Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante, geboren in 1977, is bekend met een autismespectrumstoornis, een depressieve stoornis en een aandachtsdeficiëntie-/hyperactiviteitsstoornis.
1.2.
Nadat appellante zich op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) bij het college had gemeld voor ondersteuning, heeft het college een onderzoek verricht.
1.3.
Bij besluiten van 25 maart 2020 en 3 augustus 2020 heeft het college de aanvraag van appellante voor een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 bestaande uit de opleiding voor een hulphond afgewezen.
1.4.
Appellante heeft bezwaar gemaakt. In het kader van het bezwaar heeft het college nader onderzoek verricht.
1.5.
Bij besluit van 2 november 2020 (bestreden besluit) heeft het college het door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, onder verwijzing naar het verrichte onderzoek. Daarbij heeft het college zich onder meer op het standpunt gesteld dat de vergoeding voor hulphonden en/of trainingen voor het opleiden van honden onder de Zorgverzekeringswet (Zvw) valt en daarmee niet onder de Wmo 2015. Niet alle soorten hulphonden komen voor vergoeding vanuit de Zvw in aanmerking. Omdat er onvoldoende medisch wetenschappelijk onderzoek is gedaan naar de werking en de effectiviteit van een PTSS/ASS-hulphond worden de kosten voor deze honden niet vergoed.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft onder meer aangevoerd dat de rechtbank heeft miskend dat het college geen zorgvuldig onderzoek heeft verricht en dat het college niet draagkrachtig heeft onderbouwd dat de aangevraagde voorziening niet valt onder de Wmo 2015.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellante heeft aangevoerd of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit juist is. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep van belang zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
De zorgvuldigheid van het onderzoek
4.1.
De beroepsgrond dat het onderzoek van het college niet zorgvuldig is geweest slaagt niet. Wat appellante ter onderbouwing van deze beroepsgrond heeft aangevoerd vormt in essentie een herhaling van wat zij ook in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft daarover terecht overwogen dat het college zorgvuldig naar de hulpvraag, de problematiek en de aard en omvang van de door appellante benodigde ondersteuning heeft gekeken. De Raad onderschrijft dan ook het oordeel van de rechtbank dat niet gezegd kan worden dat het college onvoldoende uitvoering heeft gegeven aan zijn onderzoeksplicht.
4.2.
De beroepsgrond dat het college niet draagkrachtig heeft onderbouwd dat de aangevraagde maatwerkvoorziening niet valt onder de Wmo 2015 slaagt evenmin.
4.3.
Zoals de Raad in de uitspraak van 31 mei 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1046, heeft overwogen, wordt onder de ‘eigen kracht’ als bedoeld in artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 ook verstaan het aanspraak maken op voorzieningen die op grond van een andere wettelijke regeling bestaan, waaronder de Zvw. Verder heeft de Raad in die uitspraak geoordeeld dat geen recht op maatschappelijke ondersteuning bestaat indien de specifieke regeling, zoals de Zvw, slechts in een gedeeltelijke vergoeding van de aan de orde zijnde kosten voorziet en dat het college niet gehouden is een maatwerkvoorziening te verstrekken indien in die specifieke regeling een bewuste keuze is gemaakt om bepaalde kosten niet te vergoeden. Dit laat onverlet dat het het college wel vrij staat toch een maatwerkvoorziening te verstrekken als dat in een individuele situatie als het meest aangewezen wordt ervaren, zo volgt uit deze uitspraak.
4.4.
In de Zvw is bepaald dat het krachtens de zorgverzekering te verzekeren risico de behoefte aan hulpmiddelenzorg omvat.1 Uit de Zvw, het Besluit zorgverzekering en de Regeling zorgverzekering2 volgt dat hulpmiddelenzorg onder meer de uitwendige hulpmiddelen gerelateerd aan stoornissen in de hoorfunctie, in het bewegingssysteem en in de visuele functie omvat. Hieronder vallen signaalhonden, ADL-honden (assistentiehonden) en blindengeleidehonden. Alleen de kosten van deze honden komen dus, onder bepaalde voorwaarden, op grond van de Zvw voor vergoeding in aanmerking.
4.5.1.
Met het oog op deze zaak is van belang dat de Minister voor Langdurige Zorg en Sport (minister) de Tweede Kamer bij brief van 5 juli 20233 heeft geïnformeerd over ‘vergoeding van psychosociale hulphond via UWV, zorgverzekeraar of gemeente’. In deze brief zegt de minister dat er drie typen hulphonden zijn die worden vergoed vanuit het basispakket van de Zvw, namelijk de blindengeleidehond, de signaalhond en de ADL-hond (assistentiehond), Daarna zegt de minister het volgende:
“(…) De therapie-, epilepsie- en PTSS-hond behoren niet tot het verzekerde basispakket omdat de effectiviteit van deze hulphonden op dit moment onvoldoende wetenschappelijk bewezen is. Het voldoet niet aan de stand van wetenschap en praktijk.
Ten aanzien van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning 2015 (Wmo 2015) geldt het volgende. De gemeente verricht onderzoek naar de ondersteuningsvraag/behoefte van de inwoner. Zij kunnen waar nodig (en mogelijk) een maatwerkvoorziening toekennen om iemands beperkingen in zelfredzaamheid en/of participatie weg te nemen of te verminderen. Het kan bijvoorbeeld gaan om mensen met autisme of PTSS die aangeven baat te hebben bij een hulphond.
Gemeenten kunnen een aanvraag voor een hulphond afwijzen, omdat onvoldoende wetenschappelijk is aangetoond dat de hond een toegevoegde waarde heeft om beperkingen in zelfredzaamheid/participatie weg te nemen. Als een gemeente een hulphond ondanks dit gegeven als maatwerkvoorziening toekent, behoort tot de gemeentelijke beleidsvrijheid. (…) ”
4.6.
De Raad leidt hieruit af dat een bewuste keuze is gemaakt om bepaalde typen hulphonden, waaronder de door appellante gewenste hulphond, niet te vergoeden op grond van de Zvw.
4.7.
Uit wat in 4.3 tot en met 4.6 is overwogen vloeit voort dat het college niet gehouden is om de door appellante gewenste maatwerkvoorziening te verstrekken en dat het college draagkrachtig heeft gemotiveerd waarom het daarop gerichte verzoek van appellante is afgewezen.
Besluit zorgverzekering
1. Hulpmiddelenzorg omvat bij ministeriële regeling aangewezen, functionerende hulpmiddelen en verbandmiddelen, waarbij kan worden geregeld:
a. in welke gevallen de verzekerde recht heeft op die zorg;
(…)
2. De kosten van normaal gebruik van hulpmiddelen komen, tenzij bij ministeriële regeling anders is bepaald, voor rekening van de verzekerde.
Regeling zorgverzekering
Artikel 2.6
De aangewezen hulpmiddelen en verbandmiddelen zijn:
(…)
c. uitwendige hulpmiddelen gerelateerd aan stoornissen in de hoorfunctie, als omschreven in artikel 2.10;
(…)
e. uitwendige hulpmiddelen gerelateerd aan stoornissen in het bewegingssysteem, als omschreven in artikel 2.12;
f. uitwendige hulpmiddelen gerelateerd aan stoornissen in de visuele functie als omschreven in artikel 2.13;
Artikel 2.10
Hulpmiddelen als bedoeld in artikel 2.6, onderdeel c, omvatten:
a. hulpmiddelen ter correctie van stoornissen in de hoorfunctie voor zover er sprake is van een revalideerbaar oor met ten minste een verlies van 35 dB of ernstig oorsuizen;
b. hulpmiddelen ter compensatie van beperkingen in het luisteren of beperkingen in het gebruik van communicatieapparatuur, indien de hulpmiddelen als bedoeld onder a, hiervoor onvoldoende verbetering bieden dan wel indien deze hulpmiddelen substitueren voor de hulpmiddelen als bedoeld onder a.
(…)
4. Voor signaalhonden geldt dat een tegemoetkoming kan worden verleend in de redelijk te achten gebruikskosten.
Artikel 2.12
1.Hulpmiddelen als bedoeld in artikel 2.6, onderdeel e, omvatten:
a. hulpmiddelen ter correctie van gestoorde functies van het bewegingssysteem, aan beweging verwante functies of anatomische eigenschappen van structuren verwant aan beweging, toe te passen bij een ernstige aandoening, waarop de verzekerde permanent en niet uitsluitend bij sportactiviteiten is aangewezen.
b. hulpmiddelen, niet zijnde een hulpmiddel voor verzorging en verpleging op bed als omschreven in artikel 2.17, ter compensatie van beperkingen bij het:
1° lopen;
2° gebruiken van hand en arm;
3° veranderen en handhaven lichaamshouding;
4° zich wassen en zorgdragen voor de toiletgang;
5°gebruik van communicatieapparatuur.
(…)
4. Voor ADL-honden geldt dat een tegemoetkoming kan worden verleend in de redelijk te achten gebruikskosten.
1. Hulpmiddelen als bedoeld in artikel 2.6, onderdeel f, omvatten:
a. hulpmiddelen ter correctie van stoornissen in de visuele functie van het oog en van functies van aan het oog verwante structuren;
b. hulpmiddelen ter compensatie van beperkingen;
1° in het lezen, schrijven of gebruik van telecommunicatieapparatuur;
2° bij het om obstakels heenlopen of bij de oriëntatie.
(…)
5. Voor blindengeleidehonden geldt dat een tegemoetkoming kan worden verleend in de redelijk te achten gebruikskosten.