4 Overwegingen van de rechtbank
De rechtbank heeft ten aanzien van het geschil het volgende overwogen.
“8. Artikel 6.17 van de Wet IB 2001 luidt, voor zover van belang, als volgt:
“1. Uitgaven voor specifieke zorgkosten zijn de uitgaven die wegens ziekte of invaliditeit zijn gedaan voor:
a. genees- en heelkundige hulp, met uitzondering van ooglaserbehandelingen ter vervanging van bril of contactlenzen;
b. vervoer;
c. farmaceutische hulpmiddelen verstrekt op voorschrift van een arts;
d. andere hulpmiddelen, met uitzondering van brillen, contactlenzen en overige hulpmiddelen ter ondersteuning van het gezichtsvermogen;
(…)”
In het tweede lid, onder b, van artikel 6.17 van de Wet IB 2001 wordt het begrip ‘ander hulpmiddel’ nader gedefinieerd:
“Als ander hulpmiddel als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, wordt mede aangemerkt een middel dat de persoon in staat stelt tot het verrichten van een normale lichaamsfunctie waartoe hij zonder dat middel niet in staat zou zijn. Hiertoe worden gerekend:
a. aanpassingen van een woning, woonboot, woonwagen of aanhorigheid daarvan, die vanwege een functiebeperking op medisch voorschrift zijn aangebracht, voorzover de aanpassingen niet leiden tot een waardevermeerdering van de woning, woonboot, woonwagen of aanhorigheid daarvan welke uitgaat boven tien procent van de op de belastingplichtige drukkende aanpassingskosten;
b. zaken en aanpassingen van zaken, niet zijnde een aanpassing van een woning, woonboot, woonwagen of aanhorigheid daarvan, voorzover deze zaken en aanpassingen van een zodanige aard zijn dat zij hoofdzakelijk door zieke of invalide personen worden gebruikt.”
9. Blijkens vaste jurisprudentie kan op de voet van artikel 6.17, tweede lid van de Wet IB 2001 aftrek worden verleend, indien het hulpmiddel een bijzondere hoedanigheid bezit die meebrengt dat deze hoofdzakelijk wordt gebruikt door zieke en/of invalide personen, dan wel naar haar aard een door ziekte of invaliditeit gestoorde elementaire lichaamsfunctie kan overnemen. Daartoe is onvoldoende dat er een causaal verband bestaat tussen de aanschaf en het gebruik van het middel en de vermindering van de klachten als gevolg waarvan een elementaire lichaamsfunctie kan worden uitgeoefend. Vereist is dat het middel een bijzondere hoedanigheid bezit die meebrengt dat het alleen wordt gebruikt door zieke en/of invalide personen, dan wel naar zijn aard een door ziekte of invaliditeit gestoorde elementaire lichaamsfunctie kan overnemen (vgl. Hoge Raad 25 april 2001, nr. 36 029, ECLI:NL:HR:2001:AB1297, Hoge Raad 5 maart 2004, nr. 38 428, ECLI:NL:HR:2004:AO5054 en Hoge Raad 14 september 2007, nr. 41 597, ECLI:NL:HR:2007:BB3439).
10. De rechtbank is van oordeel dat de Hudsonbike een elektrische fiets betreft, oftewel een zogenoemde E-bike (hierna: E-bike). Een E-bike neemt geen lichaamsfunctie over, maar de functie van een normale fiets. Anders dan eiser betoogt kan de Hudsonbike niet de lichaamsfuncties van spieren en longen overnemen. De omstandigheid dat voor een E-bike nog trapondersteuning nodig is terwijl een Hudsonbike ook zonder trapondersteuning nog vooruit kan gaan door middel van een draaihandvat, is geen grond de Hudsonbike anders te kwalificeren dan een E-bike. Deze omstandigheid brengt niet mee dat de Hudsonbike een bijzondere hoedanigheid bezit waardoor deze naar zijn aard een door ziekte of invaliditeit gestoorde elementaire lichaamsfunctie kan overnemen. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat ook indien de Hudsonbike zou worden gezien als een snor- of bromfiets, nog steeds niet aan dit criterium is voldaan.
11. Nu geen sprake is van een middel die een elementaire lichaamsfunctie kan overnemen, dient te worden beoordeeld of is voldaan aan het criterium dat de Hudsonbike een bijzondere hoedanigheid bezit welke meebrengt dat deze (hoofdzakelijk) wordt gebruikt door zieke en/of gehandicapte personen. De tekst van artikel 6.17, tweede lid, onderdeel b, Wet IB 2001 is per 1 januari 2009 in de Wet IB 2001 opgenomen. Tot die tijd was deze tekst opgenomen in artikel 20a, onderdeel b, Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001. Met deze verplaatsing is geen inhoudelijke wijziging beoogd (Kamerstukken II, 2008-2009, 31.706, nr. 3 blz. 47). Artikel 20a is in het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 opgenomen per 1 januari 2002 (Stb 2003/112). Met betrekking tot onderdeel b van artikel 20a, is in de toelichting op artikel 20a het volgende - voor zover hier van belang - opgenomen:
“In onderdeel b van het nieuwe artikel 20a gaat het om zaken die specifiek ten behoeve van het functioneren van de chronisch zieke of gehandicapte worden aangeschaft of aangepast. Wanneer een zaak of een aanpassing van een zaak reeds onder onderdeel a van artikel 20a valt, is onderdeel b niet aan de orde. Deze zaken kunnen bijvoorbeeld zijn woninginrichting en apparatuur. Onder aanpassingen van zaken vallen bijvoorbeeld aanpassingen van een auto. Onderdeel b beoogt het in de jurisprudentie doorgaans gebruikte criterium «van een zodanige aard zijn dat zij (de zaak of aanpassing) alleen door zieke of invalide personen plegen te worden gebruikt» vast te leggen. In dit besluit is gekozen voor de term «hoofdzakelijk». Dit betekent dat het voor de kwalificatie als hulpmiddel geen belemmering is als het middel incidenteel ook buiten verband met ziekte of handicap aangewend wordt, maar dat de aard van het middel wel dusdanig moet zijn dat het normaliter alleen bedoeld is voor mensen met een ziekte of handicap. (…)
Het moet bij het criterium van onderdeel b gaan om zaken die een bijzondere hoedanigheid bezitten welke meebrengt dat deze zaken hoofdzakelijk worden gebruikt door zieke en/of invalide gehandicapte personen. (…)
Het verstrekkingenpakket van het ziekenfonds en de AWBZ kan een belangrijke aanwijzing zijn om te bepalen of een voorziening een bijzondere hoedanigheid bezit welke meebrengt dat de voorziening hoofdzakelijk wordt gebruikt door zieke en/of gehandicapte personen.”
12. Gelet op de hiervoor weergegeven toelichting kwalificeert de Hudsonbike niet als een middel die een zodanige hoedanigheid bezit dat deze hoofdzakelijk door zieke en/of gehandicapte personen wordt gebruikt. Een elektrische fiets behoort namelijk in het algemeen tot de normale gebruiksvoorwerpen welke ook door gezonde personen worden gebruikt. Dat dit ten aanzien van de Hudsonbike anders zou zijn, zoals eiser betoogt, kan de rechtbank niet uit de door eiser overgelegde gegevens van de BOVAG/Rai afleiden. Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat aan de Hudsonbike aanpassingen specifiek voor de echtgenote zijn aangebracht. De fiets onderscheidt zich dan ook niet van elektrische fietsen die door gezonde mensen worden gebruikt. Dat de fiets een lage instap heeft, leidt niet tot een ander oordeel, aangezien hiermee de aard van de fiets niet wijzigt. De omstandigheid dat voor een E-bike nog trapondersteuning nodig is terwijl de Hudsonbike ook zonder trapondersteuning vooruit kan gaan door middel van een draaihandvat, is - zoals hierboven reeds geoordeeld - geen grond de Hudsonbike anders te kwalificeren dan een E-bike.
13. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de Hudsonbike niet als hulpmiddel in de zin van artikel 6.17 van de Wet IB 2001 wordt aangemerkt. Verweerder heeft de hiervoor in aftrek gebrachte kosten terecht gecorrigeerd. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.”
5 Beoordeling van het geschil
5.1.
Belanghebbende heeft in zijn hoger beroep in de eerste plaats aangevoerd dat de rechtbank blijkens punt 9 (derde volzin) van haar uitspraak ten onrechte als uitgangspunt heeft genomen dat voor kwalificatie als “ander hulpmiddel” in de zin van artikel 6.17, lid 1, aanhef en onder d, van de Wet IB 2001 is vereist dat het middel (in casu de fiets) alleen wordt gebruikt door zieke en/of invalide personen, omdat voor een kwalificatie als “ander hulpmiddel” volstaat dat het middel hoofdzakelijk wordt gebruikt door zieke en/of invalide personen. Hudsonbikes worden volgens belanghebbende hoofdzakelijk gebruikt door mindervalide personen en kwalificeren daarom wel degelijk als “ander hulpmiddel”. Ten tweede heeft belanghebbende aangevoerd dat de rechtbank in de punten 10 en 11 van haar uitspraak de door hem aangeschafte elektrische fiets ten onrechte als e-bike kwalificeert. De elektrische fiets (van het merk Hudsonbike) kan zowel de trapbeweging van de berijder ondersteunen als volledig elektrisch aangedreven voortbewegen, waarbij de fiets door het draaien van het handvat (gashendel) in beweging komt, terwijl een e-bike (slechts) de trapbeweging van de berijder ondersteunt. Tot slot heeft belanghebbende een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel.
5.2.
De inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat het oordeel van de rechtbank juist is en dat belanghebbende ook in hoger beroep niet aannemelijk heeft gemaakt dat Hudsonbikes hoofdzakelijk door zieke en/of invalide personen worden gebruikt. Het Hof overweegt ter zake als volgt.
5.3.
De rechtbank heeft blijkens punt 11 en 12 van haar uitspraak onderzocht of de door belanghebbende aangeschafte fiets over een bijzondere hoedanigheid beschikt die meebrengt dat deze hoofdzakelijk wordt gebruikt door zieke en/of invalide personen. De rechtbank heeft hiermee, anders dan belanghebbende heeft betoogd, een juist criterium aangelegd. Nu belanghebbende aanspraak wenst te maken op de begunstigende regeling van artikel 6.17 van de Wet IB 2001, ligt het op zijn weg om tegenover de betwisting door de inspecteur aannemelijk te maken dat de door hem aangeschafte elektrische fiets over een bijzondere hoedanigheid beschikt die meebrengt dat deze hoofdzakelijk wordt gebruikt door zieke en/of invalide personen. Het Hof is met de rechtbank van oordeel dat belanghebbende, met hetgeen hij heeft aangevoerd, niet is geslaagd in deze op hem rustende bewijslast. De omstandigheid dat er in 2012 in totaal 385 fietsen van het merk Hudsonbike zijn verkocht, dat de fiets zich volledig elektrisch kan voortbewegen en dat de fiets beschikt over een lage instap, is daartoe onvoldoende.
5.4.
Tussen partijen bestaat verschil van inzicht over de betekenis van de term “e-bike”. Volgens belanghebbende is een e-bike een fiets met trapondersteuning. Volgens de inspecteur is een e-bike een volledig elektrisch aangedreven fiets. De onderhavige fiets kan naar keuze van de berijder hetzij volledig elektrisch voortbewegen hetzij slechts trapondersteuning bieden. Voor de beslechting van het geschil is dit verschil van inzicht niet van belang. Vast staat dat in casu sprake is van een volledig elektrisch aangedreven fiets, waarbij de gebruiker de fiets reeds in beweging kan zetten en de snelheid kan bepalen door aan het handvat te draaien, op gelijke wijze als bij (bijvoorbeeld) een snorfiets. Ook de rechtbank is hier – blijkens punt 10 van haar uitspraak – van uit gegaan. De rechtbank heeft geoordeeld dat een dergelijke elektrische fiets geen lichaamsfunctie overneemt, maar de functie van een normale fiets. Het Hof volgt de rechtbank hier in, wat er verder ook zij van de door de rechtbank gehanteerde term e-bike.
5.5.
Belanghebbende heeft gesteld dat een (opvouwbare) elektroscooter die wordt aangeschaft in verband met een spierziekte, blijkens een beleidsbesluit van de Staatssecretaris dat hij op het internet heeft gevonden, destijds wél kwalificeerde als hulpmiddel in de zin van artikel 6.17, lid 1, aanhef en onder d, van de Wet IB 2001. Zijn elektrische fiets, die is aangeschaft in verband met een longziekte, zou ook zo moeten worden beschouwd, nu in wezen sprake is van vergelijkbare gevallen. Hij doet in dat kader een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Het Hof heeft partijen voorgehouden dat met de term “elektroscooter” in het desbetreffende beleidsbesluit (Besluit van 21 januari 2010, par. 3.13.2) niet werd gedoeld op een elektrische scooter, maar op een scootmobiel, zijnde een 3- of meerwielig voertuig met een elektrische aandrijving, hetgeen door de inspecteur is bevestigd. Het Hof is van oordeel dat de elektrische fiets van belanghebbende niet vergelijkbaar is met een scootmobiel, zodat het beroep op het gelijkheidsbeginsel wordt verworpen.
5.6.
Nu belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de door hem aangeschafte elektrische fiets een bijzondere hoedanigheid bezit die meebrengt dat deze hoofdzakelijk wordt gebruikt door zieke of invalide personen en de fiets evenmin een door ziekte of invaliditeit gestoorde elementaire lichaamsfunctie kan overnemen, kunnen de aanschafkosten van de fiets niet op de voet van artikel 6.17 van de Wet IB 2001 in aftrek worden gebracht.
5.7.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.
7 Beslissing
Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door mrs. B.A. van Brummelen, voorzitter, C.J. Hummel en
W.M.C. Schipper, in tegenwoordigheid van mr. A.H. van Dapperen, als griffier. De beslissing is op 15 juni 2017 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.