Toekenning van een maatwerkvoorziening voor een traplift in de vorm van een pgb. Het college heeft onvoldoende onderzocht of een traplift aan de buitenzijde van de trap in strijd is met de bouwvoorschriften. Niet valt vast te stellen of met de verstrekte traplift een passende bijdrage wordt geleverd in de zelfredzaamheid en participatie van appellante. Opdracht nemen nieuwe beslissing op het bezwaar.
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 6 december 2022, 21/2478 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Moerdijk (college)
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)
Datum uitspraak: 26 april 2024
SAMENVATTING
De Raad oordeelt dat het college onvoldoende heeft onderzocht of een traplift aan de buitenzijde van de trap in strijd is met de bouwvoorschriften. Daardoor is niet vast te stellen of met de verstrekte traplift een passende bijdrage wordt geleverd in de zelfredzaamheid en participatie van appellante. Gelet hierop kan het bestreden besluit geen stand kan houden.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M.H.S. Abbing hoger beroep ingesteld.
Appellante heeft nadere stukken ingediend.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 14 maart 2024. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. C.E. Stals, kantoorgenoot van mr. Abbing. Namens het college heeft mr. C. Bastiaansen telefonisch deelgenomen aan de zitting.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante, geboren in 1965, is blind en heeft een aandoening aan het centrale zenuwstelsel, waardoor zij evenwichts- en balansstoornissen heeft. Daarnaast kampt zij met verkrampingen in de spieren, aanvallen van spasmen en tremoren.
1.2.
Appellante heeft zich op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) bij het college gemeld en vervolgens een aanvraag ingediend voor diverse maatwerkvoorzieningen, waaronder een traplift aan de spilzijde van de trap.
1.3.
Het college heeft bij besluit van 7 juni 2019 aan appellante een maatwerkvoorziening voor een traplift verstrekt in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) ter hoogte van € 3.118,80. Volgens het college kan appellante met een traplift aan de buitenzijde van de trap de eerste verdieping van de woning bereiken en is een duurdere traplift aan de spilzijde niet nodig.
1.4.
Het college heeft bij besluit van 3 mei 2021 (bestreden besluit), voor zover hier van belang, het bezwaar tegen het besluit van 7 juni 2019 ongegrond verklaard en daarbij verwezen naar een (medisch) advies van ScioPeng en een door appellante ingebracht (medisch) advies van Trompetter & Partners (Trompetter).
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Voor zover hier van belang heeft de rechtbank geoordeeld dat het college mocht volstaan met het verstrekken van een (gereviseerde) traplift aan de buitenzijde van de trap en dat het verstrekte pgb hiervoor toereikend is. Het college heeft zich volgens de rechtbank mogen baseren op het (medisch) advies van ScioPeng dat zorgvuldig tot stand gekomen is. Daarin is onder meer geconcludeerd dat appellante niet in staat is om veilig en adequaat gebruik te maken van de trap. Deze conclusie wordt ondersteund door Trompetter. Dat in het onderzoek geen rekening is gehouden met het gebruik van een balancebelt en dat de fysiotherapeut en de ergotherapeut van appellante de meerwaarde ervan zien als zij gebruik kan blijven maken van de trap, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Verder volgt de rechtbank het college in het standpunt dat met een opklapbare stoel voldoende ruimte op de trap overblijft voor derden en voor de hond van appellante. Tot slot heeft de rechtbank het college en de Staat der Nederlanden (Staat) veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft tegen die uitspraak, kort samengevat, aangevoerd dat met een traplift aan de buitenzijde van de trap geen passende bijdrage in haar zelfredzaamheid en participatie wordt geleverd. Zij kan zich niet vinden in het medisch advies van ScioPeng en wijst er op dat zij vanwege haar beperkingen en het belang om lopend van de trap gebruik te kunnen blijven maken een traplift aan de spilzijde nodig heeft. Bovendien voldoet een traplift aan de buitenzijde van de trap volgens haar niet aan de geldende bouwvoorschriften. Zonder onderzoek hiernaar kon het college de traplift niet verstrekken. Verder is volgens appellante het verstrekte pgb ontoereikend. Tot slot heeft appellante betoogd dat de rechtbank ten onrechte geen aanleiding heeft gezien voor een proceskostenveroordeling en vergoeding van het griffierecht vanwege de veroordeling tot betaling van schadevergoeding wegens de overschrijding van de redelijke termijn.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of het oordeel van de rechtbank juist is aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het college het bestreden besluit mocht baseren op het (medisch) advies van ScioPeng. Ook wat appellante in hoger beroep naar voren heeft gebracht geeft geen aanleiding voor het oordeel dat dit (medisch) advies niet zorgvuldig tot stand is gekomen of dat dit niet concludent of anderszins onjuist zou zijn. Uit de verklaringen van de ergotherapeut en de fysiotherapeut van appellante van 18 september 2020 en 23 augustus 2021 volgt ook niet dat appellante veilig kan traplopen. De hierop gerichte beroepsgrond van appellante slaagt daarom niet.
4.2.
De beroepsgrond van appellante dat het college onvolledig onderzoek heeft verricht, omdat niet is onderzocht of een traplift aan de buitenzijde van de trap een met de bouwvoorschriften strijdige situatie oplevert, slaagt wel.
4.3.
Of met een maatwerkvoorziening een passende bijdrage wordt geleverd aan de zelfredzaamheid en participatie als bedoeld in artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 hangt namelijk ook af van de vraag of deze voorziening feitelijk gerealiseerd kan worden. Hierbij speelt ook een rol of de voorziening niet in strijd is met andere wet- en regelgeving.1
4.4.
Appellante heeft er onder meer op gewezen dat bij plaatsing van de traplift aan de buitenzijde de trapleuning moet worden verwijderd en dat de loopruimte op de trap smaller wordt dan de bouwvoorschriften toestaan. Ter zitting heeft het college erkend dat niet is onderzocht of de plaatsing van een traplift aan de buitenzijde van de trap leidt tot een situatie die in strijd is met het Bouwbesluit 2012 of met het daarop volgende Besluit bouwwerken leefomgeving. Daarmee staat niet vast of de plaatsing van de traplift aan de buitenzijde van de trap – al dan niet met de ter zitting door het college geopperde beugel aan de trapspil –
rechtens mogelijk is. Dit betekent dat ook niet is vast te stellen of met de verstrekte traplift een passende bijdrage is geleverd aan de zelfredzaamheid en participatie van appellante. Dit brengt mee dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en niet berust op een deugdelijke motivering, zodat dit besluit in strijd is met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
4.5.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep slaagt. Wat appellante over het bestreden besluit verder nog naar voren heeft gebracht, behoeft daarom geen bespreking.
4.6.
Ook slaagt de beroepsgrond van appellante dat de rechtbank ten onrechte geen aanleiding heeft gezien voor een proceskostenveroordeling. Verwezen wordt naar het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, in het bijzonder rechtsoverwegingen 3.14.1 en 3.14.2, waaruit volgt dat bij toekenning van schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn door de rechter een veroordeling in de proceskosten van de belanghebbende aangewezen is.2
Conclusie en gevolgen
4.7.
De rechtbank heeft wat is overwogen in 4.1 tot en met 4.6 niet onderkend. Dit betekent dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak zal worden vernietigd voor zover aangevochten. De Raad zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen voor zover dat betrekking heeft op de verstrekte traplift in de vorm van een pgb. Met de gegevens die voorhanden zijn, ziet de Raad geen mogelijkheid om zelf in de zaak te voorzien. De Raad zal het college daarom opdragen een nieuwe beslissing op het bezwaar van appellante tegen het besluit van 7 juni 2019 te nemen. Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen de door het college te nemen nieuwe beslissing op bezwaar alleen bij de Raad beroep kan worden ingesteld.
4.8.
Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.750,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting) en op € 1.750,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting). Hiernaast bestaat aanleiding het college en de Staat te veroordelen in de proceskosten in verband met de procedure die ziet op het verzoek om schadevergoeding wegens schending van de redelijke termijn. Deze kosten worden begroot op € 875,- (1 punt voor het indienen van het verzoek en 1 punt voor de behandeling van het hoger beroep, met wegingsfactor 0,5) waarbij het college en de Staat ieder € 437,50 dragen. Voor toekenning van een afzonderlijk punt voor de behandeling van het verzoek tijdens de zittingen bestaat in dit geval geen aanleiding.
4.9.
Verder wordt bepaald dat het college het door appellante in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 185,- vergoedt.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
-
vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
-
verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 3 mei 2021 voor zover dat betrekking heeft op de verstrekking van een traplift in de vorm van een pgb;
-
draagt het college op in zoverre een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak en bepaalt dat beroep tegen dit besluit slechts bij de Raad kan worden ingesteld;
-
veroordeelt het college in de proceskosten in beroep van appellante tot een bedrag van € 3.937,50;
-
veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 437,50;
-
bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 185,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door L.M. Tobé als voorzitter en K.H. Sanders en J.J. Janssen als leden, in tegenwoordigheid van C.K. Teunissen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 april 2024.
(getekend) L.M. Tobé
(getekend) C.K. Teunissen
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Wet maatschappelijke ondersteuning 2015
Artikel 2.3.5 van de Wmo 2015
1. Het college beslist op een aanvraag:
a. van een ingezetene van de gemeente om een maatwerkvoorziening ten behoeve van zelfredzaamheid en participatie;
(…)
3. Het college beslist tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met een algemeen gebruikelijke voorziening, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 2.3.2 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de client in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.
(…).
de Algemene wet bestuursrecht
Artikel 3:2 van de Awb
Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.
Artikel 7:12, eerste lid, van de Awb
1. De beslissing op het bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld. Daarbij wordt, indien ingevolge artikel 7:3 van het horen is afgezien, tevens aangegeven op welke grond dat is geschied.
1 Vergelijk de uitspraak van 4 december 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2716.