20 4402 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van
16 november 2020, 19/3189 (aangevallen uitspraak)
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen (college)
Datum uitspraak: 9 augustus 2022
Namens appellant heeft mr. M.M.J.P. Penners, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft een nader stuk ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 mei 2022. Namens appellant is verschenen mr. R.J.R. Frerejean, kantoorgenoot van mr. Penners. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Stevenhaagen.
OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant ontving van 1 december 2004 tot en met 31 januari 2018 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW). In het kader van een rechtmatigheidsonderzoek dat heeft geleid tot intrekking van de bijstand per 1 februari 2018 heeft appellant bankafschriften overgelegd over de periode van 1 juli 2017 tot en met 12 maart 2018. Daaruit bleek dat appellant in die periode op goksites actief was en casino’s bezocht. Naar aanleiding hiervan heeft de sociale recherche van de gemeente Rotterdam nader onderzoek gedaan naar de rechtmatigheid van de aan appellant vóór 1 februari 2018 verleende bijstand. Bij appellant zijn bankafschriften opgevraagd over de periode van 1 april 2015 tot en met 30 juni 2017 en bij Holland Casino zijn gegevens gevorderd over appellant uit de bezoekersregistratie tussen 1 april 2015 en 26 maart 2018. Na analyse van de ontvangen bankafschriften en de gegevens van Holland Casino is vastgesteld dat appellant vanaf april 2015 in vrijwel alle maanden een casino bezocht, tussen 5 april 2015 en 24 december 2017 154 keer, dat appellant vaak tijdens of kort voor casinobezoeken geld opnam en dat hij van april 2015 tot en met januari 2018 ook maandelijks online gokte. Bij brief van 5 juli 2018 heeft het college appellant verzocht om nadere informatie over ingelegde en gewonnen bedragen, voorzien van bewijsstukken. Daarop heeft appellant bij brief van 26 juli 2018 bankafschriften toegezonden. Verder heeft hij in die brief vermeld dat er diverse casinobezoeken zijn geweest waarbij hij niets heeft uitgegeven, dat “[i]nzetten zo verschillend zijn op een avond want zo zet je wat in op roulette, 10 minuten later paar tientjes aan blackjacktafel en zo weer aantal euro’s in een speelautomaat, om vervolgens nog eens roulette te spelen of dergelijke andere spellen in het casino, niemand ter wereld zal daar een boekhouding van bijhouden” en dat hij geen winsten, maar alleen verliezen heeft gehad in het casino. De bevindingen van het nader onderzoek staan in de Rapportage Handhavingsonderzoek van 27 mei 2019.
1.2.
Het college heeft bij besluit van 6 juni 2019, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 22 oktober 2019 (bestreden besluit), de bijstand van appellant ingetrokken vanaf 1 april 2015 en de over de periode van 1 april 2015 tot en met 31 januari 2018 gemaakte kosten van bijstand van appellant teruggevorderd tot een bedrag van € 43.436,29. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van zijn gokactiviteiten. Omdat appellant van die activiteiten geen administratie heeft bijgehouden kan het college niet achteraf vaststellen of en, zo ja, hoeveel inkomsten appellant met de gokactiviteiten heeft verworven. Daarom kan het college het recht op bijstand over deze periode niet vaststellen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De te beoordelen periode loopt van 1 april 2015 tot en met 31 januari 2018.
4.2.
Appellant heeft aangevoerd dat hij zijn inlichtingenverplichting niet heeft geschonden. Hij wijst er op dat hij bij de meeste tot bijna alle casinobezoeken niet heeft gegokt en dat hij volledige openheid over zijn financiën heeft gegeven.
4.3.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Hierbij is het volgende van betekenis.
4.3.1.
Vaststaat dat appellant in de te beoordelen periode tijdens zijn regelmatige casinobezoeken, of kort voor die bezoeken, grote bedragen heeft opgenomen. Daarmee is aannemelijk dat hij in het casino heeft gegokt. Vergelijk de uitspraken van 9 maart 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:629 en van 7 mei 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1548. Ook uit de door appellant in bezwaar overgelegde verklaringen van vrienden met wie hij casino’s bezocht, blijkt dat hij tijdens casinobezoeken gokte. Uit de bankafschriften blijkt dat appellant in de te beoordelen periode vrijwel maandelijks online gokte.
4.3.2.
Gokken is een bezigheid die gemeld moet worden, omdat uit de aard daarvan voortvloeit dat er inkomsten mee kunnen worden verworven. Appellant had het college hiervan op de hoogte moeten stellen, zodat het college kon onderzoeken of hij inkomsten verwierf, tot welk bedrag en of hij nog was aangewezen op bijstand. Vergelijk de uitspraken van 29 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1612, 5 maart 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:703 en 15 december 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:3422. Appellant heeft dus zijn inlichtingenverplichting geschonden door zijn gokactiviteiten niet te melden.
4.4.
Appellant heeft verder aangevoerd dat zijn gokactiviteiten geen invloed hebben gehad op zijn bijstand. Met het gokken heeft hij niets verdiend. Hij heeft alleen maar verlies geleden. Dat blijkt uit de in bezwaar overgelegde verklaringen van vrienden over de gezamenlijke casinobezoeken en uit het feit dat aan hem op zijn eigen verzoek enkele keren een casinoverbod is opgelegd. Het vragen om een casinoverbod wijst er volgens appellant op dat hij verlies leed. Appellant zou bij winst geen casinoverbod hebben gevraagd.
4.5.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Of appellant per saldo meer heeft verloren dan gewonnen en de behaalde winsten weer heeft verspeeld, brengt geen verandering in het feit dat gewonnen bedragen van invloed zijn op de omvang van zijn recht op bijstand. Appellant kon namelijk vrij beschikken over de bedragen – al dan niet in de vorm van fiches – die hij bij het gokken in het casino in handen kreeg en die op zijn online gokaccounts werden bijgeschreven. Die gokopbrengsten zijn inkomen als bedoeld in artikel 32, eerste lid, aanhef onder a, van de PW en daarom van invloed op de hoogte van de (aanvullende) bijstand. De verklaringen van vrienden en de aangevraagde casinoverboden maken dat niet anders en zeggen bovendien niets over de opbrengsten van het online gokken.
4.6.
Het lag op de weg van appellant om aannemelijk te maken dat hij recht op bijstand zou hebben gehad, als hij wel melding had gemaakt van zijn gokactiviteiten en van de opbrengsten daarvan. Daarin is hij niet geslaagd. Appellant heeft geen inzicht gegeven in de omvang van zijn gokactiviteiten in casino’s en ook niet in de tijdens die activiteiten uitgekeerde bedragen. Ook heeft hij geen overzichten van zijn online gokaccounts overgelegd. Het recht op bijstand over de te beoordelen periode kan dan ook niet worden vastgesteld.
4.7.
Appellant heeft tot slot aangevoerd dat er dringende redenen zijn op grond waarvan het college had moeten afzien van terugvordering. De terugvordering is een zware last voor hem. Hij krijgt hulp van een praktijkondersteuner en van een psycholoog. Een grote en langdurige schuld belemmert hem bovendien in de zorg voor zijn dochters.
4.8.
Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Dringende redenen als bedoeld in artikel 58, achtste lid, van de PW doen zich alleen voor als de terugvordering onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen voor de betrokkene heeft. Het moet dan gaan om gevallen waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is. In die gevallen zal een individuele afweging van alle relevante omstandigheden moeten plaatsvinden. Degene die zich beroept op dringende redenen, moet die redenen aannemelijk maken. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat zich in zijn geval dringende redenen voordoen als hiervoor bedoeld. Appellant heeft bijvoorbeeld geen medische verklaringen overgelegd waaruit blijkt dat de terugvordering gevolgen heeft voor zijn gezondheid. Dat en in welk opzicht de terugvordering appellant belemmert in de zorg voor zijn dochters heeft appellant niet onderbouwd. Hierbij is van betekenis dat een besluit tot terugvordering pas financiële gevolgen heeft bij de invordering. Appellant heeft bij de invordering als schuldenaar de bescherming van de regels over de beslagvrije voet die zijn neergelegd in de artikelen 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Zoals ter zitting is besproken gaat het niet om een levenslange schuld. Appellant kan een verzoek om kwijtschelding van de restschuld indienen als hij gedurende tien jaren aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan.
4.9.
Uit 4.1 tot en met 4.8 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door W.R. van der Velde, in tegenwoordigheid van R. van der Maarel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 augustus 2022.
(getekend) W.R. van der Velde
De griffier is verhinderd te ondertekenen.