GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I (handelsrecht)
zaaknummer : 200.122.098/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : 514327/HA ZA 12-429
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 7 januari 2014
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
EAST WEST DEBT B.V.
gevestigd te Bodegraven, met kantoor te Den Haag,
appellante,
tevens (voorwaardelijk) incidenteel geïntimeerde,
advocaat: mr. J.M.K.P. Cornegoor te Amsterdam,
1. de naamloze vennootschap
KONINKLIJKE LUCHTVAART MAATSCHAPPIJ N.V.,
gevestigd te Amstelveen,
geïntimeerde,
advocaat: mr. J.S. Kortmann te Amsterdam,
2. de vennootschap naar buitenlands recht
SOCIÉTÉ AIR FRANCE S.A.,
gevestigd te Tremblay en France (Frankrijk),
geïntimeerde,
advocaat: mr. drs. D.A.M.H.W. Strik te Amsterdam,
3. de vennootschap naar buitenlands recht
DEUTSCHE LUFTHANSA A.G.,
gevestigd te Keulen (Duitsland),
geïntimeerde,
advocaat: mr. R.B. Gerretsen te Rotterdam,
4. de rechtspersoon naar buitenlands recht
BRITISH AIRWAYS PLC,
gevestigd te Harmondsworth, Londen (Engeland),
geïntimeerde,
tevens voorwaardelijk incidenteel appellante,
advocaat: mr. D.J. Beenders te Amsterdam.
1 Het geding in hoger beroep
Appellante wordt hierna EWD genoemd.
Geïntimeerden worden hierna gezamenlijk aangeduid als KLM c.s.
Geïntimeerden worden afzonderlijk genoemd:
- geïntimeerde 1: KLM
- geïntimeerde 2: Air France
- geïntimeerde 3: Lufthansa
- geïntimeerde 4: BA.
EWD is bij dagvaardingen van 7 februari 2013 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 7 november 2012, gewezen tussen EWD als eiseres, tevens verweerster in incidenten en KLM c.s. als gedaagden, tevens eiseressen in incidenten.
EWD heeft een memorie van grieven ingediend.
KLM en Air France hebben gezamenlijk een memorie van antwoord, met een productie, ingediend.
Lufthansa heeft een memorie van antwoord ingediend.
BA heeft een memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in voorwaardelijk incidenteel beroep, met een productie, ingediend.
EWD heeft een memorie van antwoord in (voorwaardelijk) incidenteel appel ingediend.
Op verzoek van EWD is pleidooi bepaald. Er zijn echter geen pleidooien gehouden omdat EWD nadien heeft meegedeeld af te zien van pleidooi.
Ten slotte is arrest gevraagd.
2 Beoordeling
Het geding in eerste aanleg
2.1.
Op 9 november 2010 heeft de Europese Commissie in een persbericht (IP/10/1487) bekend gemaakt dat zij elf luchtvaartbedrijven, waaronder KLM c.s. behoudens Lufthansa, voor in totaal € 799.445.000 geldboeten heeft opgelegd wegens betrokkenheid bij een internationaal kartel in het luchtvrachtvervoer in de periode van december 1999 tot februari 2006 en dat Lufthansa in het kader van de clementieregeling volledige boete-immuniteit heeft verkregen. De inbreuk op het mededingingsrecht is daarbij als volgt omschreven:
‘Aanvankelijk hadden de betrokken luchtvaartmaatschappijen het in hun tariefoverleg over brandstoftoeslagen. Ze hadden onderlinge contacten om ervoor te zorgen dat internationale luchtvrachtbedrijven voor alle zendingen een vaste toeslag per kilo berekenden. De kartelleden breidden hun samenwerking nadien uit door een veiligheidstoeslag in te voeren en door te weigeren hun klanten (expediteurs) een commissie over de toeslagen te betalen.
Met deze contacten wilden zij ervoor zorgen dat alle betrokken maatschappijen deze toeslagen zouden invoeren en dat verhogingen (of verlagingen) van de toeslagen onverkort werden toegepast. Door hun weigering commissies te betalen, zorgden de maatschappijen ervoor dat toeslagen geen punt van concurrentie konden worden (omdat klanten geen kortingen konden krijgen).
Dit soort praktijken is in strijd met de EU-concurrentieregels.’
KLM c.s. hebben tijdig tegen het besluit van de Europese Commissie beroep ingesteld bij het Gerecht van de Europese Unie (EU) en daarbij (onder meer) gevorderd dat het besluit nietig zal worden verklaard. Van het besluit is tot heden nog geen openbare versie gepubliceerd.
2.2.
EWD heeft bij exploot van 15 februari 2012 KLM c.s. gedagvaard voor de rechtbank en, na wijziging van eis, gevorderd dat de rechtbank voor recht zal verklaren, kort gezegd, dat KLM c.s. onrechtmatig hebben gehandeld jegens een aantal in de dagvaarding genoemde benadeelden door schending van artikel 101 VWEU en dat op de vorderingen tot schadevergoeding het Nederlands recht van toepassing is, met hoofdelijke veroordeling van KLM c.s. tot betaling aan EWD van
€ 27.905.945,-, met rente en proceskosten. EWD heeft daartoe onder meer aangevoerd dat de benadeelden hun vorderingen aan haar hebben overgedragen.
2.3
Vervolgens hebben KLM c.s. incidentele vorderingen ingesteld, te weten en voor zover thans van belang:
- -
tot verlof om andere luchtvaartondernemingen in vrijwaring op te roepen,
- -
tot aanhouding van de onderhavige zaak totdat het besluit van de Europese Commissie onherroepelijk is geworden, althans het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) een prejudiciële beslissing heeft gegeven over de geldigheid van dat besluit,
- -
tot aanhouding van de onderhavige zaak op de voet van artikel 28 van de Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (de Brussel I Verordening) totdat in een vergelijkbare procedure tussen meerdere eisers tegen BA, die aanhangig is in Groot-Brittannië, onherroepelijk zal zijn beslist.
2.4
Bij het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de oproeping in vrijwaring toegestaan en de behandeling van de zaak aangehouden totdat het besluit van de Europese Commissie of de uitspraak van de Unierechter daarover in kracht van gewijsde zal zijn gegaan. De rechtbank heeft ten aanzien van de beslissing tot aanhouding met name verwezen naar hetgeen zij heeft overwogen en beslist in haar uitspraak van 7 maart 2012 (nummer 486440/HA ZA 11-944, ECLI:NL:RBAMS: 2012:BV8444) in een andere zaak over het onder 3.1 bedoelde door de Europese Commissie geconstateerde kartel.
Het geschil in hoger beroep
2.5.
EWD komt in het principaal beroep op tegen de beslissing tot aanhouding van de behandeling van de zaak. BA heeft (voorwaardelijk) incidenteel beroep ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank om de behandeling niet aan te houden in afwachting van de uitkomst van de Engelse procedure.
2.6.
KLM en Air France hebben de vraag aan de orde gesteld of EWD ontvankelijk is in het beroep, omdat het beroep is gericht tegen een beslissing tot aanhouding van de behandeling. Waar de rechtbank de behandeling van de zaak heeft aangehouden op basis van de goede procesorde, wordt volgens KLM en Air France niet wezenlijk ingegrepen in de rechten van partijen maar beslist over de inrichting van de procedure, zodat geen rechtsmiddel openstaat.
2.7.
De beslissing van de rechtbank, waartegen het beroep is gericht, is voorzien van een uitvoerige motivering en heeft als waarschijnlijk gevolg dat EWD gedurende vele jaren de mogelijkheid wordt ontnomen voort te procederen. Het gaat dan ook om een beslissing die ingrijpt in de rechten en belangen van partijen en niet om een maatregel ter rolle, louter genomen ter bevordering van een behoorlijke rechtspraak en ter verzekering van een geregeld verloop van de procesgang, die gezien het geringe belang en oordeelsgehalte niet als vonnis wordt beschouwd. EWD kan daarom worden ontvangen in het beroep.
Aanhouding totdat onherroepelijk is beslist over het besluit van de Europese Commissie
2.8.
EWD heeft twee grieven aangevoerd tegen de beslissing van de rechtbank tot aanhouding van de behandeling van de zaak. De grieven lenen zich voor gezamenlijke bespreking. Uit de grieven blijkt dat EWD in hoger beroep zich – anders dan in eerste aanleg – ook verzet tegen aanhouding totdat het Gerecht van de Europese Unie over de geldigheid van het besluit van de Europese Commissie van 9 november 2010 heeft beslist.
2.9.
Bij arrest van 24 september 2013 heeft het hof in de zaak tussen Equilib B.V. en KLM c.s. en andere luchtvaartmaatschappijen (zaaknummer 200.109.253/01) het onder 3.4 genoemde vonnis van de rechtbank vernietigd, voor zover daarbij de zaak is aangehouden totdat het besluit van de Europese Commissie of de uitspraak daarover van de Unierechter in kracht van gewijsde is gegaan (ECLI:NL:GHAMS:2013:3013). Het hof verwijst naar dat arrest – met name de overwegingen 3.11 tot en met 3.16 – en ziet geen aanleiding om in de onderhavige zaak tot een andere beslissing te komen.
2.10.
In de onderhavige zaak zijn KLM en Air France nog uitvoerig ingegaan op het verschijnsel litigation funding en de kwalificatie van EWD als litigation vehicle of claimvehikel, in aanmerking genomen dat EWD op commerciële basis de aanspraken op schadevergoeding van diverse benadeelde ondernemingen probeert te verzilveren. Hetgeen KLM en Air France daarover hebben opgemerkt, rechtvaardigt vooralsnog niet de conclusie dat in het onderhavige geval sprake is van misbruik van (proces)recht door EWD of van een anderszins ontoelaatbare gedragingen van EWD in het kader van het verkrijgen van schadevergoeding. Ook daarin is dan ook thans geen grond gelegen voor een andere beslissing dan in de zaak met zaaknummer 200.109.253/01 of om nadere eisen aan EWD te stellen in het kader van de goede procesorde of ter bescherming van de belangen van KLM c.s. en/of de ondernemingen van wie EWD de rechten overgedragen heeft gekregen.
2.11.
Uit het voorgaande volgt dat de incidentele vordering tot aanhouding van de behandeling van de zaak alsnog dient te worden afgewezen. De procedure bij de rechtbank zal moeten worden voortgezet en KLM c.s. zal een conclusie van antwoord moeten nemen om:
a. toe te lichten dat zij zich in de procedure ten overstaan van de Unierechter in redelijkheid verzet tegen het besluit van de Commissie;
b. de verweren aan de orde te stellen die zij in het geding wil voeren, zodat de nationale rechter kan beoordelen of en in hoeverre de beoordeling van die verweren afhangt van de geldigheid van het besluit van de Commissie.
Op basis van de stukken en de daarbij gegeven toelichting kan de rechtbank vervolgens beslissen of en in hoeverre de behandeling van de zaak moet worden aangehouden.
2.12.
Hetgeen EWD voor het overige in het principaal beroep heeft aangevoerd, behoeft geen bespreking meer.
Aanhouding totdat onherroepelijk is beslist in de procedure in Groot-Brittannië
2.13.
BA heeft in eerste aanleg aan hun incidentele vordering tot aanhouding ook ten grondslag gelegd, hetgeen is bepaald in artikel 28 van de Brussel I Verordening. De rechtbank heeft in dit stadium van de procedure geen reden aanwezig geacht voor aanhouding van de procedure op die grondslag. Deze grondslag is onderwerp van het (voorwaardelijk) incidenteel beroep van BA.
2.14.
Ook op dit punt verwijst het hof naar zijn arrest van 24 september 2013 in de zaak met zaaknummer 200.109.253/01 en met name naar de overwegingen 3.19 en 3.20. Het hof ziet geen aanleiding voor een andersluidende beslissing in de onderhavige zaak. Dat leidt tot de conclusie dat artikel 28 van de Brussel I Verordening geen grondslag biedt voor aanhouding van de onderhavige zaak en dat het (voorwaardelijk) incidenteel beroep geen doel treft.
Conclusie
2.15.
Het bestreden vonnis moet worden vernietigd voor zover dat aan het hof is voorgelegd, dat wil zeggen voor zover daarbij in de incidenten tot aanhouding en in de hoofdzaak de behandeling van de zaak is aangehouden en voor zover dientengevolge EWD is veroordeeld in de proceskosten in de incidenten.
Tussentijds cassatieberoep
2.16.
Het hof zal tussentijds cassatieberoep niet toestaan. De voortgang van het geding heeft al aanmerkelijke vertraging opgelopen nog voordat een conclusie van antwoord is genomen, en een tussentijds cassatieberoep zal de vertraging in voor EWD onaanvaardbare mate nog verder doen toenemen. Daarbij komt dat met hetgeen hiervoor is bepaald ten aanzien van de procedurele verplichtingen van KLM c.s. al in voldoende mate rekening is gehouden met de belangen van KLM c.s. om onnodige kosten te voorkomen. Bovendien heeft de rechtbank de nodige mogelijkheden om in overleg met partijen regie te voeren over de inrichting van de verdere procedure, mede ter voorkoming van onnodige vertraging enerzijds en onnodige kosten anderzijds.
2.17.
In het principaal beroep zijn partijen over en weer op onderdelen van hun standpunten in het ongelijk gesteld. De proceskosten zullen daarom worden gecompenseerd.
2.18.
De proceskosten van het incident in eerste aanleg tot aanhouding zijn ten onrechte ten laste van EWD gebracht omdat zij ten onrechte in het ongelijk is gesteld. Die kosten behoren voor rekening van KLM c.s. te komen omdat zij in een te vroeg stadium van de zaak aanhouding van de behandeling hebben gevorderd.
2.19.
Voor een proceskostenveroordeling in het (voorwaardelijk) incidenteel beroep is geen plaats omdat hetgeen daar is aangevoerd, ingevolge de devolutieve werking van het beroep bij het slagen van het principaal beroep aan de orde moest komen.
3 Beslissing
vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover daarbij:
- de vordering in het incident tot aanhouding is toegewezen,
- EWD is veroordeeld in de proceskosten in dat incident,
- de hoofdzaak is aangehouden onder verwijzing naar de parkeerrol;
in zoverre opnieuw rechtdoende:
wijst alsnog af de incidentele vordering tot aanhouding van de behandeling van de zaak;
veroordeelt, uitvoerbaarbaar bij voorraad, KLM c.s. hoofdelijk in de kosten:
- van de eerste aanleg in het incident tot aanhouding, tot op heden aan de zijde van EWD bepaald op € 452,- voor salaris;
- van het principaal beroep, tot op heden aan de zijde van EWD bepaald op
€ 683,- aan griffierecht en op € 894,- voor salaris;
in (voorwaardelijk) incidenteel beroep
voorts in principaal en (voorwaardelijk) incidenteel beroep
wijst de zaak terug naar de rechtbank om voort te procederen.
Dit arrest is gewezen door mrs. W.J.J. Los, C.A. Joustra en E.E. van Tuyll van Serooskerken-Röell en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op
7 januari 2014.