PROCESVERLOOP
Met een besluit van 17 december 2019 heeft de Svb beslist dat vanaf december 2019 het ouderdomspensioen niet aan appellanten wordt uitbetaald, maar volledig wordt verrekend met een openstaande vordering. Appellanten hebben daartegen bezwaar gemaakt. Met een besluit van 4 juni 2020 (bestreden besluit) heeft de Svb op dat bezwaar beslist dat vanaf maart 2020 geen verrekening meer plaatsvindt en dat het ouderdomspensioen over februari 2020 alsnog aan appellanten wordt uitbetaald.
Appellanten hebben tegen dat besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard.
Namens appellanten heeft mr. F. Özer, advocaat, hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 19 september 2023. Appellanten hebben zich laten vertegenwoordigen door mr. Özer. Namens de Svb is mr. G.E. Eind verschenen.
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellanten ontvangen een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW). In aanvulling daarop ontvingen zij een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling) op grond van de Participatiewet (PW). Met een besluit van 15 mei 2017 heeft de Svb de AIO-aanvulling vanaf 21 april 2015 ingetrokken en vastgesteld dat appellanten over de periode van april 2015 tot en met juli 2016 een bedrag van € 11.573,34 netto teveel hebben ontvangen. Met een besluit van 17 augustus 2017 heeft de Svb dit bedrag van appellanten teruggevorderd. De besluiten van 15 mei 2017 en 17 augustus 2017 staan in rechte vast.
1.2.
Met een brief van 15 mei 2019 heeft de Svb appellanten meegedeeld dat de vordering, na verrekening van een dwangsom en een kostenvergoeding, nog € 10.511,34 bedraagt. De Svb heeft appellanten verzocht om dit bedrag binnen zes weken te betalen. Appellanten hebben dit niet gedaan.
1.3.
Met een brief van 21 oktober 2019 heeft de Svb appellanten aangeboden een betalingsregeling te treffen. De Svb heeft appellanten in verband daarmee – voor zover hier van belang – verzocht om het meegestuurde formulier ‘Onderzoek inkomenssituatie’ (formulier) in te vullen en vóór 21 november 2019 terug te sturen. De Svb heeft in de brief toegelicht dat de in het formulier gevraagde informatie nodig is om een goed beeld van de inkomsten en uitgaven te krijgen. Hierbij heeft de Svb vermeld dat op basis van de verkregen informatie zal worden berekend hoeveel appellanten maandelijks kunnen aflossen (de aflossingscapaciteit) en dat aan appellanten een voorstel voor een afbetalingsregeling zal worden gedaan. Appellanten hebben niet binnen de gestelde termijn het formulier ingevuld teruggestuurd.
1.4.
Met een brief van 25 november 2019 heeft de Svb appellanten in de gelegenheid gesteld om het ingevulde formulier vóór 12 december 2019 alsnog in te dienen. De Svb heeft appellanten erop gewezen dat als zij het formulier niet tijdig indienen, toepassing zal worden gegeven aan artikel 60 van de PW. Ook op deze brief hebben appellanten niet gereageerd.
1.5.
Met het besluit van 17 december 2019 heeft de Svb beslist dat het ouderdomspensioen vanaf december 2019 niet aan appellanten wordt uitbetaald, maar volledig wordt verrekend met de openstaande vordering. Ook de vakantie-uitkering die appellanten jaarlijks in mei ontvangen, wordt volledig verrekend met de vordering.
1.6.
Appellanten hebben bezwaar gemaakt tegen het besluit van 17 december 2019. Tijdens de bezwaarprocedure hebben zij op 5 februari 2020 alsnog het ingevulde formulier ingediend.
1.7.
In het bestreden besluit staat onder het kopje ‘Wat is onze beslissing?’: “U heeft gelijk. Wij verrekenen vanaf maart 2020 niet meer uw AOW-pensioen. Wij zullen het verrekende bedrag over februari 2020 restitueren.” Aan het bestreden besluit ligt het volgende ten grondslag. Uit het ingevulde formulier ‘Onderzoek inkomenssituatie’ blijkt dat appellanten geen aflossingscapaciteit hebben. Vanaf februari 2020 wordt hiermee rekening gehouden. De verrekening over de periode tot februari 2020 blijft in stand, omdat appellanten in die periode niet de gegevens hebben verstrekt die nodig waren om hun aflossingscapaciteit te berekenen.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellanten
3. Appellanten zijn het met die uitspraak van de rechtbank niet eens. Zij hebben aangevoerd dat de Svb de verrekening over de gehele periode ongedaan had moeten maken. Dit wordt hierna besproken.
Het oordeel van de Raad
4.1.
De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten. Hij doet dat aan de hand van de argumenten die appellanten in hoger beroep hebben aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.2.
De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat appellanten het ingevulde formulier niet tijdig hebben ingediend. De Svb was daarom op grond van artikel 60, zesde lid, aanhef en onder b, van de PW bevoegd om vanaf december 2019 de openstaande vordering te verrekenen met het ouderdomspensioen, zonder daarbij rekening te houden met de beslagvrije voet.
4.4.
Wat appellanten hebben aangevoerd komt erop neer dat de Svb die verrekening bij de beslissing op het bezwaar niet mocht handhaven. Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag welke gevolgen moeten worden verbonden aan het feit dat appellanten tijdens de bezwaarprocedure alsnog het ingevulde formulier hebben ingediend.
4.4.1.
Appellanten hebben als toelichting op de beroepsgrond dat de Svb de verrekening over de gehele periode had moeten laten vervallen – voor zover hier van belang – aangevoerd dat in bezwaar een volledige heroverweging dient plaats te vinden op basis van de op dat moment bekende feiten en omstandigheden. Aan de hand van het in bezwaar ingediende formulier heeft de Svb vastgesteld dat appellanten geen aflossingscapaciteit hadden, gelet op de beslagvrije voet. Om die reden, en omdat ook in december 2019 en januari 2020 de beslagvrije voet in de weg stond aan verrekening, had volgens appellanten ook het ouderdomspensioen over die maanden alsnog moeten worden uitbetaald.
4.4.2.
De Svb heeft hiertegen ingebracht dat als ook het ouderdomspensioen over de maanden december 2019 en januari 2020 alsnog aan appellanten zou moeten worden uitbetaald, het nuttig effect en het doel dat met artikel 60, zesde lid, aanhef en onder b, van de PW is beoogd teniet zou worden gedaan.
4.5.
Het standpunt van appellanten is juist en het betoog van de Svb treft geen doel. De Svb moest bij het nemen van het bestreden besluit rekening houden met de in bezwaar overgelegde financiële gegevens en met de beslagvrije voet van appellanten over de maanden december 2019 en januari 2020. Dit wordt hierna toegelicht.
4.5.1.
Een bestuursorgaan zoals de Svb moet op een bezwaar beslissen na een volledige heroverweging van het primaire besluit. Dit volgt uit artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hieruit vloeit voort dat een bestuursorgaan op een bezwaarschrift moet beslissen met inachtneming van alle feiten en omstandigheden die op het moment van die beslissing bekend en van belang zijn. Dit betekent onder meer dat die heroverweging moet gebeuren op grond van alle relevante op de zaak betrekking hebbende stukken die op dat moment in bezit zijn van het bestuursorgaan. Dit is vaste rechtspraak.1 De hoofdregel dat in bezwaar moet worden beslist met inachtneming van alle dan bekende relevante feiten en omstandigheden geldt niet als de toepasselijke regeling zich daartegen verzet. De Raad heeft dit eerder in andere uitspraken overwogen.2 Anders dan de Svb kennelijk meent, doet deze uitzondering zich hier niet voor en geldt de hoofdregel onverkort.
4.5.2.
Als de persoon van wie bijstand, in dit geval een AIO-aanvulling, wordt teruggevorderd niet op verzoek de inlichtingen verstrekt die daarvoor van belang zijn, is het bestuursorgaan bevoegd tot verrekening zonder daarbij de beslagvrije voet in acht te nemen. Dit volgt uit artikel 60, eerste lid, in samenhang met het zesde lid, aanhef en onder b, van de PW. Deze bevoegdheid is gegeven om het bestuursorgaan in staat te stellen om ook als de benodigde inlichtingen voor het vaststellen van de hoogte van de beslagvrije voet niet zijn verstrekt, toch tot verrekening over te kunnen gaan. Dit heeft de Raad eerder in een andere uitspraak overwogen.3 Het zesde lid komt namelijk overeen met het vijfde lid van de Wet werk en bijstand, die aan de PW vooraf ging. Dat vijfde lid is destijds toegevoegd met de nota van wijziging bij de Aanpassingswet vierde tranche Awb (nota van wijziging).4 In de toelichting bij deze wijziging is over de uitzondering op de bescherming van de beslagvrije voet het volgende opgenomen5: “De reden voor deze uitzondering is dat het in de praktijk wel vaker voorkomt dat de verzekerde weigert de benodigde inlichtingen te verstrekken voor het vaststellen van de hoogte van de beslagvrije voet. In een dergelijk geval dient er toch verrekening te kunnen plaatsvinden, ondanks het feit dat hierbij het risico bestaat dat deze zich uitstrekt over de beslagvrije voet.”
4.5.3.
Uit deze toelichting kan niet worden afgeleid dat artikel 60, zesde lid, aanhef en onder b, van de PW zich verzet tegen toepassing van de hoofdregel dat in bezwaar een volledige heroverweging moet plaatsvinden. De Svb heeft ter zitting betoogd dat artikel 60, zesde lid, aanhef en onder b, van PW een bestraffend karakter heeft en dat daarom in een geval als dat van appellanten – waarin in bezwaar alsnog informatie wordt verstrekt aan de hand waarvan de beslagvrije voet kan worden vastgesteld – het verrekeningsbesluit niet wordt heroverwogen voor de periode voorafgaand aan de ontvangst van die informatie. Gelet op de toelichting bij de hiervoor besproken nota van wijziging ontbreekt echter dit bestraffende karakter. Ook uit het gebruik van het woord ‘zolang’ in de aanhef van het zesde lid kan niet worden afgeleid dat deze bepaling zich ertegen verzet dat in de bezwaarprocedure een volledige heroverweging plaatsvindt met inachtneming van alle feiten en omstandigheden die op dat moment bekend zijn.
4.5.4.
Niet in geschil is dat de financiële situatie van appellanten vóór februari 2020 hetzelfde was als daarna. Ook in de maanden december 2019 en januari 2020 stond de beslagvrije voet dus aan verrekening in de weg.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
1. De Sociale verzekeringsbank heeft tot taak het verlenen van algemene bijstand in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening ouderen aan:
a. alleenstaanden en alleenstaande ouders die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt;
b. gehuwden, van wie beide echtgenoten de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt dan wel van wie één echtgenoot de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt;
hier te lande die in zodanige omstandigheden verkeren of dreigen te geraken dat zij niet over de middelen beschikken om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.
2. De artikelen 1 tot en met 6, hoofdstuk 2, met uitzondering van artikel 18, hoofdstuk 3, de paragrafen 5.1 en 5.2, hoofdstuk 6 en de artikelen 79, 80 en 81 zijn van toepassing op de uitvoering van de taak, bedoeld in het eerste lid, door de Sociale verzekeringsbank, tenzij in deze paragraaf anders is bepaald.
Artikel 60, eerste lid, van de PW (opgenomen in hoofdstuk 6)
De persoon van wie kosten van bijstand worden teruggevorderd is verplicht desgevraagd aan het college de inlichtingen te verstrekken die voor terugvordering op grond van deze paragraaf van belang zijn.
Artikel 60, zesde lid, van de PW
Zolang de belanghebbende de verplichtingen, bedoeld in het eerste lid en de artikelen 18a, achtste lid, en 47g, achtste lid, niet of niet behoorlijk nakomt:
[…]
b. geldt de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, in afwijking van artikel 4:116 van de Algemene wet bestuursrecht, niet bij invordering van kosten van bijstand en de bestuurlijke boete bij dwangbevel.
Artikel 60a, derde lid, van de PW (opgenomen in hoofdstuk 6)
Indien degene van wie de kosten van bijstand worden teruggevorderd dan wel die verplicht is tot betaling van een bestuurlijke boete een uitkering ontvangt op grond van de Algemene Ouderdomswet of de Algemene nabestaandenwet betaalt de Sociale verzekeringsbank, zonder dat daarvoor een machtiging nodig is van belanghebbende, het bedrag van de terugvordering of de bestuurlijke boete uit de uitkering op verzoek aan het college dat de kosten van bijstand terugvordert of de bestuurlijke boete heeft opgelegd.
Artikel 60a, vijfde lid, van de PW
Indien de kosten van bijstand worden teruggevorderd door de Sociale verzekeringsbank is het eerste tot en met het vierde lid van overeenkomstige toepassing.
Artikel 7:11, eerste lid, van de Awb
Indien het bezwaar ontvankelijk is, vindt op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaats.