beslissing
___________________________________________________________________ _ _
afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer : 200.337.958/01 NOT
nummer eerste aanleg : C/05/420296/ KL RK 23-54
beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 6 augustus 2024
2 Het geding in hoger beroep
2.1.
Klaagsters hebben op 22 februari 2024 een beroepschrift – met een bijlage – bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de kamer) van 24 januari 2024 (ECLI:NL:TNORARL:2024:3). Dit beroepschrift is – met producties – op 12 maart 2024 aangevuld.
2.2.
De notaris heeft op 3 mei 2024 een verweerschrift bij het hof ingediend.
2.3.
Op 13 mei 2024 hebben klaagsters aanvullende producties ingediend.
2.4.
Het hof heeft van de kamer de stukken van de eerste aanleg ontvangen.
2.5.
De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 23 mei 2024. Klaagsters, vergezeld van hun gemachtigden, en de notaris, vergezeld van zijn gemachtigde, zijn verschenen. Klaagsters, de notaris en de gemachtigden hebben het woord gevoerd; de gemachtigden aan de hand van een aan het hof overgelegde pleitnota.
3 Feiten
Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat.
Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die zijn komen vast te staan komen de feiten neer op het volgende.
3.1
Klaagsters en de notaris maken deel uit van een maatschap. De maatschap bestaat in totaal uit vijf maten en heeft meerdere vestigingen.
3.2
In maart 2023 hebben medewerkers die werkzaam zijn op één van de vestigingen van het notariskantoor, klaagster sub 1 op de hoogte gesteld van (seksueel) grensoverschrijdend gedrag van de notaris.
3.3
De medewerkers hebben klaagster sub 1 daarbij geïnformeerd over seksueel getinte sinterklaasgedichten die zij hebben aangetroffen in een adviesdossier. Deze gedichten waren bestemd voor een maîtresse van de notaris.
3.4
Daarnaast hebben de medewerkers klaagster sub 1 gewezen op een in een adviesdossier aangetroffen overeenkomst die is gesloten tussen de notaris enerzijds en een andere man en een vrouw anderzijds. In die overeenkomst is, voor zover in deze zaak van belang, opgenomen dat partijen de intentie hebben “het recht van overspel uit te oefenen” op een avond van 19.00 tot 21.00 uur op het kantoor van de notaris waarbij de notaris een bedrag van € 500,00 aan de vrouw zou betalen.
3.5
De maten van de maatschap zijn met elkaar in gesprek gegaan over het naderende pensioen van de notaris en ontvlechting van de maatschap, maar tussen de maten is geen overeenstemming bereikt.
4 De klacht
4.1.
De kamer heeft de klacht van klaagster als volgt omschreven:
-
er is sprake van disfunctioneren van de notaris;
-
er is sprake (geweest) van grensoverschrijdende seksuele escapades die op het kantoor en onder kantoortijd hebben plaatsgevonden waardoor de eer en het aanzien van en het vertrouwen in het notarisambt zijn geschaad.
Nieuwe verwijten
4.2.
In hoger beroep hebben klaagsters verder aan de orde gesteld dat de notaris i) incomplete dossiers aan medewerkers aanlevert en zijn dossiers bij vakanties gebrekkig overdraagt, ii) een aansprakelijkheidsstelling niet heeft gemeld bij zijn beroepsaansprakelijkheidsverzekering, iii) de veiligheid en de continuïteit van de notarispraktijk ondermijnt door grensoverschrijdend gedrag jegens zijn medewerkers te vertonen, iv) zijn medewerking heeft verleend aan het aanbieden van een terugkoopovereenkomst van aandelen voor een bedrag van € 1,-, v) stelselmatig niet dan wel niet tijdig reageert naar cliënten, vi) zichzelf laat benoemen tot enig erfgenaam in het testament van een kwetsbare client en ten slotte vii) dreigt met het niet-passeren van een akte boedelscheiding in verband met een openstaande advocatendeclaratie.
5 Beoordeling
5.1.
De kamer heeft in de bestreden beslissing de klacht van klaagsters tegen de notaris op klachtonderdeel 1 ongegrond verklaard. Klachtonderdeel 2 is wél gegrond verklaard. Aan de notaris is de maatregel van berisping opgelegd. De notaris is daarnaast veroordeeld in de kosten.
5.2.
Tegen de formulering van de klachtonderdelen door de kamer zijn door klaagsters geen bezwaren gericht.
Klachtonderdeel 1: disfunctioneren van de notaris
5.3.
Klaagsters verwijten de notaris dat hij disfunctioneert in zijn hoedanigheid van notaris en als werkgever. De notaris handelt, aldus klaagsters, veelal niet in het belang van zijn cliënten. Hij maakt geen of te summiere aantekeningen van zijn besprekingen, concepten worden niet of niet tijdig genoeg verstuurd en hij gaat onzorgvuldig om met de dossiers waardoor deze zoek raken.
5.4.
Klaagsters brengen verder naar voren dat de notaris binnen kantoor een gedrag van machtsmisbruik laat zien. Er is sprake van een (te) hoge werkdruk binnen kantoor. De notaris meet zich, aldus klaagsters, een misplaatst superieure houding aan ten opzichte van zijn kantoormedewerkers. Dit uit zich, onder meer, in verbale uitspattingen en grensoverschrijdend gedrag (zie onder 4.2. sub iii) jegens een (aantal van) zijn medewerkers. Zijn gedrag heeft geleid tot grote frustraties en stress bij de medewerkers. Dit heeft geleid tot een leegloop van medewerkers.
5.5.
In hoger beroep hebben klaagsters de notaris daarnaast een groot aantal nieuwe verwijten gemaakt, hiervoor opgesomd onder 4.2. i, ii, iv, v, vi en vii.
5.6.
De notaris werpt primair een ontvankelijkheidsverweer op. Het ontbreekt klaagsters bij dit eerste klachtonderdeel aan enig redelijk belang als bedoeld in artikel 99 lid 1 van de Wet op het notarisambt (hierna: Wna). Hoewel uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het begrip “enig redelijk belang” ruim moet worden uitgelegd, is dit begrip niet zo ruim dat iedere notaris in het belang van een goede praktijkvoering of in het algemeen belang een klacht kan indienen. Deze klachten zijn voorbehouden aan de KNB en het BFT, aldus de notaris. Als het gaat om de nieuwe verwijten genoemd onder 5.5. voert de notaris aan dat het hier gaat om in hoger beroep voor het eerst opgeworpen klachten zodat klaagsters ter zake daarvan ook om die reden niet-ontvankelijk zijn.
5.7.
Voor het geval het ontvankelijkheidsverweer wordt verworpen brengt de notaris naar voren dat hij zich niet herkent in het door klaagsters geschetste beeld van de (werkwijze van de) notaris en de cultuur binnen het kantoor. Met betrekking tot de in 5.3. genoemde verwijten stelt de notaris dat de stellingen van klaagsters over zijn manier van praktijk voeren niets zeggen over de kwaliteit van de dienstverlening en/of de noodzaak van aantekeningen in dossiers. Zelfs al zouden er aantekeningen ontbreken dan betekent dit niet dat er zonder meer sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. Ook de onder 5.4. genoemde klachten worden door de notaris weersproken. Uit een aantal door de notaris overgelegde verklaringen van kantoormedewerkers blijkt dat hij zich juist op een integere manier ten volle inzet voor zijn onderneming én zijn personeel. De notaris erkent dat er al lange tijd sprake is van een hoge werkdruk binnen kantoor maar dat is op zichzelf niet tuchtrechtelijk laakbaar.
Ontvankelijkheid
5.8.
Ingevolge het bepaalde in artikel 99 lid 1 Wna kan een ieder die daarbij enig redelijk belang heeft een klacht tegen een notaris indienen. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het begrip “enig redelijk belang” ruim moet worden uitgelegd. Ten aanzien van de onder 5.3. genoemde gedragingen is het hof van oordeel dat klaagsters voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij een redelijk belang hebben om daarover een klacht in te dienen. De gestelde gedragingen kunnen schade opleveren voor de inhoudelijke kwaliteit van de te behandelen dossiers zonder dat cliënten hier weet van hebben. Dit kan zijn weerslag hebben op de goede beroepsuitoefening binnen het kantoor waar klaagsters deel uitmaken van de maatschap. Klaagsters zijn ook persoonlijk betrokken bij de verweten gedragingen genoemd onder 5.4 zodat ook op dit punt het door de notaris opgeworpen ontvankelijkheidsverweer moet worden verworpen.
5.9.
Op grond van artikel 107 lid 4 Wna geldt dat het hof een aan hem voorgelegde zaak opnieuw in volle omvang behandelt. Dit betekent dat alleen de klachten die ook in de procedure in eerste aanleg aan de orde zijn geweest in beschouwing worden genomen. Het hof volgt de notaris in zijn standpunt dat de verwijten genoemd onder 4.2. i, ii, iv, v, vi en vii moeten worden beschouwd als in hoger beroep voor het eerst opgeworpen klachten. De verwijten kunnen weliswaar worden geschaard onder de algemeen geformuleerde klacht over ‘disfunctioneren van de notaris’, maar het zijn andere verwijten, gebaseerd op andere feiten en omstandigheden dan die onder 5.3. en 5.4 zijn weergegeven en bij de kamer behandeld zijn. Klaagsters zullen daarom ten aanzien van deze nieuw geformuleerde klachten niet-ontvankelijk worden verklaard.
Inhoudelijk
5.10.
Het hof stelt vast dat de verwijten richting de persoon van de notaris enerzijds bestaan uit verwijten met een externe component (genoemd onder 5.3) en anderzijds verwijten die de interne kantoororganisatie en cultuur raken (genoemd onder 5.4).
5.11.
Ten aanzien van de onderbouwing van de verwijten genoemd onder 5.3 hebben klaagsters in eerste aanleg verwezen naar verschillende verklaringen afkomstig van (oud)medewerkers. Naar het oordeel van de kamer hebben klaagsters deze verwijten – de notaris maakt geen of te summiere aantekeningen van zijn besprekingen, concepten worden niet of niet tijdig genoeg verstuurd en hij gaat onzorgvuldig om met de dossiers waardoor deze zoek raken- onvoldoende concreet gemaakt. De notaris heeft de aantijgingen gemotiveerd betwist en hij heeft daarbij aangevoerd dat er afgelopen jaren diverse audits zijn uitgevoerd waarbij dit punt niet nader aan de orde is gekomen. De kamer is daarom van oordeel dat klaagsters hun klacht op dit punt onvoldoende hebben onderbouwd. In hoger beroep hebben klaagsters (delen van) een aantal dossiers overgelegd, maar het hof is van oordeel dat hun stellingen op dit punt onvoldoende geconcretiseerd blijven, wat de notaris in zijn verdediging belemmert. Dat in dossiers aantekeningen ontbreken, summier of moeilijk leesbaar zijn, moge zo zijn maar dat is onvoldoende voor het oordeel dat de notaris tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Daarbij geldt dat de overgelegde dossiers voor een deel van langer dan drie jaar geleden dateren zodat vanwege de vervaltermijn van artikel 99 lid 21 Wna de mogelijk in verband daarmee te maken tuchtrechtelijke verwijten niet-ontvankelijk zijn.
5.12.
De kamer heeft ook de verwijten die bestaan uit de vermeend onsympathieke en misplaatst superieure houding van de notaris (vgl. rov. 5.4.) ongegrond verklaard. De kamer heeft daarbij overwogen dat deze verwijten niet direct de uitoefening van het ambt van notaris raken. Weliswaar is komen vast te staan dat op het notariskantoor wrijving is ontstaan tussen klaagsters en een aantal kantoormedewerkers enerzijds en de notaris en een aantal kantoormedewerkers anderzijds, maar volgens de kamer leent deze tuchtprocedure zich niet voor het beslechten van deze geschillen. Het hof verenigt zich met deze overwegingen van de kamer. De notaris kan tuchtrechtelijk aansprakelijk zijn voor handelen dat niet direct de uitoefening van zijn ambt raakt, maar dan moet dit van een zodanige aard en ernst zijn dat de notaris daardoor de eer en het aanzien van het notarisambt schaadt. Dat is naar het oordeel van het hof als het gaat om deze verwijten niet het geval. Dit leidt niet tot ongegrondheid van de klacht, zoals de kamer heeft geoordeeld, maar tot niet-ontvankelijkheid van klaagsters terzake van dit klachtonderdeel voor zover het betrekking heeft op de hiervoor omschreven ‘interne component’. Voor de verwijten die betrekking hebben op (vermeende) gedragingen van de notaris die meer dan drie jaar geleden hebben plaatsgevonden (vgl. rov. 5.9.) geldt dat die in verband met de vervaltermijn van artikel 99 lid 21 Wna niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Dit geldt ook voor de klacht over de ongewenste intimiteiten jegens de kantoormedewerkster, een verwijt dat door de kamer niet beoordeeld is. Het gaat hier volgens klaagsters om een medewerkster die in 2019, dus meer dan drie jaar geleden, om deze reden ontslag heeft genomen.
Klachtonderdeel 2: grensoverschrijdende seksuele escapades
5.13.
Ter onderbouwing van hun klacht hebben klaagsters, onder meer, het volgende naar voren gebracht. De notaris heeft in verschillende adviesdossiers, die toegankelijk zijn voor alle medewerkers, een overeenkomst tot het verlenen van seksuele diensten tegen betaling en twee seksueel getinte sinterklaasgedichten voor zijn maîtresse(s) opgeslagen. Op enig moment zijn kantoormedewerkers op deze documenten gestuit. Voornoemde stukken lijken te suggereren dat er (seksuele) ontmoetingen op kantoor hebben plaatsgevonden. Medewerkers van het kantoor werden voorts geconfronteerd met het feit dat de notaris onder kantoortijd regelmatig sekswebsites bezocht. De notaris liet ten slotte meermaals kantoorafspraken verplaatsen voor afspraken met zijn maîtresse tijdens kantoortijd.
5.14.
De notaris heeft de onder 5.11 genoemde verwijten grotendeels erkend. De onder 5.11 genoemde documenten stonden echter niet in werkdossiers maar in privédossiers. De notaris had erop mogen vertrouwen dat de betreffende kantoormedewerkers zich geen toegang zouden verschaffen tot deze dossiers. Het was daarom volgens de notaris niet te voorzien dat deze dossiers door zijn medewerkers zouden worden ingezien. Ter terechtzitting in hoger beroep brengt de notaris naar voren dat hij ervan uitgaat dat het hof, evenals de kamer, klachtonderdeel 2 gegrond verklaart. De notaris heeft begrip voor deze beslissing. De notaris heeft lering getrokken uit de klacht; van enige kans op recidive is geen sprake. De notaris stelt ten slotte dat hij door de media-aandacht, die volgens de notaris door klaagsters op gang is gebracht, ook al is gestraft. Deze media-aandacht heeft voor de notaris en zijn omgeving een enorme impact gehad.
5.15.
De kamer heeft geoordeeld dat klachtonderdeel 2 terecht is voorgesteld. Hiertoe heeft de kamer, samengevat, het volgende overwogen. Vooropgesteld wordt dat de verweten gedragingen in beginsel privéaangelegenheden zijn waarvoor de notaris zich in beginsel niet tuchtrechtelijk hoeft te verantwoorden. Dit is slechts anders indien dit handelen voldoende verband houdt met zijn hoedanigheid van notaris en dat handelen een notaris niet betaamt. In dit geval, waarbij de seksuele gedragingen en uitingen van de notaris deels onder kantoortijd hebben plaatsgevonden, houdt de handelwijze van de notaris voldoende verband met zijn hoedanigheid van notaris. Op een ontoelaatbare manier heeft de notaris zijn seksuele privéaangelegenheden vermengd met de uitoefening van het notarisambt. Dit past niet bij het gedrag van een zorgvuldig handelend notaris. De notaris heeft met zijn handelwijze binnen het kantoor de eer en het aanzien van en het vertrouwen in het notariaat geschaad. Het hof onderschrijft dit oordeel van de kamer en neemt dit over. In hoger beroep zijn geen argumenten naar voren gebracht die tot een ander oordeel moeten leiden.
5.16.
Uit het voorgaande volgt dat de klacht gedeeltelijk gegrond is. Het hof is van oordeel dat de notaris door zijn hiervoor geschetste handelwijze de eer en het aanzien van het ambt ernstig heeft geschaad. Dit raakt aan het vertrouwen in de beroepsgroep. Van zijn handelwijze valt de notaris een tuchtrechtelijk verwijt te maken. De aard en de ernst daarvan rechtvaardigt op zichzelf de maatregel van schorsing van enige duur. Toch zal het hof die maatregel in dit geval niet opleggen omdat de volgende omstandigheden tot een mildere maatregel aanleiding geven. Ter zitting in hoger beroep heeft de notaris erkend dat de in klachtonderdeel 2 genoemde verwijten terecht zijn voorgesteld. Hij heeft maatregelen getroffen om herhaling te voorkomen. Het hof verwacht dat de ontoelaatbare vermenging van zijn privégedragingen met de uitoefening van het notarisambt waarvan hier sprake is geweest niet meer zal voorkomen. Verder houdt het hof rekening met het feit dat de media-aandacht waarin de notaris met naam en toenaam is genoemd een enorme impact op zijn persoon en zijn nabije omgeving moet hebben gehad. In deze omstandigheden ziet het hof aanleiding niet de maatregel van schorsing op te leggen maar, evenals de kamer, te volstaan met de maatregel van berisping. De beslissing van de kamer zal worden bevestigd.
Geen kostenveroordeling in hoger beroep
5.17.
Omdat het hof de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, dient de notaris het door klaagsters betaalde griffierecht in hoger beroep van € 50,- aan hen te vergoeden. Hij dient het griffierecht in hoger beroep binnen vier weken na deze uitspraak aan klaagsters te voldoen. Klaagsters geven hiervoor een rekeningnummer op aan de notaris.
5.18.
Per 1 januari 2021 is de Richtlijn kostenveroordeling notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer Gerechtshof Amsterdam 2021 (Staatscourant 2020, nr. 67513) in werking getreden. Het hof hanteert bij de toepassing van de richtlijn de ‘Uitgangspunten proceskostenveroordeling in hoger beroep’ (te raadplegen op de website van dit hof). Nu het hoger beroep van klaagsters leidt tot oplegging van dezelfde maatregel, ziet het hof – overeenkomstig de uitgangspunten – af van een kostenveroordeling in hoger beroep; de door de kamer uitgesproken proceskostenveroordeling blijft in stand.
6 Beslissing
- vernietigt de bestreden beslissing voor zover de onder 5.4 geformuleerde klacht ongegrond is verklaard;
- verklaart de onder 5.4 en de in hoger beroep nieuw geformuleerde klachten onder 4.2. i, ii, iv, v, vi en vii niet-ontvankelijk;
- veroordeelt de notaris tot betaling aan klaagsters van het door hen betaalde griffierecht van € 50,- binnen vier weken na opgave van het rekeningnummer door klaagsters;
- bevestigt de bestreden beslissing voor het overige.
Deze beslissing is gegeven door mrs. C.H.M. van Altena, E. de Greeve en S.V. Viveen en in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2024 door de rolraadsheer.