PROCESVERLOOP
De gemachtigde van appellante, mr. G. Gabrelian, heeft de Raad er schriftelijk op gewezen dat de uitspraak van de Raad van 17 juli 2019 een kennelijke fout bevat. Daarbij is verzocht de uitspraak te verbeteren. Het bedrag aan proceskosten in rechtsoverweging 5 en vermeld in de beslissing is onjuist.
Partijen is in de brief van 5 september 2019 meegedeeld dat zij binnen vier weken kunnen reageren op deze brief, tevens is daarbij nog vermeld dat in het geval er binnen die termijn geen reactie wordt ontvangen de Raad er dan van uit gaat dat er geen bezwaar bestaat tegen verbetering van de uitspraak.
OVERWEGINGEN
De Raad wijzigt de uitspraak van 17 juli 2019, 16/5913 WSF als volgt.
In rechtsoverweging 5 stond:
5. In de toepassing van artikel 6:22 van de Awb wordt aanleiding gezien de minister te veroordelen in de proceskosten van appellante voor het beroep en het hoger beroep. Deze kosten zijn begroot op € 3.456,- voor verleende rechtsbijstand (beroepschrift, hogerberoepschrift, zittingen eerste aanleg en hoger beroep, nadere zitting hoger beroep, wegingsfactor 1,5).
Deze overweging dient te luiden:
5. In de toepassing van artikel 6:22 van de Awb wordt aanleiding gezien de minister te veroordelen in de proceskosten van appellante voor het beroep en het hoger beroep. Deze kosten zijn begroot op € 4.224,- voor verleende rechtsbijstand (beroepschrift, hogerberoepschrift, zittingen eerste aanleg en hoger beroep, nadere zitting hoger beroep, gevraagde reacties van 8 april 2016 en 28 november 2017, wegingsfactor 1,5).
In de tweede bepaling in de beslissing stond:
- veroordeelt de minister in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 3.456,-;
Deze bepaling dient te luiden:
- veroordeelt de minister in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 4.224,-;
Aan deze uitspraak tot rectificatie is een gerectificeerd exemplaar van de oorspronkelijke uitspraak gehecht. De gerectificeerde uitspraak zal worden gepubliceerd op rechtspraak.nl.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep rectificeert zijn uitspraak van 17 juli 2019 als in de overwegingen is weergegeven.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2019.