4.1.1.
Ter zake van het eerste geschilpunt heeft de rechtbank als volgt overwogen:
“6. De rechtbank ziet zich allereerst geplaatst voor de vraag of eiser bevoegd was tot het doen van de aangifte 2010. Eiser stelt dat hij niet bevoegd was, omdat hij ten tijde van het doen van de aangifte onder bewind stond. De rechtbank overweegt dat de bevoegdheden van iemand op wie de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is kúnnen (niet: móeten) worden uitgeoefend en nagekomen door diens bewindvoerder (artikel 43 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen). Dit betekent dat eiser zelf bevoegd was aangifte te doen. De aangifte is derhalve rechtsgeldig. Overigens, wat er verder ook van zij van deze stelling, eiser heeft niet betoogd dat de aangifte onjuist is. Integendeel, ter zitting heeft eiser verklaard dat de aangifte klopt. Eisers stelling dat verweerder de bewindvoerder er op had moeten wijzen dat de aangifte op het punt van de uitgaven voor woningaanpassingen niet juist was, zodat hij thans niet met een terugbetaling van € 7.178 zou zijn geconfronteerd, kan gelet op het vorenstaande dan ook niet slagen. Evenmin behoefde verweerder eiser er in een eerder stadium op te wijzen dat de in de aangifte geclaimde aftrekpost van € 16.260 niet zou worden geaccepteerd. Verweerder is immers op grond van het bepaalde in artikel 11, derde lid, van de Algemene wet rijksbelastingen een termijn van drie jaar gegund om de aanslag vast te stellen.”
4.2.1.
Met betrekking tot het tweede geschilpunt, de kosten in verband met de verhuizing, heeft de rechtbank het volgende overwogen:
“7. In geschil is voorts de vraag of de door eiser in de aangifte opgevoerde zorgkosten in aanmerking kunnen worden genomen als uitgaven in de zin van de Wet IB 2001. Daarbij heeft eiser ter zitting bevestigd dat uitsluitend de aftrek van € 16.260 ter zake van de aanpassingen aan de woning in geschil is.
8. Artikel 6.1 van de Wet IB 2001 luidt - voor zover van belang - als volgt:
”1. Persoonsgebonden aftrek is het gezamenlijke bedrag van:
a. de in het kalenderjaar op de belastingplichtige drukkende persoonsgebonden aftrekposten (…)
2. Persoonsgebonden aftrekposten zijn de:
(…)
d. uitgaven voor specifieke zorgkosten (afdeling 6.5);
(…)”
Het begrip uitgaven voor specifieke zorgkosten is nader uitgewerkt in artikel 6.17 van de Wet IB 2001. Dit artikel luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
“1. Uitgaven voor specifieke zorgkosten zijn de uitgaven die wegens ziekte of invaliditeit zijn gedaan voor:
(…)
d. andere hulpmiddelen, met uitzondering van brillen, contactlenzen en overige hulpmiddelen ter ondersteuning van het gezichtsvermogen;
2. Als ander hulpmiddel als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, wordt mede aangemerkt een middel dat de persoon in staat stelt tot het verrichten van een normale lichaamsfunctie waartoe hij zonder dat middel niet in staat zou zijn. Hiertoe worden gerekend:
a. aanpassingen van een woning, woonboot, woonwagen of aanhorigheid daarvan, die vanwege een functiebeperking op medisch voorschrift zijn aangebracht, voorzover de aanpassingen niet leiden tot een waardevermeerdering van de woning, woonboot, woonwagen of aanhorigheid daarvan welke uitgaat boven tien procent van de op de belastingplichtige drukkende aanpassingskosten;
(…)”.
9. Eiser heeft gesteld dat hij door zijn invaliditeit gedwongen was te verhuizen en dat, nu de nieuwe woning aan de [adres] kleiner is en de oude inboedel daarin niet paste, hij nieuwe spullen heeft moeten aanschaffen, te weten meubels (waaronder een bed), een vloer, gordijnen, vitrages en zonwering. Eiser is van mening dat, nu de verhuizing medisch geïndiceerd is, alle met de verhuizing verband houdende kosten als zorgkosten kwalificeren. Eiser heeft nota’s overgelegd van de aanschafkosten van voornoemde spullen en heeft voorts stukken van de gemeente [gemeente] overgelegd, waaruit onder meer blijkt dat de verhuizing van eiser naar de woning [adres] medisch noodzakelijk was, dat aan eiser op grond van de Wmo een bedrag van € 3.750 (waarin ook kosten van stoffering en behang zijn begrepen) aan verhuiskosten is vergoed en dat eisers verzoek om bijzondere bijstand in verband met herinrichtingskosten door de gemeente is afgewezen. Ook blijkt uit de stukken dat de gemeente aanpassingen aan de woning heeft gedaan, te weten het installeren van een traplift, het plaatsen van een onderrijdbare keuken, het verbreden van een deur, het creëren van een schuifdeur en het aanpassen van de bestrating, toilet, de badkamer en berging.
10. Eiser heeft ter onderbouwing van de aftrek rekeningen overgelegd van een meubelhandel betreffende laminaat, gordijnen, een boxspring, meubels, stoelen etc., alsmede een rekening voor een terrasscherm en rolluiken. Verder stelt eiser dat hij een bedrag van € 8.200 heeft betaald aan Poolse werknemers in verband met stucwerk, spachtelputz en schilderwerk. De door eiser gemaakte kosten zien naar het oordeel van de rechtbank op kosten van inrichting van de woning en niet op kosten van woningaanpassing in de zin van artikel 6.17 van de Wet IB 2001. De omstandigheid dat de gemeente [gemeente] eisers verzoek om een vergoeding van de inrichtingskosten heeft afgewezen, geeft geen aanleiding tot een ander oordeel. Ook is niet aannemelijk geworden dat eiser deze uitgaven heeft gedaan op medisch voorschrift. De omstandigheid dat andere aanpassingen aan de woning zijn gedaan op medische indicatie brengt hierin geen verandering. Blijkens de door eiser overgelegde stukken zijn verhuiskosten en daaronder ook kosten van stoffering vergoed, zodat deze uitgaven in zoverre niet op eiser drukken en ook om die reden aftrek niet mogelijk is. Bovendien is een deel van de uitgaven reeds in 2009 door eiser voldaan, zodat deze in 2010 evenmin voor aftrek in aanmerking kunnen komen. Van de door eiser gestelde kosten van het schilder- en stucwerk ad € 8.200 is voorts geen bewijs van betaling overgelegd, terwijl verweerder daar wel om heeft gevraagd. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat eiser geen recht heeft op een bedrag aan aftrek in verband met de aanpassingen aan de woning.”
4.2.2.
Het Hof volgt het oordeel van de rechtbank en voegt daar nog het volgende aan toe. De door belanghebbende opgevoerde kosten, voor zover met bewijsstukken onderbouwd, zijn niet aan te merken als uitgaven voor aanpassingen van de woning die vanwege een functiebeperking op medisch voorschrift zijn aangebracht als bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, onderdeel d, en tweede lid, onderdeel a, Wet inkomstenbelasting 2001 (de Wet).
De kosten hebben immers geen betrekking op aanpassing van de woning ten behoeve van functieverbetering; die aanpassingen waren reeds in opdracht van de gemeente verricht.
De door belanghebbende betaalde kosten zijn kosten van inrichting van de woning en zijn geen kosten van aanpassingen als bedoeld in bovengenoemd wetsartikel. Voorts is niet gesteld of aannemelijk geworden dat de kosten zijn opgeroepen door de aanpassingen aan de woning die in opdracht van de gemeente zijn verricht.
4.2.3.
Wel ziet het Hof nog aanleiding om te beoordelen of de kosten eventueel aftrekbaar zijn op basis van het bepaalde in artikel 6.17, eerste lid, onderdeel d, en tweede lid, onderdeel b, van de Wet. Dat artikellid bepaalt (tekst 2010) dat tot de specifieke zorgkosten kunnen behoren de uitgaven voor zaken en aanpassingen van zaken, niet zijnde aanpassingen van de woning, voor zover deze zaken en aanpassingen van een zodanige aard zijn dat zij hoofdzakelijk door zieke of invalide personen worden gebruikt. Uit de overgelegde facturen valt naar het oordeel van het Hof echter niet anders af te leiden dan dat al hetgeen belanghebbende in het kader van de verhuizing heeft aangeschaft, evenzeer door niet-zieke of niet-invalide personen wordt gebruikt. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat een of meer van de door hem geclaimde uitgaven betrekking heeft op (aanpassingen van) zaken die hoofdzakelijk door zieke of invalide personen worden gebruikt.
4.2.4.
Het gegeven dat de kosten, zoals belanghebbende heeft gesteld, zijn opgeroepen door de (medisch geïndiceerde) verhuizing is niet voldoende om die kosten te bestempelen tot specifieke zorgkosten die aftrekbaar zijn als persoonsgebonden aftrekpost. De mogelijkheid tot aftrek is beperkt tot in de Wet limitatief opgesomde kosten. De door belanghebbende opgevoerde kosten vallen daar niet onder.
4.3.1.
Voorts heeft belanghebbende een grief aangevoerd tegen onderdeel 11 van de uitspraak van de rechtbank, waarin de rechtbank het volgende heeft overwogen:
“11. Eisers stelling dat de bewindvoerder de aanslag al heeft betaald en dat daarom de belasting dubbel wordt geheven, slaagt evenmin. Verweerder heeft in 2010 twee voorlopige aanslagen opgelegd, met een aan eiser te betalen bedrag van in totaal € 5.002. Deze zijn aan eisers bewindvoerder uitgekeerd. Daarnaast heeft verweerder in 2010 een derde voorlopige aanslag opgelegd naar een door eiser te betalen bedrag van € 5.600. Ingevolge artikel 15 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen wordt een voorlopige aanslag verrekend met de definitieve aanslag. Verweerder heeft het bedrag van de definitieve aanslag verrekend met de voornoemde drie voorlopige aanslagen. Na de verrekening resteert een bedrag van € 7.178 aan verschuldigde belasting en heffingsrente.”
4.4.1
Met betrekking tot het vierde geschilpunt heeft belanghebbende gesteld dat de inspecteur heeft gehandeld in strijd met het motiveringsbeginsel, de zorgvuldigheidseis en het verbod van willekeur en dat sprake is van misbruik van bevoegdheden en schending van het proportionaliteitsbeginsel. De rechtbank heeft hierover als volgt overwogen:
“13. Voorts heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat sprake is geweest van schending van enig rechtsbeginsel. Daarbij overweegt de rechtbank dat niet valt in te zien op welke inhoudelijke bezwaren van eiser verweerder zou hebben verzuimd te beslissen in de uitspraak op bezwaar. De rechtbank is dan ook van oordeel dat uitspraak op bezwaar toereikend is gemotiveerd. Dat eiser het niet eens is met verweerders beslissing, kan niet leiden tot een motiveringsgebrek.
14. De door eiser gestelde onheuse bejegening door verweerder kan evenmin leiden tot vermindering van de onderhavige aanslag. Wat daar ook van zij, dit kan niet afdoen aan de rechtsgeldigheid van de aanslag. Bovendien zien de bejegeningsklachten op de heer [A] , de ontvanger van de belastingdienst, die niet bij de onderhavige aanslagregeling betrokken is geweest.”