Zitting hebben: L.M. Tobé als voorzitter en A. van Gijzen en N.R. Docter als leden
Griffier: I. van der Hout
OVERWEGINGEN
1. Het CIZ heeft met een besluit van 23 juli 2020, op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet langdurige zorg (Wlz), aan appellante met ingang van 1 januari 2021 een indicatie voor onbepaalde tijd verleend voor het zorgprofiel GGZ Wonen met intensieve begeleiding en verzorging. Dit besluit heeft het CIZ bij de beslissing op bezwaar van 16 september 2022 (bestreden besluit) gehandhaafd, onder verwijzing naar de medische adviezen van 21 september 2020 en 6 april 2021. Volgens het CIZ is het toegekende zorgprofiel het best passend bij de zorgbehoefte van appellante. Het CIZ heeft hierbij onder meer in aanmerking genomen dat appellante passief is, geen hulpvraag stelt en afhankelijk is van anderen. Zij is wel in staat om de eenvoudige, dagelijkse handeling met stimulans en begeleiding uit te voeren. Het zorgprofiel GGZ Wonen met intensieve begeleiding en intensieve verpleging en verzorging is volgens het CIZ niet aan de orde, omdat volledige overname van de ADL niet nodig is. De noodzaak om insuline te injecteren en het incidenteel maken van een dagcurve is geen intensieve verpleging en monitoring als bedoeld in dit zorgprofiel.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank – voor zover van belang – het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft – kort samengevat – overwogen dat appellante geen medische informatie heeft overgelegd op grond waarvan aan de juistheid van de medische adviezen getwijfeld moet worden. Het CIZ heeft in het bestreden besluit inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd waarom het toegekende zorgprofiel het best passend is.
3. Appellante is het niet eens met de uitspraak van de rechtbank. Zij heeft – samengevat – aangevoerd dat het zorgprofiel GGZ Wonen met intensieve begeleiding en intensieve verpleging en verzorging het best passend is. Naast persoonlijke verzorging en begeleiding heeft zij namelijk verpleging nodig in verband met haar diabeteszorg en wondverzorging. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante verwezen naar een rapport van Register GZ-psycholoog M.C.J. van Rijn van 29 september 2020.
4. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellante heeft aangevoerd of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit juist is. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
4.1.
In geschil is de vraag of het zorgprofiel GGZ Wonen met intensieve begeleiding en verzorging of het zorgprofiel GGZ Wonen met intensieve begeleiding en intensieve verpleging en verzorging voor appellante het best passende zorgprofiel is. Voor het antwoord op deze vraag is bepalend welk zorgprofiel, gelet op de daarbij behorende samenhangende zorg, het best aansluit bij de geobjectiveerde zorgbehoefte van appellante.
4.2.
Het zorgprofiel GGZ Wonen met intensieve begeleiding en verzorging is gericht op verzekerden die vanwege een psychiatrische aandoening intensieve begeleiding nodig hebben. Kenmerkend is – onder meer – dat de cliënt niet op een adequate wijze om hulp vraagt en dat ondersteuning bij taken op alle levensterreinen nodig is, waaronder hulp vanwege somatische beperkingen. Daarnaast heeft de cliënt forse beperkingen bij het initiëren en uitvoeren van eenvoudige taken. Dagelijks repeterende handelingen worden voor de cliënt georganiseerd, waarbij de cliënt onder begeleiding taken kan uitvoeren. De cliënt heeft intensieve ondersteuning nodig bij alle cognitieve/psychische functies en veelal dagelijks behoefte aan hulp bij de persoonlijke verzorging.
4.3.
De Raad is van oordeel dat het CIZ op goede gronden het zorgprofiel GGZ Wonen met intensieve begeleiding en verzorging als het best passende zorgprofiel heeft geïndiceerd. Het CIZ heeft afdoende gemotiveerd dat dit zorgprofiel aansluit bij de zorgbehoefte van appellante. Dat in de beschrijving van dit zorgprofiel niet expliciet melding wordt gemaakt van verpleegkundige zorg betekent niet dat appellante met dit zorgprofiel de benodigde diabetes- en wondzorg niet zou kunnen krijgen. Het betreft hier immers een integraal pakket aan zorg dat ook verpleging kan omvatten. Dat appellante niet uitkomt met het persoonsgebonden budget is geen argument om te oordelen dat de samenhangende zorg binnen dit zorgprofiel niet het best passend voor haar is.
4.4.
Het CIZ heeft verder overtuigend toegelicht waarom het door appellante gewenste zorgprofiel GGZ Wonen met intensieve begeleiding en intensieve verpleging en verzorging voor haar niet passend is. Kenmerkend voor dit zorgprofiel is dat behoefte bestaat aan overname van taken op alle levensterreinen. Daarnaast zijn bij dit zorgprofiel de somatische klachten zodanig van aard dat veelal dagelijks intensieve verpleging en monitoring nodig is. Uit de beschikbare medische informatie blijkt niet dat de behoefte aan zorg in deze mate bij appellante aan de orde is.
5. De conclusie is dus dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak wordt bevestigd voor zover aangevochten. Appellante krijgt geen vergoeding voor haar proceskosten en krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug.
De griffier De voorzitter van de meervoudige kamer
(getekend) I. van der Hout (getekend) L.M. Tobé
Voor eensluidend afschrift
de griffier van de
Centrale Raad van Beroep