid wordt onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie. Volgens het derde lid wordt onder duurzaam mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.
4.3.
In zijn uitspraak van 4 februari 2009 (ECLI:NL:CRVB:BH1896) heeft de Raad overwogen dat blijkens de wetsgeschiedenis de verzekeringsarts zich een oordeel dient te vormen van de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 van de Wet WIA, waarbij hij een inschatting dient te maken van de herstelkansen, in de zin van verbetering van de functionele mogelijkheden van de betrokken verzekerde. Dit brengt mee dat de inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar en daarna dient te berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de betreffende individuele verzekerde aan de orde zijn. In het geval de inschatting van de kans op herstel berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde.
4.4.
Volgens vaste jurisprudentie van de Raad dient een besluit op bezwaar tot stand te komen na een volledige heroverweging van het besluit waartegen het bezwaar was gericht; het onder 1.5 weergegeven uitgangspunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, die appellant kennelijk niet zelf medisch heeft onderzocht, roept twijfel op omtrent de vraag of een dergelijke volledige heroverweging op juiste wijze heeft plaatsgevonden ten aanzien van de prognose van de belastbaarheid van appellant. Deze prognose ziet naar zijn aard op situatie en de toestand van appellant op de datum met ingang waarvan de uitkering al dan niet zal worden toegekend (22 maart 2012). Na 22 maart 2012 bekend geworden medische feiten, omstandigheden en/of inzichten zijn daarbij uitsluitend van belang voor zover zij bij genoemde prognose van de belastbaarheid een rol konden spelen. Met inachtneming van dit uitgangspunt diende de verzekeringsarts bezwaar en beroep aandacht te besteden aan en een deugdelijke onderbouwing te geven voor de herstelkansen en daartoe bestaande behandelmogelijkheden aan te dragen, nu in het rapport van 2 januari 2012 van de verzekeringsarts als uitvloeisel van het standpunt dat geen wezenlijk verandering te verwachten was geen relevante behandelmogelijkheden zijn genoemd.
4.5.
Ter onderbouwing van haar conclusie dat de arbeidsbeperkingen van appellant niet duurzaam zijn en er geen sprake was van een “IVA-situatie” heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in haar rapporten van 16 oktober 2012 en 15 november 2012 in de kern overwogen dat verbetering in functionele zin verwacht mocht worden door een gerichte training ter verbetering van de spierconditie en het bewerkstelligen van een gezond gewicht alsmede door een chiropractische behandeling, zoals door het OCA geadviseerd. De Raad stelt echter vast dat voor die onderbouwing van haar conclusie in de voorhanden zijnde gegevens onvoldoende steun te vinden is. Uit deze gegevens blijkt niet dat op de in geding zijnde datum, 22 maart 2012, sprake was van een ingezette of geadviseerde (para)medische behandeling, die een meer dan geringe kans op verbetering van de functionele belastbaarheid van appellant bood en die tevens (overeenkomstig het gestelde in het Beoordelingskader) op de actuele stand van de medische wetenschap is gebaseerd.
4.6.
In zijn brief van 30 oktober 2012 wijst fysiotherapeut Steketee er immers op dat appellant het maximaal haalbare heeft gedaan en heeft bereikt wat binnen zijn mogelijkheden lag, terwijl de verzekeringsarts bezwaar en beroep zonder appellant zelf onderzocht te hebben toch tot de conclusie kwam op 2 maart 2012 dat een verbetering van de belasting te verwachten was. De Raad begrijpt daarbij dat op de datum in geding, 22 maart 2012, de fysiotherapeutische behandelingen door Steketee reeds (grotendeels) afgerond waren. Uit deze informatie valt derhalve niet op te maken dat van de fysiotherapeutische behandelingen op die datum een relevante verbetering van de belastbaarheid viel te verwachten. Evenmin is een gerichte vraagstelling aan deze of een andere behandelaar voorgelegd, terwijl de training die verzekeringsarts bezwaar en beroep mede als grondslag voor zijn prognose noemt, niet is onderbouwd met concrete behandelmogelijkheden.
4.7.
Verder heeft fysiotherapeut Steketee in zijn brief van 30 oktober 2012 met betrekking tot het advies van de (door de OCA geadviseerde) behandeling door een chiropractor opgemerkt dat een dergelijke behandeling geen reguliere geneeskunde is, maar onder de noemer alternatieve geneeskunde valt. Hierover heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep slechts opgemerkt dat de praktijk heeft uitgewezen dat deze behandelwijze bij sommige mensen wel degelijk positieve effecten sorteert. Noch daargelaten dat deze overweging van de verzekeringsarts bezwaar en beroep te algemeen is en onvoldoende is toegespitst op de situatie en de te verwachten behandelresultaten van appellant, gaat de verzekeringsarts bezwaar en beroep met haar opmerking eraan voorbij dat volgens het Beoordelingskader onder de Toelichting bij stap 2b uitgangspunt is dat verbetering van de belastbaarheid van een verzekerde moet worden verwacht op basis van een behandeling die is gebaseerd op de actuele stand van de medische wetenschap. Een motivering dat behandeling door een chiropractor - in weerwil van het door fysiotherapeut Steketee gestelde - op de actuele stand van de medische wetenschap is gebaseerd, ontbreekt.
4.8.
Gelet op hetgeen in 4.1 tot en met 4.7 is overwogen, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit op een onvoldoende concrete en deugdelijke onderbouwing berust en derhalve ontoereikend is gemotiveerd. Om te kunnen komen tot een finale beslechting van het geschil ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 8:51a van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv opdracht te geven dit gebrek in het bestreden besluit te herstellen.