Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van
24 april 2014, 13/6374 (aangevallen uitspraak 1) en 13/6854 (aangevallen uitspraak 2)
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juni 2015. Voor appellant is verschenen mr. P. van Baaren, kantoorgenoot van mr. I. van Baaren. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Duivenvoorde.
OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant ontving vanaf 11 juli 2012 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Daaraan voorafgaand ontving appellant gedurende twee jaar een uitkering op grond van de Ziektewet.
1.2.
Appellant had een relatie die rond 2010 is verbroken. Appellant en zijn ex-partner hebben twee kinderen. Appellant had met zijn ex-partner een koopwoning, die vanaf 11 mei 2011 te koop stond en per 15 februari 2013 is verkocht. Per 15 maart 2013 heeft appellant een woning gehuurd. Appellant heeft op 6 maart 2013 een aanvraag om bijzondere bijstand voor
verhuis- en inrichtingskosten ingediend.
1.3.
Bij besluit van 13 mei 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 27 september 2013 (bestreden besluit 1), heeft het college appellant bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening toegekend voor de verhuiskosten (anderhalve maand huur en administratiekosten) tot een bedrag van € 939,07. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant had moeten reserveren voor de verhuiskosten. Dat appellant dit heeft nagelaten geeft blijk van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan.
1.4.
Bij besluit van 25 juni 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 22 oktober 2013 (bestreden besluit 2), heeft het college de aanvraag om bijzondere bijstand voor inrichtingskosten afgewezen. Aan bestreden besluit 2 heeft het college ten grondslag gelegd dat de kosten niet voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. De verhuizing was voorzienbaar en appellant had daarvoor kunnen reserveren. Zijn hoge woonlasten doen daar niet aan af. Het ontbreken van voldoende reserveringsruimte in verband met schulden is geen bijzondere omstandigheid. Het was de eigen keuze van appellant om de vaste lasten van de gezamenlijke woning niet te delen met zijn ex-partner.
2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraken gekeerd. Tegen aangevallen uitspraak 1 heeft appellant aangevoerd dat de bijstand om niet had moeten worden verleend. Hem kan geen tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan worden verweten. Appellant is verlaten door zijn ex-partner en de hypotheek op hun koopwoning was destijds hoger dan de waarde daarvan. Appellant had gezien zijn hoge vaste lasten geen financiële ruimte om te reserveren voor de verhuiskosten. Hij nam de lasten van de koopwoning volledig voor zijn rekening bij wijze van alimentatie. Het college had gezien deze omstandigheden in bestreden besluit 2 ook niet tot de conclusie kunnen komen dat de kosten niet voortvloeiden uit bijzondere omstandigheden. Dit standpunt is bovendien niet in overeenstemming met bestreden besluit 1, waarin het college wel bijzondere omstandigheden aanwezig heeft geacht.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
In artikel 48, eerste lid, van de WWB is het uitgangspunt neergelegd dat de bijstand wordt verleend om niet. Het tweede lid bevat een opsomming van gevallen waarin de bijstand in de vorm van een geldlening kan worden verleend. Ingevolge artikel 48, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB kan bijstand worden verleend in de vorm van een geldlening indien de noodzaak tot bijstandsverlening het gevolg is van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan (hierna: tekortschietend besef van verantwoordelijkheid).
4.2.
Appellant heeft in bezwaar naar voren gebracht dat de vaste lasten in 2010 en 2011
€ 1.500,- bedroegen, terwijl hij een inkomen had van € 1.100,-. Hierbij heeft appellant opgemerkt dat hij gezien zijn inkomen geen alimentatie kon betalen en dat er ook geen alimentatieverplichting was. Hieruit blijkt dat de inkomenssituatie van appellant zodanig was dat niet viel uit te sluiten dat hij binnen afzienbare termijn een beroep op bijstand zou moeten doen. Appellant heeft er niettemin voor gekozen de vaste lasten van de gezamenlijke woning volledig voor zijn rekening te nemen. Daarmee heeft appellant zijn mogelijkheden beperkt om te reserveren voor voorzienbare kosten waarvoor later bijzondere bijstand is gevraagd. Het college heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat appellant aldus, uit een oogpunt van toepassing van de WWB blijk heeft gegeven van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid.
4.3.
Uit 4.2 volgt dat het betoog van appellant dat het college hem bijzondere bijstand om niet had moeten verlenen, geen doel treft. Niet kan worden gezegd dat het college niet in redelijkheid gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid om de gevraagde bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening te verstrekken. Appellant is daarmee zeker niet tekort gedaan.
4.4.
Anders dan ten aanzien van de verhuiskosten heeft het college bij de inrichtingskosten geen bijzondere omstandigheden voor bijstandverlening aanwezig geacht. Dit standpunt wordt met de rechtbank onderschreven. In dit geval vloeide de noodzaak tot bijstandsverlening voort uit de onmogelijkheid om te sparen voor de inrichtingskosten door hoge vaste (hypotheek) lasten. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 24 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2318) is het ontbreken van voldoende reserveringsruimte in verband met schulden en de daaruit voortvloeiende betalingsverplichtingen geen bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 35, eerste lid, van de WWB. De kosten die daarmee verband houden, kunnen niet worden afgewenteld op de WWB.
4.5.
Dat het college ten aanzien van de verhuiskosten bijzondere omstandigheden heeft aangenomen en tot bijzondere bijstandverlening is overgegaan, staat er, anders dan appellant heeft aangevoerd, niet aan in de weg dat het college ten aanzien van de inrichtingskosten anders kan oordelen en tot een afwijzend besluit kon komen. Het college heeft toegelicht dat het appellant voor de zich acuut voordoende verhuiskosten tegemoet wilde komen door bijstand in de vorm van een geldlening te verstrekken. Het college was daarmee niet gehouden ook voor de inrichtingskosten zodanige bijzondere omstandigheden aan te nemen dat bijzondere bijstandverlening was aangewezen.
5. Uit 4.2 tot en met 4.5 volgt dat de hoger beroepen niet slagen, zodat de aangevallen uitspraken moeten worden bevestigd.
6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.