beschikking
___________________________________________________________________
GERECHTSHOF AMSTERDAM
ONDERNEMINGSKAMER
zaaknummers: 200.348.905/01 OK en 200.351.523/01 OK
beschikking van de Ondernemingskamer van 20 maart 2025
in de zaak met zaaknummer 200.348.905/01 OK van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[broer] HOLDING B.V.,
gevestigd te [plaats] ,
[broer]
,
wonende [plaats] ,
VERZOEKSTERS,
advocaat: mr. R.H. Knegtering, kantoorhoudende te Leeuwarden,
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[vennootschap]
,
gevestigd te [plaats] ,
VERWEERSTER,
advocaten: mr. D. J.M. Lange en mr. S.G.H. Nieuwendijk, kantoorhoudende te Haarlem,
en in de zaak met zaaknummer 200.348.905/01 OK van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[zus] HOLDING B.V.,
gevestigd te [plaats] ,
[levenspartner Holding B.V.]
,
gevestigd te [plaats] ,
VERZOEKSTERS,
advocaten: mr. R.Q. Potter en mr. C.R.B. Jonker, kantoorhoudende te Amsterdam,
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[broer] HOLDING B.V.,
gevestigd te [plaats] ,
VERWEERSTER,
advocaten: mr. R.H. Knegtering en mr. J.M. C. Kemper, kantoorhoudende te Leeuwarden,
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[vennootschap]
,
gevestigd te [plaats] ,
BELANGHEBBENDE,
advocaten: mr. D. J.M. Lange en mr. S.G.H. Nieuwendijk, kantoorhoudende te Haarlem,
Hierna zullen partijen en andere (rechts)personen (ook) als volgt worden aangeduid:
- [broer] Holding B.V. als [broer] Holding;
- [broer] als [broer] en samen met [broer] Holding als [broer] Holding c.s.;
- [vennootschap] als de Vennootschap;
- [zus] Holding B.V. als [zus] Holding ;
- [zus] als [zus] ;
- [levenspartner Holding B.V.] als WMG Holding en samen met [zus] Holding als [zus] Holding c.s.;
- [levenspartner] als [levenspartner] .
1 Het verloop van het geding in beide zaken
1.1
[broer] Holding c.s. heeft bij verzoekschrift van 12 december 2024 de Ondernemingskamer verzocht, samengevat, een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van de Vennootschap over de periode vanaf 1 januari 2021 en de Vennootschap te veroordelen in de kosten van de procedure (hierna: het enquêteverzoek).
1.2
De Vennootschap heeft bij verweerschrift van 20 februari 2025 de Ondernemingskamer verzocht [broer] Holding c.s. niet ontvankelijk te verklaren in het enquêteverzoek, dan wel dit verzoek af te wijzen, althans het enquêteverzoek aan te houden totdat in de procedure tussen [zus] Holding c.s. enerzijds en [broer] Holding anderzijds op een verzoek tot uitstoting ex artikel 2:336a BW is beslist en [broer] Holding c.s. te veroordelen in de kosten van de procedure.
1.3
[zus] Holding c.s. heeft bij verzoekschrift van 24 februari 2025 de Ondernemingskamer verzocht, kort gezegd, te bevelen dat alle 125 door [broer] Holding gehouden aandelen in de Vennootschap worden overgedragen aan [zus] Holding en WMG Holding, naar rato van hun huidig aandelenbelang, tegen betaling van een door de Ondernemingskamer te bepalen prijs, en een deskundige te benoemen die over de prijs bericht uitbrengt (hierna: het uitstotingsverzoek en tezamen met het enquêteverzoek: de verzoeken). [zus] Holding c.s. heeft verzocht het uitstotingsverzoek (met zaaknummer 200.351.523/01 OK) en het enquêteverzoek (met zaaknummer 200.348.905/01 OK) gevoegd te behandelen.
1.4
Op 24 februari 2025 heeft de secretaris van de Ondernemingskamer partijen laten weten dat het enquêteverzoek en het uitstotingsverzoek gezamenlijk behandeld kunnen worden op de voor het enquêteverzoek bepaalde datum (13 maart 2025), of op een later moment. Partijen hebben de voorkeur gegeven aan het eerste.
1.5
[broer] Holding heeft bij verweerschrift van 6 maart 2025 de Ondernemingskamer verzocht [zus] Holding c.s. niet ontvankelijk te verklaren in het uitstotingsverzoek, dan wel dit verzoek af te wijzen en [zus] Holding c.s. te veroordelen in de kosten van deze procedure.
1.6
De Vennootschap heeft bij verweerschrift van 6 maart 2025 het uitstotingsverzoek onderschreven.
1.7
De verzoeken zijn behandeld op de zitting van de Ondernemingskamer van 13 maart 2025. De advocaten hebben toen de standpunten van de verschillende partijen toegelicht aan de hand van overgelegde aantekeningen en wat alle advocaten (in beide zaken) betreft onder overlegging van tevoren toegestuurde nadere producties. Partijen en hun advocaten hebben tot slot vragen van de Ondernemingskamer beantwoord en inlichtingen verstrekt.
1.8
In onderling overleg hebben partijen hun verzoeken gewijzigd. [broer] Holding c.s. en [zus] Holding c.s. hebben de Ondernemingskamer gezamenlijk verzocht de prijs van de aandelen van [broer] Holding in de Vennootschap vast te doen stellen als bedoeld in artikel 2:343c BW (hierna: het prijsbepalingsverzoek). Het enquêteverzoek en het uitstotingsverzoek zijn vervolgens ingetrokken.
2 De feiten in beide zaken
2.1
[taxi X] is een familiebedrijf dat rond 1900 is opgericht door de grootouders van [broer] en [zus] . Vanaf 1988 heeft hun vader het bedrijf voortgezet. [broer] en [zus] zijn sindsdien werkzaam binnen het familiebedrijf en na het overlijden van hun vader in 1998 hebben zij het bedrijf samen voortgezet. Op enig moment heeft [levenspartner] , de levenspartner van [zus] , zich bij hen gevoegd. De onderneming is onder hun gezamenlijke leiding uitgegroeid tot een vervoersconcern waar in 2019 meer dan 1000 mensen werkzaam waren. In 2021 heeft een herstructurering plaatsgevonden waarbij [broer] en [zus] een deel van hun aandelen in het familiebedrijf hebben overgedragen aan [levenspartner] . Sindsdien houdt [levenspartner] via WMG Holding 750 van de 1000 aandelen in de Vennootschap en houden [broer] en [zus] via hun respectieve holdings ieder 125 aandelen. Nadien zijn de onderlinge verhoudingen verslechterd. [broer] Holding is van oordeel dat zijn belangen als minderheidsaandeelhouder van de Vennootschap worden geschonden, terwijl [zus] Holding c.s. menen dat de positie van [broer] Holding binnen de onderneming onhoudbaar is geworden.
2.2
De huidige structuur is als volgt. WMG Holding houdt 75% van de aandelen in de Vennootschap en is haar enig bestuurder. [levenspartner] is via LIG Holding B.V. en een stichting administratiekantoor enig aandeelhouder en bestuurder van WMG Holding. [broer] Holding en [zus] Holding houden ieder 12.5% van de aandelen in de Vennootschap. [broer] is via een stichting administratiekantoor enig aandeelhouder en bestuurder van [broer] Holding en [zus] is op vergelijkbare wijze enig aandeelhouder en bestuurder van [zus] Holding .
2.3
De Vennootschap, waarin het familiebedrijf inmiddels via verschillende dochtervennootschappen wordt voortgezet, is opgericht in 2015. Na de herstructurering in december 2021 is de hiervoor beschreven structuur ontstaan. Voor de herstructurering werden de door het taxibedrijf gebruikte voertuigen in eigen beheer gekocht, onderhouden en doorverkocht door een of meer van de dochtervennootschappen van de Vennootschap.
2.4
In maart 2022 is [Activa] (hierna: [Activa] ) opgericht. WMG Holding is enig aandeelhouder en bestuurder van [Activa] . [Activa] heeft een aantal dochtervennootschappen opgericht waaronder Cars & Mobility B.V. en [Voertuigen] (1, 2, 3 et cetera) B.V. (hierna Cars & Mobility en [Voertuigen] ). De volledige structuur ziet er nu als volgt uit:
2.5
Vanuit de dochtervennootschappen van [Activa] worden sinds 2022 verschillende activiteiten ontplooid, die voorheen gedeeltelijk door de dochtervennootschappen van de Vennootschap werden ontplooid, waaronder in ieder geval:
- in [Voertuigen] worden de - deels elektrische - voertuigen gefinancierd en aangekocht die door de taxibedrijven van de Vennootschap worden gebruikt;
- deze voertuigen worden door de taxibedrijven van de Vennootschap gehuurd van [Voertuigen] voor aanvankelijk € 850 per maand en inmiddels (vanaf 1 januari 2025) € 1.000 per maand;
- de door de [Voertuigen] gehouden voertuigen worden onderhouden in de werkplaatsen van de Vennootschap, waar ook de voertuigen van de Vennootschap worden onderhouden;
- na de gebruiksperiode worden de voertuigen van zowel de dochtervennootschappen van de Vennootschap als van [Voertuigen] doorverkocht door Cars & Mobilty die daarvoor een vaste vergoeding van € 1.250 per voertuig ontvangt;
- een in 2021 door de Vennootschap ten behoeve van nieuwbouw gekocht perceel is in april 2022 doorverkocht aan [Real Estate B.V.] en vervolgens in 2024 (met een opslag van € 130.000) weer doorverkocht aan een derde.
3 De gronden van de beslissing in beide zaken
3.1
Partijen hebben de Ondernemingskamer gezamenlijk verzocht de prijs van de 125 aandelen van [broer] Holding in de Vennootschap (hierna: de Aandelen) vast te doen stellen als bedoeld in artikel 2:343c lid 1 BW. Zij hebben gezamenlijk hun voorkeur uitgesproken voor één (in plaats van drie) deskundige(n) en hebben verzocht de deskundige de volgende aanwijzingen als bedoeld in artikel 2:343c lid 2 BW te geven:
- de datum waartegen de Aandelen gewaardeerd moeten worden (de peildatum) is 31 december 2024;
- de waarderingsmethode die gevolgd dient te worden is de discounted cash flow (DCF)-methode;
- de waardering ziet op 100% van de aandelen in de Vennootschap op de peildatum, op basis van de veronderstelling dat de aan de vennootschap verbonden onderneming zelfstandig op de gebruikelijke wijze zal worden voortgezet (stand alone en going concern).
- de deskundige wordt gevraagd om in het deskundigenbericht verslag te doen van twee op de vorige uitgangspunten gebaseerde onderzoeken naar de waarde van de Aandelen:
o één waardering waarbij de waarde van de Aandelen van de Vennootschap op de peildatum wordt bepaald op basis van de huidige structuur, en
o één waardering waarbij wordt verondersteld dat de onder 2.5 genoemde activiteiten na 2021 steeds onderdeel zijn gebleven van de activiteiten van de dochtervennootschappen van de Vennootschap.
[levenspartner] en WMG Holding hebben daarbij ter zitting toegezegd dat zij ten behoeve van met name de tweede waardering de te benoemen deskundige ruimhartig van de daarvoor benodigde informatie zullen voorzien, die zich in het domein van [Activa] en haar dochtervennootschappen bevindt.
3.2
De Ondernemingskamer overweegt als volgt. Partijen zijn overeengekomen dat [broer] Holding zijn Aandelen tegen gelijktijdige betaling van een nader vast te stellen prijs zal overdragen aan [zus] Holding en WMG Holding. De Ondernemingskamer gaat er hierbij in beginsel vanuit dat de Aandelen, in lijn met het uitstotingsverzoek, pro rata worden overgedragen aan [zus] Holding en WMG Holding. Zodoende resteert de vaststelling van de (pro rata) door [zus] Holding c.s. te betalen prijs voor de over te dragen Aandelen.
3.3
Voor de vaststelling door de Ondernemingskamer van de prijs van de over te dragen Aandelen geldt als uitgangspunt dat [broer] Holding recht heeft op een reële en redelijke vergoeding van de waarde van zijn aandelen. Partijen worden daarbij in de kern verdeeld gehouden door de vraag of de in 2.5 genoemde activiteiten, die nu in de dochtervennootschappen van [Activa] worden uitgeoefend, al dan niet thuis horen binnen de Vennootschap. [broer] Holding c.s. betogen daarbij, kort gezegd, dat deze zeer winstgevende activiteiten door [levenspartner] in strijd met het bepaalde in artikel 2:8 BW (want zonder de aandeelhouders te informeren) en in strijd met het belang van de Vennootschap, zijn overgeheveld naar dochtervennootschappen van [Activa] , waarvan [levenspartner] zelf middellijk alle aandelen houdt. [zus] Holding c.s. betogen op hun beurt kort gezegd dat [broer] Holding daarmee heeft ingestemd omdat hij na de herstructurering in 2021 niet meer wilde dat binnen de onderneming nog nieuwe activiteiten met de bijbehorende risico’s zouden worden ontplooid, zoals de investering in elektrische voertuigen en de ontwikkeling van de grond voor de nieuwbouw. Volgens [zus] Holdings c.s. zijn de huurtarieven en de doorbelasting van kosten marktconform, of zelfs gunstiger voor de Vennootschap.
3.4
De Ondernemingskamer heeft tegen deze achtergrond met partijen besproken dat de te benoemen deskundige gevraagd zal worden onderzoek te doen naar de waarde van de aandelen van de Vennootschap op de peildatum zowel op basis van de huidige structuur als op basis van de veronderstelling dat de onder 2.5 genoemde activiteiten na 2021 steeds onderdeel zijn gebleven van de activiteiten van de dochtervennootschappen van de Vennootschap. Op basis van het daarover uit te brengen deskundigenbericht zal de Ondernemingskamer vervolgens, na partijen te hebben gehoord, op de voet van artikel 2:340 lid 1 BW de prijs van de Aandelen bepalen.
3.5
De Ondernemingskamer zal hierna op grond van artikel 2:343c lid 3 BW in samenhang met artikel 2:343 lid 2 BW en 2:339 lid 1 BW, één deskundige benoemen en deze vragen een deskundigenonderzoek te verrichten en daarover schriftelijk te berichten. De Ondernemingskamer wijst in dat kader op de door de Ondernemingskamer gepubliceerde Leidraad voor deskundigen in de geschillenregeling, waarop de deskundige acht dient te slaan.
3.6
De Ondernemingskamer zal de te benoemen deskundige vragen om binnen zes weken - of zoveel eerder als mogelijk - een definitief plan van aanpak en een definitieve begroting van de kosten van het onderzoek te maken en deze aan de Ondernemingskamer toe te sturen. De Ondernemingskamer zal partijen indien nodig in de gelegenheid stellen zich uit te laten over die begroting en vervolgens de hoogte van het voor de kosten van de deskundige ter griffie te storten voorschot bepalen, tenzij partijen over dit laatste afwijkende afspraken maken. In diezelfde beschikking zal de Ondernemingskamer bepalen binnen welke termijn de deskundige het deskundigenbericht dient uit te brengen.
3.7
Na indiening van het deskundigenbericht zullen partijen in de gelegenheid worden gesteld schriftelijk op het deskundigenbericht te reageren en hun zienswijze kenbaar te maken, waarna de Ondernemingskamer een mondelinge behandeling zal bepalen ter bespreking van het deskundigenbericht en de vaststelling van de prijs voor de over te dragen Aandelen, waarbij ook aan de orde zal komen of en zo ja, waarom en in welke omvang de verplaatsing van bepaalde activiteiten naar [Activa] daarop van invloed is.
3.8
Partijen hebben de Ondernemingskamer voor de bepaling wie de kosten van het deskundigenonderzoek en -bericht betaalt verzocht de wettelijke regeling te volgen. De Ondernemingskamer zal zodoende, op grond van artikel van artikel 2:343c lid 3 BW in samenhang met artikel 2:343 lid 2 BW en 2:340 lid 1 BW, in de beschikking waarin zij de prijs van de Aandelen vaststelt, bepalen wie deze kosten draagt. Vooruitlopend daarop zal de Ondernemingskamer bepalen dat het voorschot op de kosten van het deskundigenonderzoek ten laste komt van de Vennootschap.
3.9
Partijen hebben het enquêteverzoek en het uitstotingsverzoek ingetrokken en in plaats daarvan een gezamenlijk prijsbepalingsverzoek gedaan op grond van artikel 2:343c BW. Bij die stand van zaken bestaat geen belang meer bij beoordeling van en beslissing op de verzoeken, zodat de Ondernemingskamer [broer] Holding en [zus] Holding c.s. niet ontvankelijk zal verklaren in hun oorspronkelijke verzoeken. De zaak zal worden voortgezet onder nummer 200.351.523/01 OK. De enquêteprocedure met nummer 200.348.905/01 OK zal worden beëindigd, zonder een proceskostenveroordeling uit te spreken.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
4 De beslissing in beide zaken
in de zaak met nummer 200.351.523/01 OK
beveelt een onderzoek naar de waarde van de 125 door [broer] Holding B.V. over te dragen aandelen in het geplaatste kapitaal van [vennootschap] , gevestigd [plaats] , een en ander met inachtneming van hetgeen in deze beschikking is overwogen en bepaalt dat:
- de datum waartegen de aandelen gewaardeerd moeten worden (de peildatum) 31 december 2024 is;
- de waarderingsmethode die gevolgd dient te worden de discounted cash flow (DCF)-methode is;
- de waardering ziet op 100% van de aandelen in de vennootschap op de peildatum, op basis van de veronderstelling dat de aan de vennootschap verbonden onderneming zelfstandig op de gebruikelijke wijze zal worden voortgezet (stand alone en going concern);
- de deskundige in het deskundigenbericht verslag dient te doen van twee op de vorige uitgangspunten gebaseerde onderzoeken naar de waarde van de aandelen:
o één waardering waarbij de waarde van de aandelen van de vennootschap op de peildatum wordt bepaald op basis van de huidige structuur, en
o één waardering waarbij wordt verondersteld dat de onder 2.5 genoemde activiteiten, die nu in de dochtervennootschappen van [Activa] worden ontplooid, na 2021 steeds onderdeel zijn gebleven van de activiteiten van de dochtervennootschappen van de vennootschap;
benoemt tot deskundige T.M. van Mieghem RV RAB CVA te Leeuwarden;
bepaalt dat de deskundige het onderzoek overigens zelfstandig – in de zin van artikel 198 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, dat wil zeggen niet onder leiding van de Ondernemingskamer – zal verrichten;
bepaalt dat de griffier van de Ondernemingskamer onverwijld een afschrift van deze beschikking en het procesdossier aan de deskundige zal doen toekomen;
verzoekt de deskundige binnen zes weken - of zoveel eerder als mogelijk - een plan van aanpak en een begroting van de kosten van het onderzoek te maken en deze aan de Ondernemingskamer toe te sturen;
bepaalt dat de deskundige, in het kader van zijn onderzoek, partijen in de gelegenheid dient
te stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat uit het schriftelijk bericht van
het onderzoek dient te blijken dat aan dit voorschrift is voldaan;
benoemt mr. A.W.H. Vink tot raadsheer-commissaris;
verklaart [zus] Holding B.V. en [levenspartner Holding B.V.] niet ontvankelijk in hun verzoek tot uitstoting van [broer] Holding B.V.;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
houdt iedere verdere beslissing aan;
en in de zaak met nummer en 200.348.905/01 OK
verklaart [broer] Holding B.V. niet ontvankelijk in haar verzoek tot het instellen van een enquête.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.W.H. Vink, voorzitter, mr. W.A.H. Melissen en
mr. E. Loesberg, raadsheren, en dr. M.J.R. Broekema RV en mr. drs. F. Marring RA, raden, in tegenwoordigheid van mr. F.C.W. Wijffels, griffier, en in het openbaar uitgesproken door
mr. A.W.H. Vink op 20 maart 2025.