Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 juli 2020, 19/6412 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 26 juni 2024
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv de ZW-uitkering van appellante per 13 september 2019 terecht heeft beëindigd. Het Uwv heeft het bezwaar hiertegen niet-ontvankelijk had verklaard. Tijdens de hoger beroepsprocedure heeft het Uwv het bezwaar alsnog inhoudelijk beoordeeld en het bezwaar ongegrond verklaard. Volgens appellante was zij per 13 september 2019 door haar (medische) beperkingen niet in staat om haar eigen werk te verrichten en had zij recht op een ZW-uitkering. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de ZW-uitkering terecht heeft beëindigd.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. F.R.G. Keijzer, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak via beeldbellen behandeld op een zitting van 2 februari 2022. Namens appellante is verschenen mr. Keijzer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer .
De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst.
Appellante heeft nadere stukken ingediend.
Het Uwv heeft op 11 oktober 2022 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen (bestreden besluit 2). Het beroep van appellante tegen bestreden besluit 2 is geregistreerd onder nummer 23/477 ZW.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 15 mei 2024. Partijen zijn niet verschenen.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1.1.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als apothekersassistente voor 30 uur per week. Vanaf 1 maart 2019 ontving zij een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Appellante heeft van 27 maart 2019 tot 23 juli 2019 een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg (WAZO) ontvangen. Aansluitend ontving zij vanaf 23 juli 2019 een ZW-uitkering omdat zij ziek was vanwege zwangerschaps- en bevallingsgerelateerde klachten. Op 12 september 2019 heeft appellante het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellante per 13 september 2019 geschikt geacht voor haar laatste werk. Met een besluit van 12 september 2019 heeft het Uwv de ZW-uitkering per 13 september 2019 beëindigd.
1.2.
Bij besluit van 22 oktober 2019 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens een niet verschoonbaar geachte overschrijding van de bezwaartermijn.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard en dat besluit in stand gelaten.
Hoger beroep en nieuw besluit
3.1.
Het Uwv heeft tijdens de zitting in hoger beroep laten weten dat bestreden besluit 1 niet wordt gehandhaafd en dat alsnog een inhoudelijke beoordeling van het bezwaar tegen het besluit van 12 september 2019 zal plaatsvinden.
3.2.
Bij besluit van 11 oktober 2022 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Daaraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 6 oktober 2022 ten grondslag.
3.3.
Appellante heeft bij brief van 20 januari 2023 laten weten dat zij zich niet met bestreden besluit 2 kan verenigen. Appellante heeft aangevoerd dat het Uwv haar medische problematiek, waaronder klachten vanwege burn-out, overspannenheid en depressie heeft onderschat. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante een huisartsenjournaal van 24 februari 2022 en een beschikking van de Gemeente Bergen op Zoom van 22 februari 2022 overgelegd. Daarin is haar huishoudelijke hulp op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) toegekend.
3.4.
Verder stelt appellante zich met verwijzing naar rechtspraak van de Raad1 op het standpunt dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest, omdat geen fysiek spreekuurcontact met een verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft plaatsgevonden. Appellante heeft aangevoerd dat in 2019 geen fysiek spreekuur is gehouden omdat het bezwaar niet-ontvankelijk werd verklaard. Ter voorbereiding van bestreden besluit 2 heeft een gepland spreekuurcontact enkele malen geen doorgang gevonden, waardoor er in bezwaar uiteindelijk geen fysiek spreekuurcontact is geweest.
3.5.
Het Uwv heeft verwezen naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 6 oktober 2022, Daarin is volgens het Uwv afdoende uiteengezet dat uit het huisartsenjournaal van 24 februari 2022 en de Wmo toekenning vanaf januari 2022 niet blijkt van beperkingen rond de datum in geding, op grond waarvan de beoordeling van de primaire verzekeringsarts niet juist zou zijn.
Het oordeel van de Raad
4.1.
Met bestreden besluit 2 heeft het Uwv bestreden besluit 1 niet langer gehandhaafd en het bezwaar alsnog inhoudelijk beoordeeld. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak, waarbij de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond heeft verklaard, niet in stand kan blijven. De Raad zal zowel de aangevallen uitspraak als bestreden besluit 1 vernietigen.
4.2.
Aangezien appellante zich niet kan verenigen met bestreden besluit 2 wordt het hoger beroep op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 6:24 van de Awb geacht mede te zijn gericht tegen bestreden besluit 2.
4.3.
Tussen partijen is in geschil of het Uwv de ZW-uitkering van appellante op goede gronden heeft beëindigd per 13 september 2019.
4.4.
Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid.
4.5.
De beroepsgrond dat onvoldoende rekening is gehouden met de beperkingen slaagt niet. In dat verband wordt overwogen dat de primaire verzekeringsarts bij zijn spreekuurcontact alleen een kleine beperking heeft vastgesteld aan de hand en dat van psychische beperkingen rond 13 september 2019 niet is gebleken. Appellante heeft bij de verzekeringsarts geen melding gemaakt van psychische klachten of medische informatie overgelegd waaruit psychische klachten zouden blijken. Bij de verzekeringsarts heeft zij aangegeven niet te kunnen werken vanwege de zorg voor haar twee jonge kinderen. Uit het door appellante overgelegde huisartsenjournaal blijkt niet dat zij in september 2019 haar huisarts of behandelaars bezocht vanwege psychische klachten.
4.6.
De stelling van appellante, dat uit de door haar in hoger beroep overgelegde informatie blijkt dat zij per datum in geding verdergaand beperkt moet worden geacht, slaagt niet. In dat verband wordt overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 6 oktober 2022 heeft toegelicht dat uit het huisartsenjournaal blijkt dat er na de bevalling in mei 2019 wel consulten zijn geweest bij de huisarts, die onder meer betrekking hadden op anticonceptie, hartkloppingen en een huidaandoening, maar dat – met uitzondering van die laatste aandoening – geen duidelijke afwijkingen door de huisarts zijn vastgesteld. Verder blijkt uit het huisartsenjournaal dat sprake is geweest van een nieuwe zwangerschap in oktober 2019, maar niet dat dit tot afwijkingen als gevolg van ziekte of gebreken heeft geleid. Er bestaat geen aanleiding om deze toelichting van de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet te volgen.
4.7.
Dat aan appellante vanaf 18 januari 2022 een voorziening in de vorm van huishoudelijk hulp is toegekend op grond van de Wmo geeft geen aanleiding om aan te nemen dat zij op 13 september 2019 verdergaand beperkt moet worden geacht, omdat dit betrekking heeft op een periode ruim twee jaar na de datum in geding en de Wmo een ander beoordelingskader dan de ZW kent. Het Wmo-toekenningsbesluit van 22 februari 2022 bevat geen medische informatie en daaruit kan dus niets worden afgeleid over de medische beperkingen van appellante op 13 september 2019.
4.8.
Tenslotte wordt appellante niet gevolgd in haar stelling dat het onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet zorgvuldig is geweest. Appellante is vier keer uitgenodigd voor een spreekuur en heeft al deze afspraken afgezegd. De omstandigheid dat appellante in 2019 en in 2022 niet door een verzekeringsarts bezwaar en beroep bij een spreekuurcontact is onderzocht, maakt de beoordeling niet onzorgvuldig. Anders dan appellante meent, is het bij betwisting van de medische grondslag in bezwaar niet altijd nodig dat er een spreekuurcontact of onderzoek met een verzekeringsarts bezwaar en beroep komt.2 Appellante is op 12 september 2019 in de primaire fase door een verzekeringsarts op een spreekuurcontact gezien en onderzocht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aangegeven dat vanwege de in hoger beroep overgelegde informatie van de huisarts, de aard van de klachten en het tijdsverloop een spreekuur in oktober 2022 over de situatie van appellante in september 2019 geen aanvullende waarde zou hebben. De Raad kan zich daar in vinden.
4.9.
Uit 4.3 tot en met 4.8 volgt dat het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond is.
Conclusie en gevolgen
5. Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd, het beroep tegen bestreden besluit 1 wordt gegrond verklaard en bestreden besluit 1 wordt vernietigd. Het beroep tegen bestreden besluit 2 slaagt niet. Het beroep tegen bestreden besluit 2 wordt ongegrond verklaard. Dit betekent dat de beëindiging van de ZW-uitkering per 13 september 2019 in stand blijft.
6. In verband met de vernietiging van bestreden besluit 1 bestaat aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 875,- voor verleende rechtsbijstand in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift) en op € 1.750,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting), met een waarde per punt van € 875,-, in totaal € 2.625,-.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 22 oktober 2019 gegrond en vernietigt dit besluit;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 11 oktober 2022 ongegrond;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.625,-;
- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 178,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door W.R. van der Velde, in tegenwoordigheid van A.M. Geurtsen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2024.