17 2176 WMO15
Datum uitspraak: 30 januari 2019
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 23 februari 2017, 15/4595 (aangevallen uitspraak)
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Pekela (college)
Namens appellante heeft mr. E. van Wolde, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar dochter [naam dochter] en mr. Van Wolde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. Keuning.
Het onderzoek is ter zitting geschorst om partijen te laten bezien of zij de zaak in der minne kunnen schikken.
Partijen hebben nadere stukken ingediend en standpunten ingenomen.
De Raad heeft een termijn gesteld waarbinnen partijen kenbaar konden maken (nader) ter zitting te willen worden gehoord. Partijen hebben niet gereageerd. De Raad heeft vervolgens het onderzoek gesloten.
OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante, geboren in 1934, woont samen met haar echtgenoot. Appellante heeft beperkingen die haar belemmeren bij het zelf verrichten van huishoudelijke taken. Zij ontving laatstelijk 5,5 uur per week huishoudelijke hulp op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo).
1.2.
Appellante heeft bij formulier gedateerd 17 februari 2015 een aanvraag gedaan voor een maatwerkvoorziening als bedoeld in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Bij besluit van 7 april 2015 heeft het college deze aanvraag afgewezen.
1.3.
Bij besluit van 2 november 2015 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 7 april 2015 ongegrond verklaard. Het bestreden besluit berust op het standpunt dat de algemene voorziening huishoudelijke hulp een toereikende voorziening is voor appellante.
2.1.
De rechtbank Noord-Nederland heeft in de tussenuitspraak van 27 mei 2016 overwogen dat het college onvoldoende heeft onderzocht of de algemene voorziening voor appellante passend is, zodat aan het bestreden besluit een gebrek kleeft. De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld het gebrek te herstellen. Hiervan heeft het college gebruikgemaakt.
2.2.
Bij brief van 7 juli 2016 heeft het college toegelicht dat nader onderzoek heeft plaatsgevonden, waaronder huisbezoeken door medewerkers van de gemeente op 8 en 22 juni 2016. Bij dat laatste huisbezoek was ook een medewerker aanwezig van thuiszorgorganisatie Buurtzorg, welke organisatie de huishoudelijke hulp binnen de algemene voorziening aanbiedt. Volgens het college is tevergeefs geprobeerd om in aanwezigheid van de thuiszorgorganisatie met appellante de frequentie en de omvang van de feitelijk te verlenen hulp vast te stellen en af te stemmen met gebruikelijke zorg en mantelzorg. Appellante heeft aldus onvoldoende medewerking verleend. De algemene voorziening kan passend en toereikend zijn. Er bestaat geen aanleiding voor het verstrekken van een maatwerkvoorziening.
2.3.
Bij brief van 18 augustus 2016 heeft appellante het standpunt van het college bestreden.
2.4.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit, met bepalingen over proceskosten, gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de rechtsgevolgen van dat besluit in stand gelaten. Daartoe heeft zij, samengevat, het volgende overwogen. Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek in het bestreden besluit heeft het college nader onderzoek gedaan bij appellante – in de vorm van twee huisbezoeken – naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van appellante. Er is getracht samen met haar en haar mantelzorger vast te stellen wat de omvang is van de zorg die appellante behoeft en of dit door het gebruik van de algemene voorziening gerealiseerd kan worden, dan wel hoe die hulp kan worden afgestemd met de inzet van de dochter als mantelzorger. Hiermee heeft het college voldaan aan de op hem rustende onderzoeksverplichting en is het gebrek in het bestreden besluit hersteld. Niet is komen vast te staan dat slechts een maatwerkvoorziening de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie van appellante kan compenseren. Nu appellante niet inhoudelijk in gesprek wil gaan over de mogelijkheden van maatschappelijke ondersteuning in de vorm van de algemene voorziening, heeft het college naar het oordeel van de rechtbank kunnen concluderen dat uit het onderzoek niet naar voren is gekomen dat appellante geen gebruik van huishoudelijke hulp in de algemene voorziening zou kunnen maken. De stelling van appellante dat geen sprake kan zijn van een algemene voorziening, nu het college individueel onderzoek heeft gedaan naar de behoeften van appellante, treft geen doel, gezien de onderzoeksverplichting van het college op grond van artikel 2.3.2 van de Wmo 2015.
3.1.
Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
3.2.
Na de schorsing van het onderzoek ter zitting van 11 april 2018, heeft het college bij besluit van 17 mei 2018 aan appellante de maatwerkvoorziening ‘Huishoudelijke hulp voor niet-planbare huishoudelijke taken’ verstrekt voor 5,5 uur per week voor de periode van 1 mei 2018 tot en met 30 april 2019, in de vorm van een persoonsgebonden budget.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De Raad stelt voorop dat het hiervoor onder 3.2 genoemde besluit van het college van 17 mei 2018 niet in de beoordeling wordt betrokken. Dit besluit ziet immers op de verstrekking van een maatwerkvoorziening voor huishoudelijke hulp over een andere periode dan de periode in geding en valt daarmee niet onder het bereik van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht.
4.2.
De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de overwegingen waarop dat oordeel berust. De rechtbank is met juistheid tot de conclusie gekomen dat, onder de gegeven omstandigheden, het college met het nadere onderzoek heeft voldaan aan de op hem rustende onderzoeksverplichting. Het college was aanwezig bij beide nadere huisbezoeken van 8 en 22 juni 2016. Anders dan appellante heeft aangevoerd, kan reeds daarom niet worden gezegd dat het college het benodigde onderzoek ten onrechte niet zelf heeft gedaan.
4.3.
Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.