17 5940 PW-PV, 17/5941 PW-PV, 19/951 PW-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Gelderland van 25 juli 2017, 17/832 en 17/2091 (aangevallen uitspraak 1) en van 15 februari 2019, 18/2270 (aangevallen uitspraak 2)
[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante) beiden te [woonplaats]
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 18 februari 2020
Zitting heeft: J.J.A. Kooijman
Griffier: F.H.R.M. Robbers
Appellanten hebben zich laten vertegenwoordigen door mr. B. Arabaci, advocaat. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.M. Herder.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- -
bevestigt de aangevallen uitspraken;
- -
veroordeelt de Svb in zaak 17/5941 PW in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 2.100,-;
- -
bepaalt dat de Svb in zaak 17/5941 PW aan appellanten het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 170,- vergoedt.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1.1.
Bij besluiten van 10 februari 2017, na bezwaar gehandhaafd besluit van 31 maart 2017 (bestreden besluit 1), heeft de Svb de aanvullende inkomensvoorziening voor ouderen
(AIO-aanvulling) van appellanten ingetrokken over de periode van 1 januari 2010 tot en met 28 september 2014 en van 28 november 2014 tot en met 10 mei 2015 en over deze periodes een bedrag van € 21.640,07 van appellanten teruggevorderd. De Svb heeft aan bestreden besluit 1 ten grondslag gelegd dat appellanten in strijd met de op hen rustende inlichtingenverplichting niet bij de Svb hebben gemeld dat zij over vermogen beschikken in de vorm van onroerend goed in Turkije. Omdat zij vervolgens geen gegevens hebben verstrekt over de waarde van het onroerend goed kan het recht op AIO-aanvulling niet worden vastgesteld. Bij aangevallen uitspraak van 25 juli 2017 (aangevallen uitspraak 1) heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard.
1.2.
Appellanten hebben aangevoerd dat het onderzoeksverslag van het Bureau Attaché voor Sociale Zaken, Ankara, van 2 december 2015, waarop bestreden besluit 1 is gebaseerd onjuist, onvolledig en erg summier is. De Raad kan appellanten hierin niet volgen omdat zij deze beroepsgrond niet hebben onderbouwd.
1.3.
Appellanten hebben verder aangevoerd dat zij geen onroerend goed in Turkije hadden. Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Tussen partijen is niet in geschil dat het onroerend goed ten tijde hier van belang op naam van appellant heeft gestaan. Dit gegeven rechtvaardigt de vooronderstelling dat het onroerend goed bestanddeel is van het vermogen waarover de betrokkene beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat het tegendeel het geval is. Appellanten hebben hun stelling dat het onroerend goed slechts om praktische redenen op naam van appellant is gezet, maar dat het eigenlijk toebehoorde aan hun dochters niet met concrete en verifieerbare gegevens onderbouwd.
1.4.
Het voorgaande betekent dat de aangevallen uitspraak 1, voor zover daarbij het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond is verklaard, voor bevestiging in aanmerking komt.
2.1.
Bij besluiten van 14 september 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 31 januari 2017 (bestreden besluit 2), heeft de Svb de AIO-aanvulling van appellanten ingetrokken met ingang van 11 mei 2015 en de over de periode van 11 mei 2015 tot en met 23 februari 2016 een bedrag van € 2.609,35 van appellanten teruggevorderd. Daaraan is ten grondslag gelegd dat het vermogen van appellanten na de verkoop van het onroerend goed aan hun dochters op 11 mei 2015 meer bedroeg dan de voor hen geldende grens van het vrij te laten vermogen. Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.
2.2.
De ter zake van de intrekking te beoordelen periode loopt van 11 mei 2015 tot en met 14 september 2016.
2.3.
Ter zitting heeft de Svb verklaard dat hij de motivering van het bestreden besluit 2 niet langer handhaaft. Dit betekent dat bestreden besluit 2 in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet deugdelijk is gemotiveerd. De Raad ziet aanleiding met toepassing van artikel 6:22 van de Awb aan dit motiveringsgebrek voorbij te gaan, omdat aannemelijk is dat belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld. Ook als dit motiveringsgebrek zich niet zou hebben voorgedaan, zou een besluit met een gelijke uitkomst zijn genomen. Daartoe wordt het volgende overwogen.
2.4.
Ter zitting heeft de Svb zich op het standpunt gesteld dat de besluiten van 14 september 2016 moeten worden gehandhaafd op de grond dat appellanten in strijd met de op hen rustende inlichtingenverplichting niet bij de Svb hebben gemeld dat appellant het onroerend goed in Turkije op 11 mei 2015 op naam van hun dochters heeft laten plaatsen. Omdat appellanten vervolgens geen eenduidige gegevens hebben verstrekt over de geldstromen die met die overschrijving gepaard zijn gegaan, kan het recht op AIO-aanvulling niet worden vastgesteld. Appellanten hebben ter zitting hierop gereageerd. Zij stellen geen geld te hebben ontvangen voor het onroerend goed.
2.5.
De Raad volgt het standpunt van de Svb. Tussen partijen is niet in geschil dat het onroerend goed in Turkije op 11 mei 2015 op naam van de dochters van appellanten is geplaatst en dat appellanten daarvan niet onverwijld uit eigen beweging bij de Svb melding hebben gemaakt. Dat betekent dat appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden. Appellanten hebben geen eenduidige informatie verschaft over de met die wijziging van de tenaamstelling gepaard gaande geldstromen. Appellant en zijn dochter hebben op 1 februari 2016 tegenover twee medewerkers van de Svb verklaard dat tot verkoop van het onroerend goed is overgegaan, dat dit onroerend goed op papier ongeveer € 60.000,- waard is en dat het puur een papieren handeling is geweest. Appellanten hebben later te kennen gegeven dat zij bedoeld hebben te verklaren dat het onroerend goed op papier ongeveer TL 60.000,- waard is. Op de door appellanten overgelegde tapu senedi is een bedrag van TL 69.000,- als verkoopprijs vermeld. In het onderzoeksverslag van het Bureau Attaché voor Sociale Zaken, Ankara, van 2 december 2015 is vermeld dat het onroerend goed per verkoopdatum is getaxeerd op TL 680.000,-. Volgens een door de Svb in hoger beroep overgelegde taxatie van 8 september 2017 bedroeg de waarde van het onroerend goed op de verkoopdatum TL 438.000,-. Gelet op enerzijds de stelling van appellanten dat zij geen geld hebben ontvangen voor het onroerend goed en anderzijds de in de tapu senedi vermelde verkoopprijs van TL 69.000,- en gelet op het verschil tussen deze verkoopprijs en de per verkoopdatum getaxeerde waarde van de onroerende goederen van TL 680.000,- en TL 438.000,- is onduidelijk gebleven of appellanten voor de wijziging van de tenaamstelling van de onroerende zaken een bedrag hebben ontvangen en zo ja welk bedrag dit is geweest. Dit brengt mee dat de financiële situatie van appellanten gedurende de hier te beoordelen periode onduidelijk is gebleven en het recht op AIO-aanvulling over die periode niet kan worden vastgesteld.
2.6.
Het voorgaande betekent dat de aangevallen uitspraak 1, voor zover daarbij het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond is verklaard, voor bevestiging in aanmerking komt met verbetering van gronden. De Raad ziet in de toepassing van artikel 6:22 van de Awb aanleiding om de Svb in deze zaak te veroordelen in de proceskosten van appellanten in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.050,- in beroep en € 1.050,- in hoger beroep, in totaal € 2.100,-, wegens verleende rechtsbijstand. Ook dient de Svb in deze zaak het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 170,- te vergoeden.
3.1.
Op 6 december 2016 hebben appellanten een aanvraag om een AIO-aanvulling ingediend. Bij besluit van 8 februari 2017, na bezwaar en beroep, gehandhaafd bij besluit van 26 april 2018 (bestreden besluit 3), heeft de Svb deze aanvraag afgewezen. Aan bestreden besluit 3 heeft de Svb ten grondslag gelegd dat appellanten niet hebben aangetoond dat zij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeren. Volgens de Svb hebben appellanten wisselende verklaringen afgelegd over de verkoop van de onroerende zaken op 11 mei 2015 en het bedrag dat zij daarvoor hebben ontvangen. Verifieerbare gegevens over het ontvangen bedrag zijn niet voorhanden. Volgens de Svb is er nog altijd onduidelijkheid over de financiële situatie van appellanten. Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 3 ongegrond verklaard.
3.2.
De hier te beoordelen periode loopt van 6 december 2016 tot en met 8 februari 2017.
3.3.
Appellanten hebben aangevoerd dat zij geen geld hebben gekregen voor het onroerend goed dat in 2015 is overgedragen en dat zij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeren. Deze beroepsgrond slaagt niet. Omdat de AIO-aanvulling is ingetrokken en appellanten een aanvraag hebben ingediend gericht op het verkrijgen van AIO-aanvulling met ingang van een later gelegen datum, ligt het op de weg van appellanten om aan te tonen dat sprake is van een wijziging van omstandigheden in die zin dat zij op het latere tijdstip wel voldoen aan de voorwaarden voor het recht op AIO-aanvulling. Appellanten zijn in die bewijslast niet geslaagd. Appellanten hebben niet inzichtelijk gemaakt of zij voor de wijziging van de tenaamstelling van de onroerende zaken een bedrag hebben ontvangen en, zo ja, welk bedrag dit is geweest. Verwezen wordt naar wat eerder is gezegd (punt 2.5). Gelet daarop, bestaat ook in de hier te beoordelen periode onduidelijkheid over de financiële situatie van appellanten.
3.4.
Het voorgaande betekent dat aangevallen uitspraak 2 voor bevestiging in aanmerking komt.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) F.H.R.M. Robbers (getekend) J.J.A. Kooijman