3.1.
Eurest Services heeft in eerste aanleg verzocht, voor zover thans van belang, de arbeidsovereenkomst met [appellante] te ontbinden op grond van disfunctioneren (artikel 671b lid 1 aanhef en onder a BW jo. artikel 7:669 lid 3 onder d BW), althans andere dan de in artikel 7:669 lid 3 onder a tot en met g BW genoemde omstandigheden die zodanig zijn dat van haar in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren (artikel 671b lid 1 aanhef en onder a BW jo. artikel 7:669 lid 3 onder h BW), althans een combinatie van beide voormelde gronden die zodanig is dat van haar niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren (artikel 7:671b lid 1 aanhef en onder a jo. artikel 7:669 lid 3 onder i BW). [appellante] heeft verweer gevoerd en de kantonrechter verzocht het verzoek tot ontbinding af te wijzen, althans haar ten laste van Eurest Services een transitievergoeding en een billijke vergoeding toe te kennen. Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst tussen partijen per 1 juli 2020 ontbonden op voormelde h-grond, Eurest Services veroordeeld om [appellante] een transitievergoeding te betalen van € 20.532,93 bruto en – kennelijk onder afwijzing van het over en weer meer of anders verzochte – de proceskosten tussen partijen gecompenseerd.
3.4.
[appellante] merkt – in het bijzonder in het kader van grief V – op dat niet ter discussie staat dat zij leed aan een medisch probleem dat geuroverlast kan hebben veroorzaakt, maar zij betwist de aard en omvang van het geurprobleem. Het hof acht deze betwisting onvoldoende gemotiveerd in het licht van:
- e-mails van (onder andere) collega’s van [appellante] , te weten van 7 maart 2018 (8.18 uur), 26 maart 2018 (13.52 uur), 29 maart 2018 (10.20 uur), 3 april 2018 (12.41 uur), 6 april 2018 (13.07 uur) en 26 april 2018 (9.24 uur), waarin telkens over door [appellante] veroorzaakte hygiëneproblemen, waaronder geuroverlast, wordt geklaagd;
- de omstandigheid dat partijen twee keer over deze kwestie, namelijk op 13 maart 2018 en 9 april 2018, hebben gesproken;
- de e-mail van [X] , facilitair manager van Eurest Services (verder: [X] ), van 14 maart 2018 aan [appellante] , die, voor zover van belang, als volgt luidt en tegen de inhoud waarvan [appellante] kennelijk niet heeft geprotesteerd:
“Naar aanleiding van ons gesprek gisteren, hierbij nog even de bevestiging van de zaken die we hebben besproken en de verwachtingen die ik op dit moment heb overgehouden daarvan.
Ik heb je uitgenodigd omdat er meerdere malen een signalering is geweest dat je een mogelijk medisch probleem hebt. Er is zichtbare vervuiling aangetroffen op de (rol)stoelen die je gebruikt en daarbij is ook reukoverlast ervaren door de omgeving.
Mijn voorstel is geweest om een bedrijfsarts te vragen om in contact met jou te treden en zodoende de aard van de problemen te bespreken, tot mogelijke oplossingen te komen en afspraken te maken over hoe we de overlast kunnen beperken. Jij hebt aangegeven daar helemaal niets voor te voelen en hebt dit voorstel afgeslagen.”;
- De e-mail van [X] van 26 maart 2018 aan [appellante] , die, voor zover van belang, als volgt luidt en waartegen [appellante] kennelijk niet heeft geprotesteerd:
“Helaas kreeg ik vandaag wederom een melding vanuit de beveiliging vanwege de onprettige geur van de handdoek in jouw rolstoel bij het terugbrengen van deze rolstoel. (…) Afgelopen vrijdag heeft mijn assistent [A] jou ook aangesproken op vervuilde kleding en onprettige geur op het kantoor, maar je wou hier niet over praten.
Ik wil je wijzen op ons eerdere gesprek en onderstaande mail [bedoeld worden het gesprek van 14 maart 2018 en de hiervoor geciteerde e-mail van die datum; hof] waarmee ik dacht dat we daarmee een afspraak hadden gemaakt. Helaas moet ik vaststellen dat wij niet verder komen naar een oplossing.”;
- De brief van Eurest Services van 3 april 2018 aan [appellante] die, voor zover van belang, het volgende inhoudt en waartegen [appellante] kennelijk geen bezwaar heeft gemaakt:
“Wederom zijn er diverse klachten binnen gekomen inzake uw lichaamsgeur, die tot de nodige overlast zorgt bij zowel uw collega’s als de beveiliging. In het verleden bent u hier al eens op aangesproken door uw leidinggevende de heer [X] . Hij heeft u toen voorgesteld om uw probleem voor te leggen aan de bedrijfsarts. Daarnaast heeft u gevraagd om na te denken over een oplossing voor dit probleem.
U heeft aangegeven tijdens het gesprek dat u er niets voor voelde om naar een bedrijfsarts te gaan. Echter het probleem is nog steeds niet opgelost. Onlangs hebben we een klacht van de beveiliging binnengekregen, dat er een onprettige geur van de handdoek afkwam, nadat uw rolstoel is teruggebracht. De geur die omschreven wordt is de geur van urine. Ook bent u door de heer [A] aangesproken op uw vervuilde kleding en onprettige geur op kantoor. De klacht die hier ook vaak naar voren komt, is ook dat dit ruikt naar urine. U gaf echter te kennen dat u er niet over wilt praten. Wel heeft u zich ooit uitgelaten dat het te maken heeft met een huidprobleem.
Aangezien wij niet weten wat nu precies de oorzaak van deze geur overlast is en omdat u er niet over wilt praten, kunnen wij u ook niet helpen. Wij begrijpen dat dit wellicht een moeilijk onderwerp voor u is, echter dient het toch bespreekbaar gemaakt te worden omdat er nu te veel klachten binnen komen en het ernaar uit gaat zien dat dit tot een onwerkbare situatie gaat leiden. Om dit te voorkomen moeten we wel gezamenlijk tot een oplossing komen, omdat duidelijk is dat dit moet stoppen.” [hierna volgt de uitnodiging voor voormeld gesprek van 9 april 2018; hof].
Met de in haar beroepschrift geponeerde stelling dat zij momenteel is uitbehandeld voor het medische probleem dat de geuroverlast kan hebben veroorzaakt, miskent [appellante] , wat er verder van deze stelling feitelijk zij, dat deze omstandigheid niet relevant is voor de beoordeling door het hof van de beslissing van de kantonrechter de arbeidsovereenkomst (op de h-grond) te ontbinden. Deze beoordeling moet immers plaatsvinden op basis van de stand van zaken ten tijde van de bestreden beschikking (“ex tunc”). [appellante] heeft niet gesteld – noch is gebleken – dat de door haar veroorzaakte geuroverlast niet meer aanwezig was ten tijde van haar vrijstelling van haar werkzaamheden in december 2019 en/of ten tijde van de bestreden beschikking op 3 april 2020.
3.5.
Verder heeft [appellante] aangevoerd dat “een geurprobleem dat collega’s het werken onmogelijk maakt” in een functioneringsgesprek of in een officiële klacht had moeten worden vastgelegd, dat Eurest Services een bedrijfsarts had moeten inschakelen als de geuroverlast een onwerkbare situatie zou hebben opgeleverd, dat [appellante] het geen probleem vindt in een aparte kamer te werken en dat Eurest Services geen initiatief heeft getoond nadat [appellante] in 2018 naar een bedrijfsarts was verwezen. Volgens [appellante] had van Eurest Services op grond van – naar het hof begrijpt – artikel 7:611 BW meer mogen worden verwacht om haar tegemoet te komen. Het hof wijst dit betoog van de hand. Gezien de hiervoor geciteerde e-mails van 14 maart 2018 en 26 maart 2018 en brief van 3 april 2018, waaruit telkens blijkt dat [appellante] geen (noemsenswaardige) bereidheid aan de dag heeft gelegd om (zelf) iets tegen het door haar veroorzaakte geurprobleem te ondernemen, had het op de weg van [appellante] gelegen feiten en omstandigheden te stellen waaruit valt af te leiden dat haar er daadwerkelijk veel aan was gelegen om tot een oplossing althans (relevante) beperking van het geurprobleem te geraken. Dit heeft zij echter niet gedaan. Waarom verdere bezoeken aan de bedrijfsarts soelaas zouden kunnen hebben geboden, heeft [appellante] evenmin duidelijk gemaakt, te minder omdat zij er aanvankelijk niet toe te bewegen was de bedrijfsarts te bezoeken. Juist omdat [appellante] niet met Eurest Services over het probleem wilde praten – wat op zichzelf haar goede recht was – konden van Eurest Services in de gegeven omstandigheden geen initiatieven om tot een oplossing te geraken worden verwacht. Daar komt nog bij dat [appellante] niet heeft betwist dat de provincie haar op zeker moment niet meer tot het werk wilde toelaten. Eurest Services was, gezien de zojuist beschreven opstelling van [appellante] , niet gehouden te trachten de provincie op andere gedachten te brengen. [appellante] heeft overigens ook niet gesteld dat Eurest Services dat had moeten doen, laat staan dat dat (kans op) succes zou hebben gehad.
3.6.
Ten slotte betoogt [appellante] - in het kader van grief VI – dat Eurest Services haar in een andere werkomgeving had moeten herplaatsen, maar zij miskent daarmee, ten eerste, dat zij niet tot andere werkzaamheden in staat en bereid was dan de werkzaamheden als receptioniste die zij voor de provincie verrichtte (eventueel uitgebreid met het typen van brieven en het ontvangen van mensen), zulks terwijl Eurest Services onweersproken heeft gesteld dat zij dergelijk werk niet voorhanden heeft, ten tweede, dat zij er ter zitting in hoger beroep er desgevraagd geen misverstand over heeft laten bestaan dat zij slechts bij de provincie werkzaam wil zijn.