FNV c.s. hebben in hoger beroep – bij memorie van grieven – hun eis op een aantal onderdelen gewijzigd. Helpling heeft bij akte bezwaar gemaakt tegen de volgende vier eiswijzigingen (verder ook: de gewijzigde vorderingen):
A (subsidiair): te verklaren voor recht dat het beding zoals opgenomen in paragraaf 4 lid 1 van de algemene voorwaarden van Helpling (verbod om gedurende 24 maanden na laatste contact met Helpling, zonder Helpling, schoonmaakdiensten overeen te komen) nietig is wegens strijd met het belemmeringenverbod in artikel 9a van de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (verder: Waadi);
B (subsidiair): Helpling te gebieden met onmiddellijke ingang te stoppen met het op welke wijze dan ook belemmeringen hanteren in de zin van art. 9a Waadi, op straffe van de verbeurte van een dwangsom van € 10.000,00 voor elke dag dat Helpling dit gebod overtreedt;
C (meer subsidiair): te verklaren voor recht dat het gebruik van algemene voorwaarden om een arbeidsovereenkomst tot stand te brengen in strijd is met het dwingende karakter van het arbeidsrecht en/of met art. 6:245 van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW) dan wel met art. 6:233 onder a BW (onbevoegde vertegenwoordiging) en/of onrechtmatig is jegens de schoonmakers op grond van (het hof leest:) art. 6:193b lid 1 BW wegens oneerlijke handelspraktijk of op grond van art. 6:193c lid 1 aanhef en onder g BW en/of art. 6:193d BW beide wegens misleidende handelspraktijk;
D (meer subsidiair): Helpling te gebieden met onmiddellijke ingang te stoppen met het gebruik van algemene voorwaarden om een arbeidsovereenkomst tot stand te brengen tussen de schoonmakers en de particuliere huishoudens, op straffe van de verbeurte van een dwangsom van € 10.000,00 per dag.
De gewijzigde vorderingen A en B zullen hierna als de gewijzigde vorderingen inzake het belemmeringenverbod, de gewijzigde vorderingen C en D als de gewijzigde vorderingen met betrekking tot het consumentenrecht worden aangeduid.